Waakt dan, want jullie weten dag noch uur
Bij Spreuken 9:1-18 en Matteüs 25:1-13
De gelijkenis van de vijf verstandige en de vijf domme meisjes staat op het rooster voor de zevende zondag van de herfst. Die valt dit jaar samen met de viering van Allerzielen: dat biedt ongedachte perspectieven, maar ook (morele?) valkuilen.
De gelijkenis maakt deel uit van een groter geheel, dat volgens de indeling van Wim Weren loopt van Matteüs 24,32 tot en met 25,30. Hierin gaat het over het komen van de Mensenzoon en de juiste houding die men ten opzichte van dat gebeuren moet aannemen. In 24,32-41 spreekt Jezus tot zijn leerlingen over de vraag wat wel en niet mogelijk te weten is over het einde. In 24,42-25,30 vinden we vervolgens vier gelijkenissen met als rode draad een oproep tot actieve waakzaamheid. In de eerste (24,42-44) wordt de komst van de Mensenzoon vergeleken met een huisheer, die geconfronteerd wordt met een nachtelijke dief. Hierin valt het accent op de onvoorspelbaarheid van het tijdstip van de komst. Dan volgen drie gelijkenissen over waakzaam en werkzaam blijven: de gelijkenis van de goede dienstknechten tegenover de luie knecht (24,45-51); de gelijkenis van de vijf verstandige en de vijf domme meisjes; en ten slotte de gelijkenis van de talenten, waarin twee toegewijde en vlijtige dienaren tegenover een laffe en luie knecht gesteld worden (25,14-30).
De meisjes, de stoet en het uitblijven van de bruidegom
De optocht van de bruiloftsgasten, waarmee de gelijkenis begint, was een vertrouwd gegeven voor de lezers uit de tijd van Matteüs. Wij westerlingen kennen die gewoonte niet (meer) zo, onze Marokkaanse medelanders houden hem hoorbaar in ere: wanneer je op zaterdag een stoet claxonnerende auto’s door de straten hoort rijden, weet je wel wat er aan de hand is… Rashi (op Kelim 2,8) zegt over dit gegeven: ‘In het land Israël is het de gewoonte dat men de bruid uit het huis van haar vader naar het huis van haar man brengt in de nacht voordat zij het bruidsvertrek binnengaat. Voor haar uit draagt men ongeveer tien stangen, met aan de punt een soort schaal van koper, waarin repen kleding liggen, benevens olie en boomhars. Dat steekt men aan en zo draagt men licht voor haar uit.’ Rabbi Jose (150 n.Chr.) trekt een vergelijking met JHWH die zijn volk vanaf de Sinai tegemoetkomt: ‘JHWH kwam van de Sinai (Deut. 33,2) om Israël te ontvangen, zoals een bruidegom die de bruid tegemoet gaat.’ De koperen schalen (elders: fakkels) rijmen met de olielampen van de tien meisjes (of ‘maagden’ – Gr.: parthenoi, d.w.z. ongetrouwde jonge vrouwen). Dat vijf van hen voorbereid zijn met extra olie is niet zo bijzonder; het verrassende is dat de andere vijf niet voorbereid zijn. Cruciaal daarbij is het gegeven van het uitblijven van de bruidegom. Zo’n zestig jaar na de opstanding geschreven, steekt het evangelie van Matteüs met deze en andere gelijkenissen de jonge gemeente een hart onder de riem, waar die moeite heeft met het uitblijven van de wederkomst. Ze wordt opgeroepen desniettemin in staat van paraatheid te blijven. Ook al valt dat haar zwaar en wordt ze daar wel eens moe(deloos) van.
Géén genade op een koopje
Calvijn duidt het in slaap vallen van de vijf dwaze meisjes nog weer anders, namelijk zo: dat zij model zouden staan voor de gelovigen die door de dingen van deze wereld ‘ingewikkeld’ worden en zich laten afleiden (‘afgetrokken worden’) van casu quo uit hun staat van verwachting. Het punt waarom het gaat in de gelijkenis is dat wie de Mensenzoon verwacht, tijdig zijn/ haar voorbereidingen moet treffen en niet pas wanneer daar niet meer de tijd en gelegenheid voor is. Dat is een waarschuwing die we meer aantreffen in dit gedeelte van het evangelie… In de parabel is het feitelijk nog goed mogelijk om de olievoorraad aan te vullen: er zijn verkopers in de buurt en de vijf verstandige meisjes wijzen daar dan ook op; ze zijn niet te beroerd om de andere meisjes van goede raad te voorzien. Wat de vijf anderen alleen weten te bedenken is een meeliften op de voorbereidingen van de verstandige meisjes: ‘Geef ons van jullie olie’ – ‘genade op een koopje’ als het ware. Zo werkt het dus niet in zaken van het Koninkrijk. De individuele eigen verantwoordelijkheid scoort in deze gelijkenis hoog en de daden van de ene groep zijn niet overdraagbaar op de anderen. Dat wordt pijnlijk duidelijk in de barse afwijzing aan het eind, waar de bruidegom zegt: ‘Ik ken u niet.’ Bijna zou je vertalen: Zó wil Ik jullie niet kennen…
Wijsheid begint met ontzag voor de HEER
Het gedeelte uit Spreuken (9,1-18) over de wijsheid en de dwaasheid is duidelijk als ‘rijm’ naast of misschien wel tegenover Matteüs 25,1-13 gezet. Eindigt namelijk de gelijkenis met het bitse ‘Ik ken u niet’, in het hart van Spreuken 9,1-18 staat vers 10: ‘Wijsheid begint met ontzag voor de HEER, inzicht is vertrouwdheid met de Heilige.’ Vertrouwd-zijn-met is, zo zeggen zowel Matteüs als Spreuken, de kern, zo niet de bron van actief en daadwerkelijk geloven. Niet een houding van angst-hebben-voor. Niet voor niets zegt het drempelgebed van Willem Barnard: ‘… dat ik kind aan huis mag zijn in uw geheimen en in uw heiligdom’.