Menu

Premium

Wakker worden en opstaan om verlost te worden

Bij Jesaja 52,1-6 en Marcus 6,6b-13

Wakker worden, opstaan en je aankleden vormen weliswaar een dagelijks ritueel, toch moet het volk hiertoe worden opgeroepen. Het gaat in de profetie ook niet om een alledaags ritueel, maar om de verlossing van het volk uit de ballingschapt. Niet minder opmerkelijk is het, dat degene die de oproep doet, zélf is opgeroepen om te ontwaken. In Jesaja 51,9 lezen we, hoe ‘de arm van de Heer’ wordt geroepen te ontwaken en zich te bekleden met kracht, als in de dagen van destijds. Blijkbaar is de Heer ontwaakt om te verlossen. Maar dat is niet het enige dat nodig is. Eerst zal het volk Israël datgene waartoe het de Heer oproept, ook zélf moeten gaan doen. Het zal zélf ook moeten ontwaken, opstaan en zich aankleden.

Je mag daar gerust aan toevoegen wat het volk had geroepen: ‘als in de dagen van destijds’ en dan denken aan de dagen van de uittocht. Op dat beslissende moment van zijn verlossing namelijk moest het volk klaarstaan om uit te trekken, maar niet nadat in elk huis het pesachmaal was gegeten: een lam en ongezuurde broden. Het was een maaltijd ter ere van de Heer. De Heer riep heel de gemeenschap, elk gezin daarvan op, het zó te eten: je lendenen omgord, de sandalen aan je voeten en je stok in je hand (Ex. 12,11). Het is alsof met het ontwaken, het omgorden, het onderbinden van sandalen, en met het nemen van de stok een mens in het holst van een doorwaakte nacht zóver is gekomen, dat die zijn toekomst zelf ter hand neemt. Zijn verlossing die hij van de Heer verwacht zet hij in werking door wat nodig is voor de uittocht zelf ter hand te nemen en de sandalen onder zijn voeten zelf aan te doen.

Schud je vrij van het stof

Wanneer een periode van rouw en verdriet eindelijk voorbij is, is dat een groot geluk voor een mens om mee te maken. Dit geluk wordt in Tenach verbonden met de verlossing van de gehele gemeenschap of een volk uit de ballingschap, slavernij of gevangenschap. In het boek Job lees je, hoe zijn ongeluk is verbonden met wat koningen een heel volk aandoen. Koningen slaan mensen namelijk in de boeien. Heersers kunnen een heel volk onderdrukken. De boeien waarmee zij mensen hebben gebonden, worden door de Heer echter opengemaakt. Hij doet hun een gordel om (Job 12,18). De psalmist helpt ons verder hoe we dit moeten verstaan: ‘U veranderde mijn rouwklacht voor mij in een reidans, – scheurde mijn treurkleed open, – met vreugde hebt Gij mij omgord!’ Welke psalm? Hieruit mag je opmaken dat de Heer de leiding heeft in de verlossing van heel de mensheid. Maar de profetie van Jesaja maakt duidelijk, hoe Hij in het bijzonder Jeruzalem een eigen rol geeft in de verlossing van de volken. De volken zullen aan Jeruzalem zien, hoe zij weer de heilige stad is van weleer door zichzelf los te maken uit de boeien van heersers en door zichzelf vrij te schudden van het stof waarmee ze was bedekt (Jes. 52,2). Het werkwoord ‘vrij schudden’ (van stof) moet verstaan worden in de reflexieve vorm die uitsluitend in dit vers te vinden is en door Rashi wordt uitgelegd als ‘een hevig schudden zoals iemand die een kledingstuk uitschudt’. Uiteraard denken we hierbij aan het rouwkleed dat iemand zelf aflegt. Jeruzalem zit niet langer in zak – een Nederlands woord, afkomstig van het Hebreeuwse saq, wat ‘rouwkleed’ betekent – en as, maar maakt het mogelijk ‘vreugde aan te doen’.

Het stof onder de voeten van de leerlingen

Als je niet jezelf vrijschudt van het stof waarin je hebt gezeten, niet je boeien losmaakt die je gebonden houden aan je plek, dan laat je achterwege wat nodig is voor jouw verlossing. Wat er dan gebeurt, gaan de leerlingen in het evangelie van Marcus duidelijk maken. Zij gaan omgord, met een stok in de hand, de sandalen ondergebonden, van huis tot huis, twee aan twee – opdat hun getuigenis waarachtig zij – verkondigen dat de uittocht ophanden is (Mar. 6,8). Zij roepen mensen op zich gereed te maken voor hun verlossing, door zich vrij te schudden van het stof waarin zij zitten. Als mensen niet willen horen van hun verlossing en wat daarvoor nodig is, geldt niet langer het getuigenis van de leerlingen dat pleit voor hun behoud, maar het getuigenis van het stof onder hun voeten (Mar. 6,11). Waarvan dit stof onder hun voeten getuigt, kunnen we lezen in de Talmoed, in de kolom over de profetie van Maleachi 3,21 (Rosh Hashanah 17a). Degenen die niet willen horen, zijn de hoogmoedigen. Ze hebben geen ontzag voor de Heer. Het gaat hun nu voor de wind. Maar op de dag die de Heer heeft voorbereid, zullen ze worden geoordeeld, verbrand en als stof door de wind verspreid worden. De voeten van de rechtvaardigen zullen op hen treden.

Wie overeind blijft in het oordeel

Getuigen (Gr.: martureoo) is een term uit de rechtsspraak. Een van de rechtszaken die worden gevoerd in de bijbel, is die waarin Job de gedaagde is (Job 16,8-22). Aanklager én getuige tegen Job is zijn magerte (16,8). Het stof waarin de gedaagde is neergebogen en het rouwkleed waarin hij is gebonden, pleiten niet voor hem (16,15). Zijn metgezellen bespotten hem (16,20). Zijn verdediger, degene die vóór Job kan getuigen, is in de hemel, in den hoge (16,19)! Wat nu? Waar het nu op aan komt, is dat iemand opstaat en bij God voor hem pleit zoals een mens voor zijn metgezel (16,20).

De leerlingen uit het Marcusevangelie zijn zulke getuigen. Zij pleiten, twee aan twee, bij God voor vrijlating, verlossing van een mens als hun vriend. Wie in zijn hoogmoed volhardt en niemand wil ontvangen die voor hem kan getuigen als zijn vriend, die ontbreekt het aan het nodige om zich op het beslissende moment uit het stof los te schudden en zich vrij te maken van wat hem gebonden houdt.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken