Verstomd vanwege Huize Weerspan
Bij Ezechiël 3,22-27
Er gebeurt veel, als JHWH zich laat kennen aan Ezechiël. Eerst horen rue, hoe ‘de hand van JHWH’ over hem ‘geschiedt’ (Ez. 3,22). Met die hand is het roepingsvisioen ook begonnen in Ezechiël 1,3. Vervolgens moet Ezechiël ‘opstaan’ en ‘uitgaan naar het dal’ (22). In vers 23 voert hij de opdracht uit: ‘Ik stond op en ging uit naar het dal.’ Een dal (vallei, vlakte) komt later in Ezechiël terug in het bekende hoofdstuk over de dorre doodsbeenderen (37,1-2).
Dalen horen erbij in het land van belofte (Deut. 8,7 en 11,11), maar een dal is niet altijd een neutrale plaats in Tenach. De toren van Babel zal ook in een dal (of vlakte of vallei) gebouwd worden (Gen. 11,2). De profeet Jesaja ziet de dalen liever verhoogd (Jes. 40,4). Soms is er sprake van een onheilspellend dal (Zach. 12,11 en 2 Kron. 35,22). Als je als mens uitgaat naar een dal, dan is je beweging afdalend. Dan ga je in ieder geval niet omhoog, zoals wanneer je naar Jeruzalem, naar de tempel opgaat.
In beweging gebracht door JHWH
Toch verschijnt nu in het dal: ‘de heerlijkheid van JHWH, als de heerlijkheid, die ik gezien had aan de rivier de Kebar’ (Ez. 3,23). Deze ‘heerlijkheid’ (kabod) heeft Ezechiël eerder gezien aan het slot van het eerste visioen (1,28). Deze ‘heerlijkheid’ is ook geprezen in 3,12. Deze ‘heerlijkheid’ wordt in 10,4 en verband gebracht met de tempel in Jeruzalem, maar zal in 11,23 uit de tempel en de stad Jeruzalem verdwijnen. Voordat het zover is, zien we in dit roepingsvisioen van Ezechiël (1,1-3,27) dat de ‘heerlijkheid van JHWH’ niet beperkt is tot de tempel in Jeruzalem. De ballingen aan de rivier worden niet in de steek gelaten. Dat wil overigens niet zeggen, dat JHWH blij is met hun houding en gedrag.
Nadat de ‘hand van JHWH’ Ezechiël heeft laten ‘opstaan’ en ‘uitgaan’ (22,23) brengt de ‘heerlijkheid van JHWH’ hem tot een hele diepe buiging: ‘ik viel neer op mijn aangezicht’ (23). Zo gebeurde ook in 1,28. Er spreekt eerbied, ontzag en huiver uit deze reactie. Ezechiël heeft JHWH niet aan een touwtje. Het is eerder zo dat Ezechiël zware zaken te horen krijgt, die hij zal moeten doorgeven omwille van de heerlijkheid van JHWH.
Na de diepe buiging brengt ‘geest’ (roeach) Ezechiël weer op zijn voeten. We hebben dit eerder gezien na de eerste ontmoeting met de ‘heerlijkheid van JHWH’ (2,1-2). De ‘geest’ brengt een mens weer op zijn voeten. Zij laat zich kennen in woorden, die gesproken worden.
Opgesloten in zichzelf
Na alle beweging die de ontmoeting met JHWH teweeg heeft gebracht, zien we nu verstarring, opgeslotenheid, gebondenheid, vanwege het gedrag van de mensen. De vrijheid om te spreken is afwezig. Zowel innerlijk als door uiterlijke omstandigheden gedwongen, houdt Ezechiël zijn mond. We lezen hoe Ezechiël zichzelf moet opsluiten ‘middenin jouw huis’ (3,24) en door anderen gebonden wordt met ‘touwen’ (25), zodat hij niet weg kan ‘uit hun midden’ (25). Opgesloten door zichzelf en anderen raakt hij verstomd. De letterlijke gebondenheid door touwen heeft zijn weerslag op het spraakvermogen. Zo nijpend is de tegenspraak: ‘je tong laat Ik kleven aan je gehemelte, je wordt stom, je zult voor hen niet een terechtwijzend man zijn’ (26). Hij kan niet eens terechtwijzingen namens JHWH doorgeven.
Er is een overeenkomst met de priester Zacharias, maar ook een verschil (Luc. 1,20). Zacharias’ stomheid is een teken van grote vreugde over ongelooflijk goed nieuws. Ezechiël overvalt de stomheid, als hij schijnbaar onverteerbaar moeilijke dingen moet doorgeven. Ezechiël moet in eerste instantie niet een tijd van vrede, voorspoed en zegen aankondigen, maar zware en moeilijke omstandigheden, zoals verwoesting van de tempel en ballingschap. Daar moeten hij en het volk eerst doorheen, voordat er weer een ommekeer zal komen. Als we naar het wereldnieuws kijken in onze tijd, zien we ook veel barre omstandigheden. Mensen hebben allerhande rampen te doorstaan. Ook in onze tijd kun je als profeet niet alleen maar vrede en voorspoed aankondigen. Dan zou je de waarheid geweld aandoen.
Het onverteerbare van Ezechiëls boodschap roept de weerspannigheid van zijn toehoorders op: ‘Huize Weerspan zijn ze’ (Ez. 3,26.27). We hebben de weerspannigheid tegen JHWH al vijf keer eerder horen klinken in 2,5.6.7.8 en 3,9. Het woord ‘weerspannig’ klinkt zeven keer in dit roepingsvisioen als themawoord.
Horen of nalaten
De verstomming van Ezechiël wordt doorbroken, als JHWH tot hem spreekt: ‘als Ik met jou spreek, zal ik jouw mond openen’ (Ez. 3,27). Wat Ezechiël dan gaat zeggen, hebben we ook al eerder gehoord. Voor de derde keer klinkt het: ‘wie hoort, hore en wie nalaat, laat na’ (2,7; 3,11; 3,27). Het ‘horen’ is een belangrijk woord in Tenach. Het herinnert aan het sjema‘: ‘Hoor, Israël, JHWH is onze God, JHWH is een. Gij zult JHWH, uw God, liefhebben met geheel uw hart en geheel uw ziel en geheel uw verstand’ (Deut. 6,4.5). Hierom gaat het in deze woorden van Ezechiël namens JHWH. De vraag is: zal het volk in ballingschap inderdaad de ene JHWH liefhebben met hart, ziel en verstand? Of zal het volk zich tot andere goden met slavernij wenden? In dat geval wordt er niet ‘gehoord’, maar ‘nagelaten’.
Mensen worden hier ieder voor zich verantwoordelijk gesteld. Wie ‘hoort, hore’ en heeft dus JHWH lief. Wie ‘nalaat, laat na’ en doet niet mee aan het liefhebben. In het liefhebben van JHWH gaat het in de bijbel steeds om het doen van recht en gerechtigheid en om oog voor weduwe, wees en vreemdeling.
Hoe zit het met ons als ‘hoorders’ in deze tijd? Willen wij ‘horen’? Willen wij JHWH liefhebben door recht te doen? Of willen we liever ‘nalaten’? JHWH liefhebben is immers in geen enkel opzicht populair in onze dagen? Wat heeft dat voor gevolgen voor de ernst van de profetie?