Menu

None

Vreugde der Wet

Israëlzondag 2023 – Preekschets – Psalm 119:1-16

Psalm 119 valt te karakteriseren als de psalm van de Vreugde der Wet. In deze bijdrage staan wij stil bij enkele structuren en achtergronden over de inhoud van deze psalm, vooral bij de eerste 16 verzen.

Hallel

Psalm 119 wordt ook wel het ‘Hallel op de Thora’ genoemd.[1] Onder het reguliere ‘Hallel’ wordt het geheel van de psalmen 113-118 verstaan. Deze halleluja-psalmen zingen God lof, die zijn volk Israël uit Egypte heeft bevrijd. De plaatsing van Psalm 119 direct na het Hallel is bewust gekozen. Na de uittocht uit Egypte volgde immers de wetgeving bij de berg Sinaï. Of omgekeerd gezegd: voorafgaand aan de wetgeving had de bevrijding plaats. Zo zijn ook de Tien Geboden (of de Tien Woorden) gestructureerd. Eerst klinkt daar de bevrijdende boodschap van Gods uitredding, waarna vervolgens de verdere ge- en verboden hun plek krijgen.

Het is belangrijk om dit van meet af aan te bedenken. De vreugde der Wet, waarvan de psalm doortrokken is, staat niet op zichzelf maar vindt zijn bron in de Bevrijder, God, de HEER. Hij gaat aan alles vooraf. Door uit zijn Thora te leven verbind je je met Hem, zo is de diepe overtuiging van vele rabbijnen, en kom (of blijf) je op het goede spoor dat zich beweegt in de vrijheid en vreugde die God schenkt.

De opbouw van Psalm 119

Psalm 119 is opgebouwd rond de 22 letters van het Hebreeuwse alfabet. Aan iedere letter zijn 8 verzen verbonden. Psalm 119 bestaat dus uit 176 verzen. De gedachte is: Gods Thora dient zijn beslag te krijgen in het leven van a tot z. Maar ook binnen het mens-zijn zelf dient dit het geval te zijn. Het is opvallend hoezeer al in de verzen 1-16 vele aspecten van het mens-zijn betrokken worden: het hart, de mond, de ogen, de gedachten en het doen. Tevens wordt de mens aangesproken vanaf zijn jeugd (vers 9). De oproep is om er van meet af aan ernst mee te maken, om Gods Thora te integreren in het eigen doen en laten. Er mag dus moeite gedaan worden om deze gedachte op de Israëlzondag naar de jeugd te vertolken.

De Wet van U

De eerste 3 verzen van Psalm 119 vormen een inleidend gedeelte waarin óver God wordt gesproken, in de 3e persoon. Vers 4 vormt een schakel waarin de HEER wordt tóégesproken, en zo gaat dat de rest van de psalm door. Vanaf vers 5 is Psalm 119 één lang en kostbaar gebed. Daarbij valt op dat in het Hebreeuws aan het einde van veel zinnen het bezittelijk voornaamwoord ‘uw’ wordt gebruikt. Daarmee valt voortdurend de nadruk op God als de bron van vreugde van de Thora, en alles wat daarmee te maken heeft. In onze Nederlandse vertalingen komt dat niet zo sterk naar voren. Daar lezen we bijvoorbeeld ‘uw wet’, en leggen we al snel de nadruk op ‘wét’. In het Hebreeuws valt er een accent op ‘uw’. Wij zouden daarom misschien beter kunnen zeggen: ‘de Wet van U!’ Telkens wanneer we het woordje ‘uw’ tegenkomen, mogen we in gedachten benadrukken dat het om God draait. De wegen, wetten en verordeningen van Hem (je Bevrijder) – díe geven je de echte vreugde!

Het doen gaat aan het leren vooraf

Doen

De verzen 1-16 betreffen de eerste twee letters van het Hebreeuwse alfabet: de alef (onze ‘a’; vers 1-8) en de beth (onze ‘b’; vers 9-16). In het jodendom is iets bijzonders gesignaleerd. Als je kijkt naar de kern van deze beide tekstgedeelten valt iets op. De verzen 1-8 (alef) zou je als volgt kunnen samenvatten: hier draait het om (de wens tot) het dóen van Gods Thora. Uitdrukkingen als ‘de volmaakte weg gaan’, ‘leven naar de wet van de HEER’ (vers 1), ‘zijn richtlijnen volgen’ (vers 2), ‘ons eraan houden’ en ‘houden aan uw wetten’ (vers 4,8), ‘uw geboden in acht nemen’ (vers 6) wijzen alle dezelfde richting uit.

Leren

Kijkend naar de verzen 9-16 (beth) valt een andere karakterisering te geven: hier draait het meer om het léren van Gods Thora. Naast een voortborduren op het doen van Gods geboden komt er iets bij. Er wordt gebeden: ‘onderwíjs mij in uw wetten’ (vers 12). En in vers 15 klinkt: ‘uw regels wil ik overdenken’. Ook klinken er zinnen waarin de dichter aangeeft Gods Thora ter harte te (willen) nemen (vers 10,11). Daarmee stuiten we dus op iets opvallends: het doen (de alef, de ‘a’) gaat aan het leren (of horen/ter harte nemen – de beth, de ‘b’) vooraf. Net zoals het volk Israël aan de voet van de berg Sinaï uitsprak: ‘Alles wat de HEER gezegd heeft, zullen we doen en ter harte nemen.’ (Exodus 24:7). Ook daar betreft het diezelfde volgorde, waarin het doen vóór het ter harte nemen uitgaat. Dat wordt in het jodendom wezenlijk geacht: ‘Deed is placed above personal conviction and understanding. Jewish doctrine indeed teaches that the Divine laws, not human reason and logic, constitute the absolute criterion of truth.’[2]

Bewaren door te doen

Het is exact die structuur die we ook in het evangelie terugvinden. Zo is bijvoorbeeld het bekende slotgedeelte van Matteüs 28 sterk gebaseerd op de in Psalm 119 gesignaleerde basisstructuren. Als Jezus uitspreekt ‘alle macht’ te bezitten, en dat de volken opgeroepen mogen worden om Israëls God te dienen, is dat qua structuur vergelijkbaar met de gedachte die in het Hallel (Psalmen 113-118) bezongen wordt: Israëls uitredding uit Egypte door diens overmachtige God die door het volk gediend mocht gaan worden. En als Jezus zegt: ‘en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat Ik jullie opgedragen heb’, klinkt ook daar de gedachte door dat het gaat om het dóén van de geboden (Psalm 119).

Gods geboden bewaar je door ze te doen. Zo worden ze ook het beste doorgegeven. Als weg om in dankbaarheid en vreugde verbonden te blijven met de HEER die als Verlosser erkend, geëerd en gediend mag worden. Ook waar we Hem niet altijd kunnen begrijpen – we mogen in trouw blijven gehoorzamen. Daar mag levenslang om gebeden blijven worden, evenals de lange Psalm 119 bijkans een gebed zonder eind is.

Bart Trouwborst is predikant van de Hervormde Gemeente Nieuwleusen.

Geraadpleegde literatuur

  • Amos Hakham, The Bible Psalms, with the Jerusalem Commentary, Vol. III. Mosad Harav Kook. Jerusalem, 2003.
  • Rabbi Elie Munk, The Call of the Torah, An anthology of interpretation and commentary on the Five Books of Moses. Shemos. Mesorah Publications Ltd. New York, 1994.

Voetnoten

[1] Hakham, p. 284.

[2] Munk, p.352, in zijn commentaar bij Ex. 24:7.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken