Bij Jeremia 8,4-6.11 en 9,2-4.8-9.22-23, Efeziërs 4,22-32 en Matteüs 9,1-8Dat een mens bij tijd en wijle struikelt en valt, daar wordt in de Bijbel niet zo’n punt van gemaakt. Dat hoort bij zijn mens-zijn. De mens is in zijn algemeenheid zwak en afhankelijk, beperkt in zijn mogelijkheden om dingen te verwezenlijken. En om zijn doel te bereiken moet hij geholpen worden. Die hulp komt van de Heer die hem gedenkt, zoals geschreven staat: ‘Wat is de mens dat Gij hem gedenkt, of des mensen zoon dat Gij naar hem omziet?’ (Hebreeën. 2,6).Hoe de Heer de mens te hulp komt die
Het volledige Premium-artikel lezen?
Dit artikel is voor Premium-leden.
Log in en lees onbeperkt alles op Theologie.nl. Nog geen lid?
Krijg toegang tot ruim 11.500 artikelen, waaronder verdiepende vakinhoud, preekschetsen, exegeses, kindermomenten en preekvoorbeelden.
Bekijk Premium >
InloggenLid worden