Menu

Premium

VI Delen

Zaaien is zwaar. Maar dit is het zwaarst van al:

zelf zaad te worden, licht, een niemendal,

hopend dat Hij die hier zijn akker bouwt

ons voor de grote oogst uitzaaien zal.

Ad den Besten

Derde strofe van ‘Voor een dienaar des Woords’ van Ad den Besten, uit: Tjerk de Reus (red.), Dader van het woord. Over Ad den Besten. Themanummer van Bloknoot, nr. 22, november 1997.

De kerkdienst is afgelopen. Er is koffie, de kerkgangers delen nieuws en dagelijkse dingen. Hier en daar klinkt nog de constatering dat het een fijne dienst was. Daarna verspreiden de mensen zich weer in allerlei richtingen. Als laatste ritueel van wegzending staat de voorganger bij de uitgang die ieder een goede zondag wenst. Een hand, een hoofdknik, en enkelen die de predikant toevoegen: ‘Bedankt voor de mooie preek.’ Best moe maar ook voldaan keert de voorganger huiswaarts. Muziek in de auto geeft de ontspanning om de intensieve ochtend los te laten. Ergens maakt zich ook een onbestemd gevoel van haar meester. Je weet immers maar zo weinig van wat er werkelijk in de mensen omgaat. In een paar woorden draagt zij de gemeente nog eens op aan God en maakt zo haar gedachten weer vrij.

De vraag waartoe dit alles leidt, blijft echter wel van belang. Wat mag je hopen dat er gebeurd is? Het is de vraag naar de follow-up van de kerkdienst. Onder de noemer van delen vragen wij naar de vrucht van de prediking, en hoe we die kunnen versterken. Dan gaat het over de kerkdienst, de liturgie, de eenheid van Woord en sacrament.

Eredienst die God behaagt

De kerkdienst heeft het leven op het oog. Wij preken in de hoop dat er iets gebeurt. Dat is een diep verankerd besef in de protestantse visie op kerkdienst en liturgie. Met name in het calvinisme wordt dat diep gevoeld.

O. Noordmans, ‘Kritieke spanningen in de gereformeerde theologie’, in: Verzameld Werk deel 4. Kampen: Kok, 1988, 109-130. ‘Het [protestantisme] had de roeping, op zijn beurt, het leven te ordenen. Voor het episcopale regiment kwam de pastoraal, de regering van de homunculus, zoals Calvijn hem noemt, die ’s zondags op de preekstoel staat om over het geloof te spreken, en in de week datzelfde geloof tot leven moet uitrekken…’ (109) Vgl. ook ‘Gereformeerd-ethisch’, in: Verzameld Werk deel 3, Kampen: Kok, 1981, 409-418. ‘Het geloof is regelrecht praktisch, geen tweeërlei moraal; we staan met ons geloof midden in de wereld. De ziel ligt bloot voor de inwerking van de wereld en de wereld is het onmiddellijke voorwerp in de activiteiten van het geloof.’ (413)

In de gereformeerde ecclesiologie is na de zuivere bediening van het Woord en de zuivere bediening van de sacramenten, de tucht de derde nota ecclesiae.

Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 29 over de kenmerken van de ware kerk. Het gaat dan bij de derde nota ecclesiae uitdrukkelijk over de levenstucht: ‘… om de zonden te bestraffen…’ De valse kerk is – ‘gemakkelijk’ zelfs volgens het slot van het artikel – te herkennen: ‘Zij vervolgt hen, die heilig leven naar Gods Woord en die haar (de – valse – kerk) berispen om haar zonden, geldzucht en afgoderij.’

De werkelijke eredienst vindt plaats in het gewone leven, in de economie (op de markt), in de sociale relaties (met familie en met wie op je weg komen: wees, weduwe, vreemdeling, arme, etc.) en in de machtsverhoudingen (politiek).

De Jacobusbrief vat dit kernachtig samen: ‘De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader is dit: wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukking en zichzelf onbesmet bewaren van de wereld.’ (Jac. 1:27)

Daarmee sluit de protestantse visie op de kerkdienst in de tijd van de Reformatie aan bij de lijn die we al bij de profeten in het Oude Testament toenemend opmerken. De liturgie in de tempel is nooit doel in zichzelf. Zodra het dat wordt, gaat het mis.

Er zijn momenten dat het met de cultus zo mis is, dat God bij monde van de profeet zich er totaal van afkeert. Vgl. Amos 5:21-23. Jeremia 7 is hiervan ook een sprekend voorbeeld. Zie ook de tegenoverstellingen in Jesaja 58: Tegenover een louter uitwendige ‘vasten’ wat louter schijn is, stelt de profeet: ‘Is dit niet het vasten dat Ik verkies: dat u de boeien van de goddeloosheid losmaakt, … dat u de onderdrukten vrij laat heengaan … dat u uw brood deelt met wie honger lijdt, en de ellendige ontheemden een thuis biedt, …?’ (Jesaja 58:6-7.)

We zien die beweging in het Nieuwe Testament geradicaliseerd terug bij Jezus: in zijn optreden in de tempel, in zijn omgang met het sabbatsgebod en in zijn toespitsing van het grote gebod van de liefde tot God en de naaste.

Zie resp. Mattheüs 21:12vv, Mattheüs 9:13 en 12:7, en Markus 12:28-33.

In de brieven zien we deze lijn doorgetrokken in het leven van de gemeente. De richting in de Bijbel is onomkeerbaar. Het eindpunt is een nieuwe gemeenschap, een nieuwe tempel, niet met handen gemaakt, een geestelijk huis, een heilig priesterschap om ‘geestelijke offers’ te brengen ‘die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus’.

I Petr. 1:2-10.

Kortom, het perspectief in het Nieuwe Testament is een ‘eredienst in de zin van het woord’, een logika latreia.

We volgen hier de vertaling van Romeinen 12 vers 1 volgens de Naardense Bijbel: ‘Ik roep u op, broeders-en-zusters, vanwege de barmhartigheden van God, om uw lichamen in te zetten als een levende, heilige, welbehaaglijke offerande aan God, uw eredienst in de zin van het woord.’ Walter Bauer, Wörterbuch zum Neuen Testament. Berlin, New York: De Gruyter 1971, vertaalt logika latreia met: geestelijk, of ook: weloverwogen, redelijk. Het gaat om een staande uitdrukking in de Stoa, ook in zwang bij Grieks-sprekende Joden. Het gaat om een eredienst die beantwoordt aan het Woord, of de Logos, de ware zin van de eredienst. Dus feitelijk neemt het begrip logika latreia de profetische kritiek op louter uitwendig ritueel over. Het gaat om een equivalent van de geestelijke offers, waar I Petrus 2:5 het over heeft.

De christelijke gemeente is een afgezonderde gemeenschap, de ekklesia – zoals Israël te midden van de volken – met de priesterlijke roeping tot dienst in de wereld: de verkondiging van de grote daden van God, met de dienst van voorbede en barmhartigheid.

Zie ook Stefan Paas, Vreemdelingen en priesters. Christelijke missie in een postchristelijke omgeving. Zoetermeer: Boekencentrum, 2015. Paas fundeert zijn missionaire ecclesiologie op deze twee centrale noties in de eerste Petrusbrief, die hij leest in combinatie met de boeken Daniël, Esther en I + II Kronieken, waar deze Oudtestamentische Geschriften reflecteren op de situatie van het Joodse volk in de ballingschap, de diaspora. Dat is de situatie van de discipelen van Jezus in deze wereld nu. De kerk heeft in de wereld een priesterlijke roeping, om hier en nu de dienst van God en van Christus plaatsvervangend te vervullen. In die dubbele beweging van de wereld naar God, in gebed en voorbede – en van God naar de wereld, in getuigenis, dienst van barmhartigheid en zegen.

Met andere woorden: de eredienst van de gemeente is principieel open en toekomstgericht. De protestantse visie op de kerkdienst houdt de kerk open naar de wereld toe.

Met een speelse verwijzing naar de in principe alle dagen open deuren van Rooms-katholieke kerkgebouwen, schrijft Noordmans: ‘Niet de roomse maar de protestantse kerk staat altijd open.’ O. Noordmans, ‘Liturgie’, in: Verzameld Werk deel 6, Kampen: Kok, 1986, 60.

In de dienst aan God gaat het om mensen en om de samenleving als geheel, de oikoumenè.

In deze visie heeft de Reformatie het Nieuwe Testament aan haar zijde. De eerste christenen ‘volhardden bij het onderwijs van de apostelen, de gemeenschap, de breking van het brood en de gebeden’, volgens het boek Handelingen (2:42vv). De ontvouwing van de betekenis van kruis en opstanding van Jezus Messias, en de lezing van Mozes, de profeten en de psalmen met het oog op Christus is een blijvend vast onderdeel van de samenkomsten. Hetzelfde geldt voor de lofprijzing: het delen van Psalmen en lofliederen op God en op Christus.

Kol. 3:12-17 en met name vers 16-17 staat daarvoor model. Vgl. ook Ef. 5:19.

Een nieuwe gemeenschap

Het meest nieuwe van de christelijke geloofsgemeenschap is de koinoonia: de gemeenschap met Christus en met elkaar. Een gemeenschap van mannen en vrouwen, oud en jong, arm en rijk, vrije burger en slaaf, heer en knecht, van Jood, Griek en barbaar. Die gemeenschap wordt zichtbaar in de viering van de Maaltijd des HEREN, het breken van het brood en het delen van de beker waarin de gemeente de dankzegging, de eucharistia viert; en in de vloeiende overgang tussen de Maaltijd van de Heer, de maaltijden die men met elkaar houdt, en de dienst van de liefde in deze wereld.

‘Het wezen van de Kerk komt tot uitdrukking in een drievoudige opdracht: de verkondiging van Gods Woord (kerygmamartyria), het vieren van de sacramenten (leiturgia), de dienst van de liefde (diakonia). Deze opdrachten veronderstellen elkaar en zijn niet te scheiden. De dienst van de liefde is voor de kerk geen soort steunverlening, die men ook aan anderen zou kunnen overlaten, doch behoort tot haar wezen, is een onontbeerlijke uitdrukking van haar diepste Wezen’. Paus Benedictus XVI, Deus Caritas Est (2006), http://w2.vatican.va/content/benedict-xvi/nl/encyclicals/documents/hf_ben-xvi_enc_20051225_deus-caritas-est.html, (15 juni 2016).

Bij de maaltijden komt alles bij elkaar waar het in het evangelie om gaat. We zien dat in de evangeliën zelf bij de vele maaltijden, waar Jezus eet met tollenaren en zondaren. Bij de maaltijden komen heil en leven bij elkaar, en wordt zichtbaar hoe de kerk open is naar de wereld. In de maaltijden concretiseert zich de rechtvaardiging van de goddeloze. Die zien wij exemplarisch afgebeeld in de onvoorwaardelijke aanvaarding van de man Zacheüs,

Vgl. Luc. 19:1-10.

van de ‘zondige vrouw’ zonder naam,

Vgl. Luc. 7:36-50.

en van het even daarvoor nog teruggewezen kind.

Bij Lucas volgt de zegening van de kinderen door Jezus op de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar (Luc. 18:15-17 na 9-14). Zie ook Luc. 9:46-48: beide noties, het Koninkrijk Gods aanvaarden als een kind en dus als volwassenen de kinderen = rechtelozen zelf aanvaarden, zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

En het wordt helder en tastbaar-concreet in de heiliging van het christelijke leven. Daarvoor zijn de uitermate krasse woorden van Paulus in de eerste Korinthebrief exemplarisch.

Vgl. I Kor.5: 1-13 en 6:12-20.

Hij keert zich daar tegen concrete praktijken in de gemeente: hoererij, incest, geldzucht, laster, dronkenschap, oplichting. Het heil dat wij bij de maaltijd vieren, verdraagt zich niet met leven in hoererij, hebzucht, afgoderij, onderlinge wedijver of machtspelletjes.

Wat op het spel staat is niets minder dan de vrijheid van de christen en de gemeenschap van het Lichaam van Christus als een plaats van vrede, veiligheid en vrijheid.

Het is ondenkbaar dat je zou kunnen eten en drinken terwijl de anderen niets hebben. Dan onderscheiden we niet waar het over gaat in het eten van het Brood als gemeenschap met het Lichaam van Christus binnen het Lichaam van Christus, de gemeente aan de Tafel.

I Kor. 11:17-34, met name vers 29. We zien in I Kor. 10:16vv. en 11:17vv. hoe soma tou Christou zowel op Christus’ lichaam en bloed, als op Christus in de gestalte van zijn gemeente op aarde kan slaan, en hoe dicht die bij elkaar horen.

Het nieuwe van deze gemeenschap is voelbaar in heel het Nieuwe Testament, vooral in een aantal passages in de brieven van Paulus, waarin het gaat over de maaltijd, de eucharistia. Er zijn getuigenissen van heidense schrijvers bekend, die verwoorden hoe onvoorstelbaar nieuw deze christelijke gemeenschap in de toenmalige Grieks-Romeinse samenleving was. In een samenleving van strikte hiërarchie en xenofobie deelt een enorme diversiteit aan mensen brood en wijn binnen de christelijke gemeenschap. Deze mensen delen ook hun goederen, hun vreugde en verdriet, hun ‘lasten’.

Gal. 6:2.

Hun hoogste leefregel is de ander uitnemender te achten dan zichzelf. Hun intentie is niet te leven ten koste van de ander, diens huwelijk, geld, bezit, naam, eer, leefruimte, lichamelijke of geestelijke integriteit.

Aristides in zijn Apologia, tweede eeuw: ‘De christenen bewaren in hun hart de wetten van God en ze leven daarnaar in de hoop op het toekomstig leven. Daarom plegen zij geen overspel noch ontucht, ze leggen geen vals getuigenis af; ze leggen de hand niet op wat hen in bewaring is gegeven, ze verlangen niet naar wat hen niet toebehoort; ze eren vader en moeder, doen goed aan de naaste; en – als het rechters zijn – oordelen ze rechtvaardig. Ze aanbidden geen afgoden met mensen-vorm. Alles wat zij niet willen dat anderen hen doen, dat doen zij hen niet. Ze eten geen vlees dat aan de afgoden is geofferd want die zijn besmet. Hun dochters zijn zuiver en maagdelijk, en ontvluchten de prostitutie; de mannen onthouden zich van elke buitenechtelijke relatie en van alle onzuiverheid. En zo zijn ook hun vrouwen zuiver, in de hoop op de grote beloning in de andere wereld…’ Aristides, Apologia, http://www.earlychristianwritings.com/text/aristides-kay.html. Zie ook Brief aan Diognetus, tweede of derde eeuw, met de bekende typering van de christenen dat ‘(…) ze trouwen zoals iedereen, krijgen kinderen maar laten de pasgeborenen niet in de steek. Ze delen hun tafel, maar niet hun bed.’ Brief aan Diognetus, http://www.newadvent.org/fathers/0101.htm. Kennelijk viel dat op. We horen in beide fragmenten de echo van de paulinische paranese in Gal. 5:13vv en Fil. 2.

De botsing van deze gemeenschap met de toenmalige culturele context in een nieuwe moraliteit, direct gerelateerd aan Christus en de doop in Hem, was ook de missionaire kracht van de vroegchristelijke gemeente – en indirect dus van de prediking.

Vgl. voor de achtergronden van de groei van het vroege christendom, voor de tijd van Constantijn: Rodney Stark, The Rise of Christianity. San Francisco: Princeton University Press & Harper, 1996.

Sharing – gelovige participatie

De kerkdienst, en daarbinnen de preek, is gericht op die gemeenschap van ontvangen om te delen. Zij beoogt die gemeenschap te vormen en te voeden. Anders gezegd, de kerkdienst beoogt gelovige participatie. Zij is gericht op delen in de omvattende betekenis van het Engelse sharing, zoals die ook in het Nederlandse werkwoord delen meekomt.

The Free Dictionary geeft als betekenissen: to participate in, use, enjoy, or experience jointly or in turns; to hold or have jointly with another or others; to relate (a secret or experience, for example) to another or others.

Delen in het heil leidt tot samen delen, je samen verheugen in wat je in en van Christus als Heer en Verlosser hebt ontvangen. Dat leidt tot lofprijzing, dankzegging en belijden. Dat zijn dingen die je principieel samen doet. Het duidt ook op het delen van een geheimenis, dat je samen heeft gebracht en dat je samen viert. Dit delen is tegelijk ook uitdelen: geven en ontvangen van overvloed. Hier is opnieuw de eucharistie in beeld. De christelijke gemeente is ten principale een eucharistische gemeenschap.

Eucharistia is een sleutelwoord in de brieven in het Nieuwe Testament. Het verbindt de Maaltijd van de Heer met het concrete leven van de gemeente. Dankzegging stempelt alle doen en laten van de gelovigen. Het is de sleutel tot grote vrijheid in de omgang met het aardse leven, en de sleutel tot in vrijheid afzien van het gebruik van bepaalde vrijheden. Vgl. I Kor. 10:30 in de context van vers 23-33. Zie ook een centrale tekst over het gebruik van de gaven van het geschapen leven onder dankzegging en zo onder grote vrijheid: I Tim. 4:1-5.

Vgl. voor het theologische gesprek in de traditie tussen de brede hoofdstromen van de christelijke spiritualiteit over de relatie van schepping en sacrament: M. E. Brinkman, Schepping en sacrament, met name 153vv. Brinkman spreekt over de anglicaanse en oosters-orthodoxe incarnatie theologie als een ‘heilzame correctie op de te sterk in dichotomieën verzeild geraakte westerse, augustiniaanse rooms-katholieke en protestantse theologie, waardoor de sacramenten in een individualistisch soteriologisch kader opgesloten zijn geraakt en de schepping niet meer als een heilswerkelijkheid wordt beleefd.’

Theologisch gaat het bij delen in het heil over het werk van de Heilige Geest. Het is de Heilige Geest die het Woord, het verkondigde heil, toepast aan de harten van de gelovigen. Dat alles gebeurt in de kerkdienst, daarop is deze gericht. En het gebeurt op onverwachte plaatsen en momenten buiten de kerkdienst en ook buiten de grenzen van de zichtbare kerk. De Geest waait, scheppend en herscheppend. Binnen en buiten zijn relatieve begrippen als het gaat om de kerk. De grenzen van de kerk en de gemeente zijn fluïde.

Het kerkmodel dat daar niet mee rekent, maakt de kerk tot een sekte.

De leden van de gemeente delen gezamenlijk en ieder afzonderlijk in iets wat hen te boven gaat, iets wat en Iemand die op hen toekomt. Het is allereerst ontvangen en daarna geven. En het is grensdoorbrekend.

Dit ‘delen-in’ is actief: hoofd, hart en handen, verstand, gevoel en wil, alle zintuigen doen daarin mee. Het gaat in de liturgie om embodiment: fysieke en verbale gestalten gaan samen in een totale praxis van deelname.

‘The notion of embodiment refers to the bodily and corporeal configuration of human existence and culture’, en: ‘To participate in (Christian) liturgical ritual is to embody faith; it is fides quarens corporalitatem (faith in search of embodiment)’. Marcel Barnard e.a., Worship in the Network Culture, 215, 217.

In VI 2 vragen we theologisch door naar onze verantwoording van kerk-zijn en gemeentevorming binnen en buiten.

Sprakeloosheid – solidariteit – veerkracht

Eén aspect van delen verdient aparte aandacht. Delen betekent in deze tijd van secularisatie en van werken in een veelal krimpende kerk ook delen in de nood van sprakeloosheid. Wat hebben wij te zeggen in de werkelijkheid zoals die is? Hebben wij überhaupt een woord dat ertoe doet? Een woord dat niet alleen gehoord en begrepen wordt door hen die al gesocialiseerd zijn in al die woorden van geloof en kerk! En hoe is het met deze trouwe kerkgangers zelf: nemen zij zelf de woorden nog in de mond, of zijn zij ook sprakeloos?

Het besef van de gedeelde aanvechting vraagt om echte solidariteit in de gemeente. We hebben het dan over de aanvechting van de prediker zelf en over de aanvechting van de hoorder. Van beiden, want beiden hebben de spiritualiteit van de veerkracht nodig, de kracht om weerstand te bieden tegen de verleiding om het erbij te laten zitten. Het gebod van de apostel om ‘elkanders lasten te dragen’,

Vgl. Gal. 6:2.

krijgt hier gestalte in vertrouwen geven, vertrouwen vragen en vertrouwen ontvangen. Dat is kwetsbaar. De eigen geloofsaanvechting toevertrouwen aan de ander en die ander om voorbede vragen vraagt moed, maar is tegelijkertijd ook een bewijs van veerkracht. Onder VI.C zoeken wij naar vormen van oefening in een spiritualiteit van de veerkracht – om als prediker en gemeente nieuwe wegen te gaan en daarover te spreken, lichtvoetig en zonder de zwaarte van het tobben. Ook in een tijd van ontkerstening zijn wij brengers van goede boodschap. Juist hier, bij de vraag naar de veerkracht van de volharding, past de vraag wat de betekenis zou kunnen zijn van het ambt.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken