Want er is geen onderscheid
De betekenis van ‘The New Perspective’ voor de uitleg van Romeinen 3:27-31
Inleiding
Binnen de reformatorische traditie heeft de theologie van Paulus altijd een prominente plaats ingenomen. De belangstelling was er niet in het minst van de kant van de dogmatici. Hun interesse voor Paulus hangt nauw samen met zijn soteriologie, met name zoals hij die formuleerde in de brieven aan de Romeinen en de Galaten. De rechtvaardiging door het geloof zonder de werken der wet, zoals daar door Paulus geformuleerd, vormt ‘het hart van het evangelie’.[1] In de dogmatische bezinning op de verhouding tussen God en mens stonden daarom met name deze beide brieven centraal.
De ontdekking van Maarten Luther, dat een mens niet gerechtvaardigd wordt uit werken der wet, maar door het geloof alleen[2], is van cruciale betekenis geweest voor de latere reformatorische traditie. Een gevolg hiervan is, dat in deze traditie Paulus’ brieven met dogmatische interesse (en vaak ook met een dogmatische bril) bestudeerd werden. Met de historische context is niet altijd rekening gehouden.
De laatste decennia zijn er stemmen opgegaan die een pleidooi voeren voor een nieuw verstaan van Paulus. Het gaat daarbij met name om de interpretatie van diens rechtvaardigingsleer en in samenhang daarmee zijn visie op de wet. Onder de naam ‘the new perspective’[3][4] is een benaderingswijze ontstaan, die aangeeft meer recht te willen doen aan de historische context waarin Paulus werkte. Deze nieuwe benaderingswijze is niet zonder gevolgen gebleven. Er wordt zelfs gesproken van een Copernicaanse omwenteling.[5] ‘Pauline exegesis will never be the same again.’[6]
Deze ontwikkeling is m.i. niet los te zien van de spanning die er bestaat tussen exegeten enerzijds en dogmatici anderzijds.[7] De discussie tussen beiden is een spannende[8] en is ook niet eenvoudig op te lossen.
In dit artikel wil ik ingaan op de betekenis van deze nieuwe benaderingswijze voor het verstaan van Paulus. Ik zal dat toespitsen op de uitleg van het slot van Romeinen 3, een gedeelte dat in de discussie over het verstaan van Paulus een cruciale rol speelt. In deze verzen komt een aantal centrale thema’s naar voren, die in de discussie een belangrijke rol spelen, zoals geloof, rechtvaardiging, de gerechtigheid van God en de werken der wet.
Ik focus met name op de interpretatie van vs. 27-31: het verband tussen vs. 28 en 29, de innerlijke samenhang van deze pericoop en het verband met de voorgaande verzen (21-26).
De vraag die aan de orde komt, is in hoeverre het nieuwe perspectief ons helpt bij het verstaan van dit gedeelte en deze thematiek. Wordt op deze manier het slot van Romeinen 3 nu duidelijker? Vooraf geef ik eerst in vogelvlucht een overzicht van de nieuwe benadering van het nieuwe verstaan van Paulus.[9]
Naar een nieuwe benadering
Het is niet eenvoudig aan te geven wanneer de nieuwe benadering van Paulus precies begonnen is. De studie van Ed Sanders Paul and Palestinian Judaism uit 1977 geldt als baanbrekend op dit terrein. Toch waren er al heel wat voorlopers.
De eerste serieuze vragen worden gesteld met de opkomst van de historische kritiek in de 19e eeuw. Deze zorgde voor een andere kijk op de bijbel. Niet langer werd deze als een theologische eenheid gezien. Exegese en dogmatiek werden van elkaar los gekoppeld; er werd onderscheid gemaakt tussen systematische theologie en de interpretatiegeschiedenis.[10]
In dit verband is de naam van F.C. Baur een belangrijke. Hij was een van de eersten die vragen stelde bij de traditionele uitleg van de brieven van Paulus.[11]Baur ging uit van een fundamenteel verschil tussen heidenchristendom en joden-christendom, waarbij Paulus representant was van de eerste groep en Petrus model stond voor de tweede groep. De oorsprong van Paulus’ leer van de rechtvaardiging was volgens Baur te verklaren uit een conflict tussen beide groepen. Ook het verschil in visie op de wet en de werken der wet hing nauw samen met deze tegenstelling.
Aan het begin van de 20e eeuw verschenen verschillende studies die daarop in gingen.[12] Er komt meer oog voor de historische context waarin Paulus werkte. Toch komt hiermee nog geen omslag: de rechtvaardiging wordt nog steeds verstaan tegen de achtergrond van wet en genade, als tegengestelde polen. Het beeld van het Jodendom is nog steeds die van een wettische godsdienst.
Stendahl
De lutherse bisschop Krister Stendahl gooide in 1961 een steen in de vijver van het Paulusonderzoek. In een essay stelde hij dat de tot dan toe gangbare vooronderstelling, namelijk dat Paulus en Luther met hetzelfde probleem kampten, onjuist was.[13] In tegenstelling tot Luther worstelde Paulus helemaal niet met een zwaar schuldbesef. Luther werd gekweld door aanvechtingen met betrekking tot de vraag hoe hij rechtvaardig kon zijn voor God. Dit heeft doorgewerkt in de latere traditie, waar deze vraag beslissend is geworden voor de interpretatie van Paulus. Stendahl spreekt van ‘the Introspective Conscience of the West’. In Paulus’ leer van de rechtvaardiging uit het geloof vond Luther een antwoord op zijn persoonlijke gewetensnood. Daardoor werd de vraag: ‘Hoe vind ik een genadig God?’ voor hem uitgangspunt voor het verstaan van Paulus’ brieven. Maar daarmee gaf hij, aldus Stendahl, een beeld van de apostel dat niet overeenkwam met diens drijfveren. Want Paulus worstelde helemaal niet met de vraag hoe hij rechtvaardig was voor God. Integendeel, hij had een robuust geweten. Stendahl verwijst hiervoor naar wat Paulus over zichzelf schrijft in Filippenzen 3:6: “… naar de gerechtigheid van de wet [was ik] onberispelijk.”
We moeten Paulus veel meer verstaan vanuit zijn roeping. Als apostel wist Paulus zich door God geroepen het evangelie te verkondigen onder de heidenen. Hij leefde temidden van Joden en heidenen.[14] Daarmee is tegelijk ook een belangrijk thema in zijn theologie gegeven. De voor hem brandende vraag was of ook zij, de heidenen, konden delen in het heil van de God van Israël. En vooral: hoe dan? Hoe kunnen niet-joden erfgenaam worden van de beloften die God aan zijn volk Israël heeft gegeven? Zij vallen immers buiten het verbond dat God met Israël heeft gesloten. Moeten zij naar de joodse wetten gaan leven?
In zijn rechtvaardigingsleer geeft Paulus antwoord op deze vraag. Als Paulus spreekt over de rechtvaardiging, dan gaat het over de vraag hoe heidenen deel kunnen krijgen aan de beloften; anders gezegd: hoe zij rechtvaardig zijn voor God. Deze vraag werd door Paulus en zijn joodse tijdgenoten verschillende beantwoord. Moeten de heidenen, zich als joden gaan gedragen (en dus besneden worden, de sabbat onderhouden, etc.)? Dat was de opvatting die verschillende joodse tijdgenoten voorstonden. Paulus wees deze gedachte echter radicaal van de hand. Het heil is voor Joden en heidenen gelijkelijk beschikbaar, niet door de wet, maar door het geloof in Christus. Het gaat de apostel daarom niet om de vraag hoe de individuele mens gered wordt of op welke wijze de werken daarbij een tol spelen. Centraal staat de vraag hoe Joden en heidenen samen mogen delen in het heil van God.[15]
Sanders
Een echte doorbraak kwam toen E.P. Sanders zijn boek Paul and Palestinian Judaism publiceerde.[16] Na studie van rabbijnse bronnen uit de periode van 200 voor tot 200 na Christus was hij tot de conclusie gekomen dat tot dan toe met een verkeerd beeld van het jodendom was geleefd. Eeuwenlang had men het als een wettische religie beschouwd, waarin Joden probeerden door goede werken het heil van God te verdienen. Deze voorstelling is volgens Sanders een karikatuur. Ook het jodendom is een religie waarin Gods barmhartigheid en genade centraal staan. De wet heeft wel een plaats, aldus Sanders, maar dan niet om bij het volk van God te gaan behoren (‘getting in’), maar om er bij te blijven (‘staying in’). Eerst is er het verbond, pas daarna de wet. Sanders vat dit samen in het begrip ‘covenantal nomism’, dat hij als volgt omschrijft:
“1) God has chosen and 2) given the law. This law implies both 3) God’s promise to maintain the election and 4) the requirement to obey. 5) God rewards obedience and punishes transgression. 6) The law provides for means of atonement, and atonement results in 7) maintenance or re-establishment of the covenantal relationship. 8) All those who are maintained in the covenant by obedience, atonement and God’s mercy belong to the group which will be saved.”[17]
De redding van een mens is in het jodendom dus gegrond op Gods genade en niet op menselijke prestaties, aldus Sanders.
Na een uitvoerige reconstructie van het palestijnse jodendom beschrijft hij vervolgens de theologie van Paulus. In veel opzichten komt diens denken overeen met deze achtergrond. Overeenkomsten zijn er als het gaat om de visie op genade, de wet en werken. Toch is er ook verschil. Dat heeft geen betrekking op de antithese tussen genade en werken, zoals veel gedacht is, maar het betreft de structuur van de religie: Paulus’ theologie is niet te typeren als covenantal nomism, maar als participationist eschatology.[18]
Vanuit deze soteriologie komt Paulus tot een negatieve evaluatie van de joodse religie. Het is de interpretatie van de rechtvaardiging die het verschil maakt. Rechtvaardig zijn in joodse literatuur betekent: de wet gehoorzamen en overtredingen belijden. Voor Paulus is het echter: gered worden door Christus. Binnen het jodendom fungeert de rechtvaardigingsterminologie als een aanduiding van diegenen, die door wetsbetrachting, binnen het verbond blijven (‘staying in’), bij Paulus heeft het betrekking op een transformatie (‘getting in’). Door het geloof gaat men over naar de heerschappij van Christus.
Vanuit een exclusieve christologie kwam hij tot een andere soteriologie. Het verschil is dus niet dat het jodendom een wettische religie was en dat Paulus daartegenover Gods genade stelde. Het fundamentele verschil tussen Paulus en zijn Joodse tijdgenoten is gelegen in zijn christologie. ‘Since salvation is only by Christ, the following of any other part is wrong.’[19]
Kort samengevat: ‘In short, this is what Paul finds wrong in Judaism: it is not Christianity.’[20]Het zwaartepunt in Paulus’ denken vinden we volgens Sanders in twee basale overtuigingen: 1) Jezus is Heer, door Hem is er verlossing voor allen die geloven: Jood en heiden. 2) Hij, Paulus, was geroepen om een apostel voor de heidenen te zijn.[21] Veel meer dan om rechtvaardiging gaat het om participatie: het ‘in Christus’ zijn. Rechtvaardiging en ook verzoening zijn secundaire begrippen.
Dunn
De studie van Sanders heeft veel reactie opgeroepen. Behalve kritiek[22] was er ook instemming. De these van Sanders is vooral opgepakt en uitgewerkt door James Dunn. Hij was het ook die de nieuwe benadering een naam gaf.[23] Volgens Dunn is de monografie van Sanders een beslissende doorbraak als het gaat om de bestudering van Paulus. Het is alleen dit werk van Sanders dat in de laatste decennia een werkelijk nieuwe aanzet gegeven heeft binnen de Paulus-interpretatie.[24] Tegelijk was verder onderzoek nodig, want deze aanzet heeft volgens Dunn nog niet tot een bevredigende reconstructie van Paulus’ theologie geleid. Hij is meer onder de indruk van deel 1 (de reconstructie van het palestijnse jodendom) dan van deel 2, waar de theologie van Paulus uiteengezet wordt.[25] Hij vindt bij Sanders dan ook geen bevredigend antwoord op de vraag waar Paulus op reageerde.[26]
Dunn is van mening dat het, vanuit het nieuwe perspectief op Paulus’ Joodse achtergrond, mogelijk moet zijn een betere interpretatie van Paulus en zijn verhouding tot het jodendom te geven. Te snel gaat Sanders er volgens Dunn van uit dat Paulus’ theologie ook niet een vorm van covenantal nomism is.
In zijn antwoord op de vraag waar Paulus tegen ageerde in het Jodendom, wijst Dunn op de sociale functie die de wet heeft. De wet is aan Israël gegeven in het kader van het verbond dat God met hen gesloten heeft. De werken der wet (epya ton vópon) zijn ‘covenant works’[27], werken gedaan in gehoorzaamheid aan de wet van het verbond. Paulus dacht daarbij aan m.n. besnijdenis, voedselwetten en de sabbat: specifiek joodse wetten. Deze werken functioneerden als ‘identity markers’, ‘badges of covenant membership’: ze hoorden onlosmakelijk bij het volk van het verbond.[28]
Als Paulus zich tegen deze werken keert, heeft dat te maken met een in zijn ogen verkeerd joods zelfverstaan, namelijk als exclusief volk van God. Participatie in het verbond was in deze zienswijze ondenkbaar zonder het naleven van deze werken der wet. gerechtvaardigd te worden zouden dan de heidenen ook deze (joodse) wetten na moeten leven. De spits van Paulus’ polemiek inzake deze werken is daarom niet het verdienen van de zaligheid. De werken der wet zijn geen goede werken op zich, werken van self-achievement, maar covenant works, verbondswerken, die een antwoord zijn op Gods verkiezende genade.
“The conclusion follows very strongly that when Paul denied the possibility of ‘being justified by works of the law’ it is precisely this basic Jewish self-understanding which Paul is attacking – the idea that God’s acknowledgement of covenant status is bound up with, even dependent upon, observance of these particular regulations – the idea that God’s verdict of acquittal hangs to any extent on the individual’s having declared his membership of the covenant people by embracing these distinctively Jewish rites.”[29]
Ter onderstreping van zijn visie verwijst Dunn naar 4QMMT (het document Miqsat Ma’ase Ha-Torah uit ), waar hij dezelfde gedachte tegenkomt.[30]
Welke betekenis heeft dan het geloof in Christus? Met de komst van Christus is de tijd van het verbond tot vervulling gekomen. Het verbond is niet opgeheven, maar verbreed. Het wordt niet meer gekenmerkt door joodse ‘werken’. Dat betekent dat het nu ook openstaat voor niet-joden. Zij hoeven zich niet aan de specifiek joodse regels van het verbond te houden.
Paulus richt zich dus niet op een tegenstelling tussen geloof en werken in het algemeen; hij keert zich niet tegen welke vorm van activisme dan ook, maar tegen een exclusief nationalisme. Paulus keert zich ook niet tegen de wet op zich, maar tegen werken der wet (dat is de fout van Sanders, dat hij deze niet helder onderscheidt). Hij richt zich tegen het roemen van de Joden, die menen een speciale positie te hebben vanwege verbond en verkiezing; zij roemen op uiterlijke kenmerken.
Wright
Een andere stem in het debat is die van Tom Wright.[31] Hij beschrijft de weg die God met de mensheid gaat. God heeft een verbond gesloten met Israël, met de intentie de mensheid te redden van de zonde die met Adam in de wereld gekomen is. Het was Israëls roeping om tot zegen voor de volken te zijn. Maar ook Israël heeft gezondigd en daarmee een vloek op het verbond gelegd. Als straf daarvoor heeft God het volk in ballingschap gebracht. Ondanks de terugkeer, duurde deze in de eerste eeuw nog door (Wright spreekt van een ‘continuing exile’[32]), omdat de vrijheid en voorspoed, die de profeten voorzegd hadden, uitbleven. de mensheid te redden heeft God zijn Zoon gegeven. Hij kwam om de weg van Israël te gaan. Zoals Israël de mensheid representeerde, zo representeert Jezus Israël. In de opstanding van Christus kwam een einde aan de ballingschap en was het verbond vervuld.[33] Nu kunnen ook heidenen delen in het verbond. Dat God zijn Geest gegeven heeft, is het teken dat het verbond vernieuwd is en dat de zegeningen ervan nu voor iedereen, Jood èn heiden, beschikbaar zijn.
Daarin openbaart zich Gods gerechtigheid. Wright interpreteert de uitdrukking SiKatocuvp 0eou als een aanduiding van Gods trouw.[34] Rechtvaardiging is voor Wright allereerst dat God trouw blijft aan wat Hij beloofd heeft, trouw aan zijn verbond. Hij zal heel de schepping redden. Voor hen die vertrouwen hebben in dit evangelie is er rechtvaardiging.
[T]he doctrine of justification by faith is not what Paul means by ‘the gospel’. It is implied by the gospel; when the gospel is proclaimed, people come to faith and so are regarded by God as members of his people. But ‘the gospel’ is not an account of how people get saved. It is, as we saw in an earlier chapter, the proclamation of the lordship of Jesus Christ….Let us be quite clear. ‘The gospel’ is the announcement of Jesus’ lordship, which works with power to bring people into the family of Abraham, now redefined around Jesus Christ and characterized solely by faith in him. ‘Justification’ is the doctrine which insists that all those who have this faith belong as full members of this family, on this basis and no other.[35]
Tussenbalans
Hoewel het nieuwe perspectief niet eenduidig is, is er wel een aantal constanten te ontdekken. Allereerst de visie op het jodendom in Paulus’ dagen: de ‘New Perspective’ behelst een correctie op de gedachte dat er sprake is van een wettische religie. Niet langer is de gedachte overheersend dat men door middel van goede werken het heil wilde verdienen.[36]
De ontdekking van de betekenis van de context waarin Paulus werkte (als Jood onder de heidenen; een andere dus dan die van Luther) zorgde voor een nieuw verstaan van de rechtvaardiging. Paulus bedoelde daarmee niet primair antwoord te geven op de vraag hoe een mens antwoord vinden op zijn persoonlijke heilsonzekerheid, maar op de vraag op welke wijze de heidenen kunnen delen in het heil van Israels God. Tegelijk bekritiseerde hij daarmee een exclusieve nationalistische opvatting van het verbond, waarbij het verbond beperkt blijft tot Israël en de (werken der) wet functioneert als scheidslijn. Het gaat Paulus dus niet om de tegenstelling werken tegenover verdienste, maar Joden alleen tegenover Joden èn heidenen.
Wat heeft ‘The New Perspective’ ons nu gebracht? Hieronder wil ik aan de hand van het slot van Romeinen 3, een centraal gedeelte als het gaat om de rechtvaardiging en de ontwikkeling van Paulus’ argument, nagaan in hoeverre de nieuwe benadering bijdraagt aan een adequate uitleg van Paulus.
De brief aan de Romeinen[37]
Over de vraag waarom Paulus de brief aan de Romeinen schreef, is het laatste woord nog niet gezegd. Er is een breed spectrum aan visies.[38] Overeenstemming is er wel over het feit dat we te maken hebben met een brief.[39] Het is dus meer dan een samenvatting of compendium van zijn theologie.[40] Voor het verstaan ervan spelen de concrete omstandigheden een belangrijke rol. De moeilijkheid is echter dat de gemeente niet door Paulus zelf is gesticht, en er dus onduidelijkheid blijft over de vraag naar het waarom van de brief.
De meeste commentatoren gaan ervan uit dat het edict van Claudius van invloed is geweest op de samenstelling van de gemeente.[41][42] Volgens Suetonius, in zijn biografie van Claudius, werden de Joden uit de stad verbannen, ten gevolge van het oproer dat veroorzaakt was vanwege Chrestus.[43] Dat zou zijn gebeurd in het jaar 49 en hebben geduurd tot aan het overlijden van de keizer in 54. Hoewel het onwaarschijnlijk is dat alle Joden de stad hebben verlaten, heeft dit edict wel grote gevolgen gehad voor de nog jonge christelijke gemeente. De gevolgen daarvan moeten nog merkbaar geweest zijn als Paulus zijn brief schrijft aan deze gemeente, waarschijnlijk rond het jaar 57. Met de verdrijving van de Joden hebben ook joden-christenen de stad moeten verlaten. Ervan uitgaande dat de gemeente ontstaan is in de kringen van de synagoge, betekende dit dat de samenstelling van de gemeente sterk veranderde: niet langer waren de joden-christenen de bovenliggende partij. De meerderheid zal vanaf toen bestaan hebben uit heiden-christenen. Het is dan ook goed denkbaar dat er spanningen opgetreden zijn tussen beide groepen. Daarbij zullen de verhoudingen al moeilijk geweest zijn: welke plaats kende men toe aan de joodse wetten en tradities, zoals sabbat en besnijdenis? Golden deze voorschriften en gebruiken ook voor de heidenen?
Aan deze gemeente schrijft Paulus een brief, waarin de eenheid van Jood en heiden een belangrijk thema is.[44] Het evangelie dat hij brengt is het evangelie van Gods gerechtigheid, waarin zijn reddende kracht openbaar wordt, voor ieder die gelooft: Joden en Grieken (1:16-17).
Romeinen 3
In zijn betoog tot nu toe heeft Paulus diverse keren benadrukt dat zowel Joden als heidenen vanwege de zonde schuldig zijn voor God. Beiden zijn door Paulus aangesproken: de heidenen in 1:18-32; de Joden in hoofdstuk 2.[45] Beiden zijn niet te verontschuldigen (vgl. 2:1): zowel zij die onder de wet zijn (de Joden), als zij die zonder de wet zijn (de heidenen), 2:12. De heidenen kunnen zich niet beroepen op hun onwetendheid (1:20,32), de Joden kunnen zich niet beroepen op het feit dat zij de wet ontvangen hebben en besneden zijn (2:25-29).
In 3:9 vat hij dit samen, en voert de Schrift aan als bewijs hiervan (3:10-18). Er rest maar een conclusie: allen hebben gezondigd. Dabourne wijst erop dat allen (π#e$ς) hier verstaan moet worden als: alle gelovigen, zowel Joden als heidenen.[46] Jood en heiden worden hier dus op een lijn geplaatst.
Na deze conclusie Paulus zijn betoog vervolgen (3:21vv.). Met νυνὶ δέ begint een nieuw gedeelte.[47] Niet alleen wat de zonde betreft staan Joden en heidenen op een lijn voor God, ook wat Gods reddingsplan betreft is er geen verschil. Met de komst van Christus is Gods gerechtigheid beschikbaar voor Jood en heiden, en wel door het geloof. In 3:22 verwoordt de apostel dit expliciet: Gods gerechtigheid wordt openbaar door het geloof in (of van[48]) Jezus Christus en is er voor allen die geloven (dat wil zeggen: voor Jood èn heiden), want er is geen onderscheid. Dit laatste moet voor de rechtgeaarde Jood een schokkende opmerking zijn geweest.[49] Immers, waren zij niet voortdurend bezig zich te onderscheiden op allerlei manieren, om zich zuiver en rein te bewaren in de wereld?[50] Nu blijkt dat zij door God gelijkgesteld worden met de heidenen.
Dat er geen onderscheid is, maakt hij met andere woorden in het volgende vers duidelijk: allen (dat wil dus zeggen: Joden en heidenen) hebben gezondigd en (allen) worden door het geloof gerechtvaardigd. Zo worden ook in dit gedeelte Jood en heiden op één lijn geplaatst.
Daarmee sluit dit gedeelte aan bij wat Paulus al in 1:16-17 als motto van zijn brief had geformuleerd. Het evangelie is Gods reddende kracht voor een ieder die gelooft, eerst de Jood en ook de Griek.[51] Dat is het goede nieuws van Gods gerechtigheid, zoals dat in Jezus Christus geopenbaard is: het is voor Jood en heiden op dezelfde wijze beschikbaar.[52]
Romeinen 3:27-31
Er is vergaande overeenstemming dat Rom. 3:27-31 een uitwerking is van de stelling van Rom. 3:21-26.[53] Tegelijk is het niet altijd helder hoe beiden pericopen zich tot elkaar verhouden. Eveneens is de interne samenhang van 3:27-31 niet altijd duidelijk.[54] Volgens Wright hangt dit samen met de uitleg die in de Reformatorische traditie gegeven wordt.[55] De laatste verzen van Romeinen 3 zouden verwoorden hoe een mens christen wordt, dat de wet een stelsel van morele codes behelst, dat het roemen de houding omschrijft van mensen die zich laten voorstaan op het naleven van de wet, en zo door hun werken de zaligheid verdienen. Daartegenover zou Paulus het geloof centraal stellen, als contrast met de werken der wet. Werken hebben te maken met prestaties en verdiensten, geloof ziet daarvan af. Het zou, kortom, om een tijdloze verwoording van de kern van het christelijk geloof gaan. Paulus schrijft hier echter geen beknopte gereformeerde dogmatiek, maar gaat in op concrete omstandigheden die spelen en waar hij een antwoord op formuleert.
Waar gaat het om in 3:27-31? Paulus vat het voorgaande nog kort samen, en trekt de conclusies uit de voorgaande pericoop (3:21-26). Daarbij brengt hij twee aspecten samen, die vaak los van elkaar gezien worden: de rechtvaardiging is door het geloof, zonder de werken der wet (vs. 28) èn God is de God van zowel Joden als heidenen (vs. 29).[56]
De samenhang tussen beide verzen wordt niet altijd opgemerkt.[57] Dat hangt samen met de interpretatie van het ‘roemen’ en de functie van de wet. Op het eerste gezicht ligt het niet voor de hand om als eerste te vragen, nadat gezegd is dat een mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet: of is God alleen de God van de Joden? Uitgaande van de interpretatie van verdienstelijkheid was te verwachten dat Paulus zou vragen, wanneer hij de werken afwijst en in plaats daarvan het geloof benadrukt: of heeft u het aan uzelf te danken dat u gerechtvaardigd wordt? Is het uw eigen verdienste? Dat zou daarbij aansluiten. Paulus betoog kent echter een ander vervolg. Daaruit is op te maken dat hij aan iets anders denkt.
Waarom volgt vs. 29 op vs. 28? Blijkbaar is er een verband tussen de rechtvaardiging door het geloof en het feit dat God de God is van zowel Joden als heidenen. Anders gezegd: doordat Paulus de vraag of God alleen de God van de Joden is laat volgen op een centrale tekst over de rechtvaardiging, maakt hij duidelijk dat rechtvaardiging verband houdt met de verhouding tussen Jood en heiden. Het gaat dus om meer dan alleen de verhouding tussen God en mens. ‘Paul’s doctrine of justification has its origins in Paul’s reflections on the relation of Jews and Gentiles and not in the problem of how man is to be saved apart from moral effort.’[58]
Dit wordt onderstreept door het gegeven dat Paulus’ spreken over de rechtvaardiging bijna altijd in de context van de relatie Jood en heiden staat.[59]
Hetzelfde geldt voor Paulus spreken over de wet.[60] Daarom Paulus beide aspecten, de rechtvaardiging uit het geloof en de eenheid van Jood en heiden, moeiteloos met elkaar verbinden. Zij zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Zo merkt Wright terecht op: ‘“Justification,” in its Pauline contexts, regularly includes both aspects: the rescue of sinners from their sin, and the creation of the worldwide family of forgiven sinners.’[61]
Het gaat in de rechtvaardiging dan ook niet alleen om de vraag: hoe wordt een mens gered, maar tegelijk ook om de vraag: hoe passen de heidenenin Gods heilsplan?
Kortom: Dit zijn niet twee verschillende aspecten, maar thema’s die elkaars betekenis wederzijds bepalen en die beiden gebaseerd zijn op de stelling ‘want er is geen onderscheid’. Omdat God de God is van zowel Joden als heidenen, Paulus zeggen dat een mens[62] door het geloof gerechtvaardigd wordt. En omdat een mens door geloof gerechtvaardigd wordt, kunnen zowel Joden als heidenen rechtvaardig worden voor God, en God dus God van zowel Joden als heidenen genoemd worden.[63]
Op twee vragen hebben we nu nog geen antwoord.
a) Waarom zegt Paulus dan dat een mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der wet? Zo verwoordt de apostel het in 3:20: uit de werken der wet zal geen mens (σάρξ) gerechtvaardigd worden. En ook in 3:28 komt deze uitdrukking voor.
b) Een andere kwestie, die daar wel mee in verband staat, is die van het roemen (καύχησις). Waar wijst dat op en waarom wordt deze weg door Paulus afgewezen?
Werken der wet
Voor een antwoord op deze vragen nemen we onze insteek bij wat Paulus hiervoor betoogd heeft: Joden staan voor God op dezelfde lijn als heidenen. Dit geldt zowel de zonde als de rechtvaardiging. nu dat laatste te benadrukken – Joden en heidenen worden op dezelfde manier rechtvaardig voor God – zegt Paulus niet alleen dat de rechtvaardiging door het geloof is, maar ook dat zij niet door de werken der wet is. Deze laatste toevoeging staat dus in de context van de gelijkheid van Joden en heidenen voor God. Wanneer de rechtvaardiging wel door de werken der wet zou zijn, zou er dus een verschil zijn in de manier waarop God Joden en heidenen rechtvaardigt. Ook zou gezegd kunnen worden dat God alleen de God van de Joden is, want alleen aan hen heeft Hij de wet gegeven (vgl. 2:25). Nu het echter door het geloof is, is er voor Joden en heidenen geen verschil. De ene God heeft geen twee heilswegen.[64]
Met de werken der wet bedoelt Paulus hier dus die aspecten van het Joodse geloof, die kenmerkend zijn voor het Jodendom, en die dus Joden en heidenen van elkaar onderscheiden.[65] Het meest kenmerkende is wel dat God met het Joodse volk een verbond had gesloten en hen – om binnen de grenzen van het verbond te blijven – de wet had gegeven. Al in 2:17vv. heeft Paulus duidelijk gemaakt dat de wet de Joden niet baat (en dat ze er zich ook niet op kunnen laten voorstaan), zolang ze niet naar die wet leven.
Bovendien zou Gods onpartijdigheid (2:11) in gevaar komen, wanneer de Joden toch door de werken der wet gerechtvaardigd zouden worden. Besnedenen (Joden) en onbesnedenen (heidenen) worden door de ene God gerechtvaardigd door het geloof (vs. 30). Daarin openbaart zich Gods gerechtigheid.[66]
Met zijn stelling ‘een mens wordt door het geloof gerechtvaardigd, zonder werken der wet’ (3:28) bestrijdt Paulus dus de opvatting dat de heidenen de joodse wetten moeten gaan naleven, of zelfs eerst Jood moeten worden om ook tot het volk van God gerekend te kunnen worden. De tegenstelling waar het hier om gaat is bijgevolg niet: prestaties en verdiensten versus genade, maar: ‘God is de God van Joden alleen’ versus ‘God is de God van zowel Joden als heidenen’. Daarmee is het verband tussen vs. 28 en 29 gegeven.
Roemen
Op deze manier wordt ook de betekenis van een ander begrip dat in deze verzen voorkomt duidelijk: καύχησις. Dit roemen staat in nauw verband met de (werken der) wet. In vs. 27 stelt Paulus dat roemen is uitgesloten. Vaak is dat opgevat in de zin van: als het gaat om de vraag hoe een mens rechtvaardig wordt voor God, hij zich niet beroepen op alles wat hij zelf gepresteerd heeft.[67] Op deze manier wordt roemen echter losgemaakt van de context waarin Paulus erover spreekt, namelijk de vraag hoe heidenen kunnen delen in het heil van Israëls God, en hoe zij zich verhouden tot het Joodse volk, het volk van het verbond. Paulus spreekt hier over roemen in het kader van de (werken der) wet. Al eerder, in 2:17 en 2:23, was het roemen ter sprake gekomen, en ook daar had Paulus het in verband gebracht met de wet. Hij sprak daar de Joden aan op hun roemen. Als Paulus het roemen afwijst, bestrijdt hij daarmee een verkeerde vorm van zelfverstaan van de Joden, namelijk als exclusief volk van God, omdat alleen aan hen de wet gegeven is.[68] Roemen in werken der wet is daarom verkeerd, omdat daarmee de heidenen buitengesloten worden. Uiteindelijk raakt dat ook aan God zelf. Hij wordt dan een partijdig God, die sommigen voortrekt boven anderen.[69] die reden is de eerste gevolgtrekking die Paulus maakt na zijn uiteenzetting van de rechtvaardiging (21-26, herhaald in 28) het uitsluiten van Joods ethnocentrisme (29-30).[70]
Dit houdt ook in dat door de komst van Christus de relatie tussen Jood en heiden veranderd is.[71] De ‘heilsgeschichtliche Begrenzung’ wordt opgeheven.[72] Niet langer is het Joodse volk exclusief volk van God: ook de heidenen kunnen toetreden, zonder voorwaarden vooraf. Wie gelooft – Jood of heiden, is een kind van Abraham (Rom. 4). Met de woorden van Willem Barnard: Allen die geloven, zijn Abrahams geslacht.[73] William Campbell merkt terecht op: ‘The only distinctions that are now valid are those which God, the judge of all earth, makes on the basis of the Gospel. The unbelieving Jew in the old aeon is now no better than the unbelieving Gentile.’[74]
Abraham
Het is geen willekeurige keuze van Paulus geweest om in hoofdstuk 4 Abraham als bewijs op te voeren. Abraham is niet inwisselbaar voor andere groten uit geschiedenis, zoals Mozes of David. Nu Paulus, zelf een Jood, heeft beweerd dat er geen onderscheid meer is tussen Jood en heiden – een verregaande uitspraak -, zet hij alle zeilen bij om duidelijk te maken dat deze uitspraak in overeenstemming met de Schriften is.[75] Hij doet dit aan de hand van Abraham, de vader van het Joodse volk, die tegelijk ook de vader van veel volken is (Genesis 17:5) en daarom de vader van alle gelovigen genoemd kan worden (vgl. 4:11 en 12).
Romeinen 4 cirkelt om het Schriftcitaat uit Genesis 15:6. Dit vers bevat alle woorden die in dit gedeelte een belangrijke rol spelen: God, Abraham, geloven, gerechtigheid en toerekenen. Dat Abraham hier opgevoerd wordt, heeft niet alleen te maken met het aanzien dat Abraham genoot, maar vooral ook met het gegeven dat Paulus in Genesis 15:6 een verbinding van geloof en gerechtigheid tegenkwam, die verder in het Oude Testament nergens zo direct genoemd wordt.[76] Het gaat hier dus om een bevestiging van wat hij eerder (in 3:21-31) naar voren gebracht heeft.
Als rode draad door Romeinen 4 loopt de vraag: voor wie is de belofte? Michael Bird formuleert het als volgt: ‘The question that permeates Romans 4 is “who are the people of God and on what condition shall they be justified?”’[77]
Paulus’ antwoord in Romeinen 4 is: allen die geloven worden gerechtvaardigd. Abraham werd immers door het geloof gerechtvaardigd, en niet door werken (vs. 2-8). Deze geloofsgerechtigheid is universeel, zo blijkt uit de geschiedenis van Abraham. Immers, a) besnijdenis (9-12) en b) wet (13-17) kunnen niet gelden als voorwaarden. Abraham was namelijk nog niet besneden, toen hij God geloofde op zijn woord. Daarom kunnen ook de onbesnedenen gerechtvaardigd worden (vgl. 3:30). Hetzelfde geldt voor de wet, beter gezegd: ‘hen die uit de wet zijn’ (vs. 16). Daarmee bedoelt Paulus niet degenen die de wet naleven om zo de gerechtigheid te verwerven, maar hij gebruikt deze uitdrukking als aanduiding van het Joodse volk.[78] (Daar wijst ook de combinatie met de besnijdenis op). Als argument geeft hij namelijk aan: opdat de belofte zou gelden voor heel het nageslacht. Anders Abraham ook niet de vader van ons allen zijn en dus vader van veel volken. Wanneer de gerechtigheid uit de wet was, was dat laatste niet mogelijk. Dan zou de wet de belofte buiten werking stellen (14), de belofte namelijk dat Abraham een vader van veel volken zou worden. Dan zou de belofte beperkt blijven tot het volk Israël. De belofte gaat echter voor de wet uit en geldt daarom besnedenen en onbesnedenen (vgl. 3:30).
Tot slot gaat Paulus in op de inhoud van Abrahams geloof (17-22), waarna hij afsluit met de opmerking dat wat voor Abraham gold, ook geldt voor allen die geloven.
De vraag die Paulus in Romeinen 4 behandelt is dus niet: Hoe ben ik als individu rechtvaardig voor God?, maar: Wie zijn er rechtvaardig voor God?, waarbij hij zelf het antwoord geeft: allen die geloven. Waarbij de nadruk zowel valt op allen die geloven als ook op allen die geloven. Dit impliceert inderdaad dat aanvaarding door God niet verkregen wordt door menselijke prestaties, maar daar ligt niet de spits van Paulus’ betoog. Dat is dat God met Joden en heidenen op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden handelt.[79]
Daarmee blijkt de behandeling van Abraham in Romeinen 4 een onderstreping te zijn van wat al in 3:21-31 betoogd was.
Balans
‘The New Perspective’ bijdragen aan een beter verstaan van Paulus en zijn brieven? In ieder geval het bewaren voor een eenzijdige interpretatie, waarbij de brieven van Paulus bestudeerd worden vanuit een dogmatisch raamwerk, met als gevolg een a-historische lezing. Daarop heeft ‘The New Perspective’ m.i. een terechte correctie aangebracht. Er is meer oog gekomen voor de historische context. Het gevaar van de reformatorische lezing is dat men brieven als tijdloze dogmatische documenten leest, in plaats van brieven die gericht zijn aan concrete personen en ingaan op concrete vragen en situaties. Zo stelt Bird dat de eenheid van joden en heidenen in de gemeente van Christus grotendeels genegeerd is in de (post)Reformatorische traditie, doordat men te zeer gepreoccupeerd was door dogmatische vraagstukken en de ordo salutis.[80]
Betekent dit dan dat Luther zich vergist heeft? Ik veronderstel dat Paulus zelf daar een pp y évovto over zou uitspreken. Aanhangers van ‘The New Perspective’ wijzen er ook op dat hun visie geen afwijzing van de Reformatie en de betekenis ervan voor de christelijke gemeente behelst.[81] Het gaat er alleen om aan te geven dat beiden in verschillende tijden leefden, en zich geconfronteerd zagen met verschillende uitdagingen. De vragen van zowel Paulus als Luther hebben alles te maken met de tijd waarin zij leefden. Dat de middeleeuwse kerk in de dagen van Luther nogal verschilde van het jodendom in Paulus’ tijd is evident. Waar Paulus zich geconfronteerd zag met judaïserende tendensen, streed Luther tegen een verworden traditie waarin het heil handelswaar geworden was. Daarom kunnen we Luthers uitleg niet los zien van de tijd waarin hij leefde; evenmin kunnen we zijn interpretatie rechtstreeks overnemen in de 21e eeuw. Theologie is altijd contextueel. Er is een nauwe samenhang tussen de historische situatie en theologie.
Er is terecht gewezen op de verschillen tussen Paulus en Luther.[82] Maar daarmee is niet gezegd dat de antwoorden die Luther vond op zijn vragen niet de moeite waard of zelfs onjuist zijn. Naar mijn overtuiging is en blijft de visie op de verhouding tussen God en mens zoals Luther die heeft ontdekt en verwoord van wezenlijk belang. Het besef dat ons leven zich coram Deo afspeelt is van blijvende betekenis. Evenals Paulus interpreteerde hij de Schriften met het oog op zijn eigen situatie: beiden lazen de oude teksten nieuw en vonden er antwoorden op vragen waarmee zij zich geconfronteerd zagen. Daarom valt er voor ons ook nu nog veel van Luther te leren. Maar daarmee is niet gezegd dat hij altijd een juiste exegese van Paulus heeft gegeven.
Uit Romeinen 3 valt op te maken dat in de rechtvaardigingsleer de eenheid van de gemeente een belangrijke rol speelt. In het kruis en de opstanding van Christus heeft God alle grenzen die er waren doorbroken, en er dus maar één gemeente zijn.[83] Het gaat Paulus om de eenheid van de kerk, bestaande uit Joden en heidenen.
daaruit te concluderen dat de problematiek waar Paulus mee worstelt sociologisch van aard is[84], lijkt mij echter te kort door de bocht. Het probleem in 3:9 gesteld (en in 3:23 herhaald), los je niet met sociologie op. De verlossing in Christus (3:24-26) heeft niet alleen betrekking op de onderlinge verhoudingen, maar ook met de verhouding tot God. Bird formuleert daarom evenwichter, wanneer hij stelt: ‘I am in essential agreement with the New Perspective in identifying a horizontal dimension to justification. Where I disagree is with those who make justification almost exclusively an ecclesiological designation for who is “in”.’[85]
Het gaat Paulus om de samenhang tussen beiden: in de rechtvaardiging zijn de horizontale en verticale component onlosmakelijk verbonden. Dat betekent dat het in de rechtvaardiging inderdaad óók gaat om sociologie, naast soteriologie. Dat lijkt mij het gelijk van ‘The New Perspective’. Eenheid met Christus betekent ook altijd eenheid met hen die eveneens in Christus zijn: ecclesiologie en soteriologie kunnen daarom niet van elkaar losgemaakt worden.[86]
Het gaat niet om de verhouding tussen God en mens in het algemeen, maar om de driehoeksverhouding tussen God, joden en heidenen.[87]
Uit wat hij schrijft, is af te dat Paulus zich in zijn brieven nauwelijks bezig houdt met “getting in”. Hij schrijft aan gemeenten die ontstaan zijn, en die aanwijzing en correctie nodig hebben. Hij is daarom veel meer bezig met “going on”: hoe ziet het leven van de christelijke gemeente eruit nadat God in kruis en opstanding van Jezus Christus heeft laten zien dat Hij Heer is? En hoe doe je dat temidden van de omringende cultuur?
Dat deze problematiek bemoeilijkt wordt doordat de gemeente (in ieder geval in ) is samengesteld uit joden en heidenen is evident. Hoe kunnen zij samen delen in het heil dat God in Jezus Christus geopenbaard heeft? Om die reden zou – na alle theologische onderbouwing die Paulus gegeven heeft, niet alleen in de eerste hoofdstukken, maar ook in Romeinen 9-11 – de climax van de brief wel eens kunnen liggen bij Romeinen 14:1-15:13, en dan met name 15:7-13:[88] ‘Daarom: Aanvaard elkaar, zoals ook Christus ons aanvaard heeft.’[89]