Wat betekent vasten nu voor ons?
Aswoensdag (Jesaja 58,1-10, Psalm 57, 2 Korintiërs 5,20–6,10 en Matteüs 6,1-6.16-21)
Aswoensdag: we gedenken dat we stof zijn en gaan weken in van bezinning en van beperkingen op ons consumeergedrag. Maar ten gunste van wie? Zeker, er zijn allerlei ‘vastenacties’, meestal voor mensen ver weg. Maar wat prevaleert wanneer je daaraan meedoet: echte betrokkenheid bij de mensen voor wie je doneert, of een goed gevoel over jezelf? De lezingen van vandaag confronteren ons met de vraag wat mijn en ons vasten inhoudt, en zegt daarbij wat het zou moeten zijn.
‘Roep luidkeels’ (Jes. 58,1). Zó begint de dringende oproep van de Eeuwige aan de profeet, die wij aanduiden met Trito-Jesaja. Deze profeet trad op na de terugkeer van de ballingen uit Babylon. Tijdens de ballingschap is veel van wat het volk steeds was voorgehouden verloren gegaan, zoals de echte betekenis van het Hebreeuwse begrip misjpath: ‘recht doen aan de medemens en aan de Eeuwige’. De ballingen die zijn teruggekeerd zoeken de Eeuwige vooral in een uiterlijke beleving van hun geloof. En dan klagen ze dat ze geen gehoor vinden. Die klacht wordt met scherpe ironie met de grond gelijk gemaakt en de profeet krijgt de opdracht zijn volk opnieuw te wijzen op waar het werkelijk om moet gaan (58,6-7). Het gaat om zoveel meer dan een wijntje of koekje laten staan of ander uiterlijk vertoon.
Dat is misschien goed voor het eigen ego, maar het gaat om de a(A)nder. Als het volk zich op die a(Ander) richt, zal de relatie met de Eeuwige zich ontvouwen en hoeft het volk niet meer te klagen over het ontbreken van die relatie. In prachtige bewoordingen geeft de profeet dat weer (58,8-9). Vers 10 vat de kern van de boodschap samen met de omkering van ‘duisternis’ naar ‘licht’. Psalm 57 sluit hier nauw bij aan: deze psalm zou zo uit de mond van de profeet kunnen komen. Het is alsof de profeet in de woorden van de psalm zijn vertrouwen in de Eeuwige uitspreekt bij de uitvoering van zijn moeilijke en riskante opdracht het volk op te roepen tot een echte vasten. Zijn volksgenoten zullen zijn als ‘verscheurende dieren’.
Als je maar wilt
De evangelielezing is een voortzetting van de Bergrede, die in Matteüs 5,1 begon. ‘Gerechtigheid’ is het sleutelwoord. In de joodse traditie heeft gerechtigheid als onderdeel van het verbond met de Eeuwige drie aspecten. Het eerste is ontferming (Gr.: eleèmosunè), bijvoorbeeld door aalmoezen, gebed en vasten. Karen Armstrong noemt een tweede aspect, als zij ontferming omschrijft als ‘compassie’ of ‘meeleven’. De joodse wijsgeer Emmanuel Levinas benoemt een derde aspect: het ‘dienen’, waartoe het gelaat van de a(A)nder mij oproept.
Jezus waarschuwt nu voor valse gerechtigheid en de gevolgen daarvan. Hij geeft voorbeelden hoe het wel en hoe het niet zou moeten. Bij het publiekelijk doneren aan een noodlijdende gemeenschap kan het gevoel overheersen van ‘kijk eens hoe goed ik ben’. Dan ben je voor Jezus een ‘toneelspeler’ (Gr.: hupokritès), iemand die niet zijn ware gezicht laat zien, maar het applaus van mensen zoekt. Zo kan gebed ook een vertoning zijn voor het oog van de mensen. Maar, zegt Jezus, als je bidt, doe dat dan in beslotenheid, diep in je binnenste. Dan komt het goed, de Eeuwige weet immers wat je nodig hebt (vgl. Jes. 65,24). Vasten was een gewone joodse praktijk. Farizeeën vastten twee dagen per week om de gave van de Tora te gedenken. Maar vaak deden zij dat op een uiterlijke manier waar niemand omheen kon en die de armen niet meer ademruimte gaf.
Het gaat erom te doén (vgl. Jes. 58,1-11; Tobit 4,8-9; 12,8-8). Het doen van gerechtigheid getuigt van een echte relatie tussen jou en de Eeuwige, een relatie die is onvergankelijk is (vgl. Jes. 51,7-8). Het is je ‘schat in de hemel’, waar ook je hart is, omdat het gericht is op de Eeuwige door het volgen van de richtlijn die werd gegeven, de Tora.
Achter je voordeur?
Zo verschijnt gerechtigheid voor ons als mededogen, vasten en bidden. Wat betekent dat voor ons vandaag in onze westerse samenleving? Er is zo veel leed, dat je het liefst maar terugkruipt achter je voordeur en de krant opzegt. Niet doen, zegt Jezus ons. ‘Wat je aan de minste gedaan hebt, heb je aan Mij gedaan.’ Het hoeft niet groot, maar het moet wel met oprechte betrokkenheid! En ons vasten? Zou dat niet een permanente houding kunnen zijn van soberheid? Niet alleen op het gebied van eten en drinken, maar op het hele palet van consumeren: reisgedrag, gebruik van de natuur en van producten waarvoor mensen en de aarde worden misbruikt. Ons bidden kan daarbij een toewending zijn naar de Eeuwige in het vertrouwen dat we er niet alleen voor staan. In de beslotenheid van ons hart, maar ook samen in bijeenkomsten, leren we dat gerechtigheid dóén een opdracht is voor ieder van ons afzonderlijk, maar dat we er niet alleen voor staan.
Dat onze omgeving ons dat niet altijd in dank zal afnemen, laat Paulus weten in 1 Korintiërs. Paulus wil verzoenen in een conflict dat was gerezen, doordat Joodse christenen van elders het gezag van Paulus hadden overgenomen. Paulus doet nu zijn best om zijn gezag weer te herstellen. Daarbij beroept hij zich vooral op Jezus’ voorbeeld. Door af te zien van alle bezit heeft Jezus ons een voorbeeld gegeven om na te leven. Maar dat roept weerstand op, juist bij degenen die macht willen uitoefenen of die willen profiteren van grote omzetten. En dan is het een kwestie van volhouden met ‘de wapens van gerechtigheid’: met mededogen, vasten en bidden (2 Kor. 6,7) zonder daarbij te provocerend te zijn (6,3).
Deze exegese is opgesteld door José Vos.