Menu

Premium

Water des doods en water ten leven

Bij Exodus 17,1-7, 1 Korintiërs 10,1-13 en Johannes 4,5-26(42)

Is de Eeuwige in ons midden of niet? In de eerste lezing wordt die vraag gesteld in verband met het voorhanden zijn van water. In de evangelielezing impliciet als vraag naar de plaats waar de Eeuwige, Bron van alle leven, wordt aanbeden. Water als levensbehoefte. Maar er is water en water.

Verlost uit Egypte trekt Israël door de woestijn. Als de honger toeslaat, hoort de Eeuwige het klagen van het volk en stilt de honger met kwartels en manna. Het volk vertrouwt dan eensgezind op de Eeuwige, maar op een nieuwe pleisterplaats die veelbelovend Refidim (Hebr.: rafad = verkwikken) heet, blijkt die geen verkwikking te bieden. Paniek slaat toe, want er is geen water. In doodsangst wordt Mozes uitgedaagd en bedreigd, en met hem de Eeuwige. Dan is er geen eensgezindheid meer, maar wordt het ieder voor zich.

Verkwikkend water?

Ondanks de opstelling van het volk toont de Eeuwige zich opnieuw als ‘God van levenden’, die dorst lest, maar wel buiten Refidim. Dat is een plaats met een bijsmaak geworden. Bij de berg Horeb (Hebr.: choreeb), ‘berg van de Eeuwige’ (Ex. 3,1), zijn de oudsten er getuige van hoe Mozes met zijn staf water slaat uit droge rots (Hebr.: charab = uitgedroogd zijn). Alleen verkwikkend water? De staf van Mozes, als verlengde van Gods hand, heeft bij de doortocht door de Rietzee al getoond dat water ook dodelijk kan zijn (Ex. 14,16). Het Hebreeuwse chèrèb betekent ook ‘zwaard’. Het gebrek aan vertrouwen krijgt een bitter vervolg in een gevecht op leven en dood met Amalek, een vijand van buitenaf, misschien wel aangetrokken door water. Wat een plaats van verkwikking zou zijn geweest als het volk was blijven vertrouwen op de Eeuwige, verwordt tot plaats van ‘beproeving’ (= Massa) en van ‘strijd’ (= Meriba), waar Paulus eeuwen later aan herinnert (1 Kor. 10,1-5).

Een bron met levend water

Vanwege een dreigende controverse met farizeeën in Judea over dooppraktijken vertrekt Jezus naar Galilea, door Samaria. Meestal meden Judeeërs Samaria vanwege onderlinge vijandigheid, die al dateerde van na de ballingschap. Maar om dat waarvan Johannes wil getuigen, ‘moest’ (Gr.: edei) Jezus door Samaria (4,5). De bron waar Jezus rust, ligt in het gebied dat Jakob kocht van de vader van Sichem, die Jakobs dochter Dina onteerde. Op zijn sterfbed schonk Jakob het aan de zonen van Jozef. Er wordt daar geen bron vermeld, maar door hem hier te situeren, creëert Johannes een beeld dat vooruitloopt op het einde van de spanningsboog die hij opbouwt: Jezus als bron bij de bron van zijn traditie – levend water (Gr.: pègè betekent ‘bron’, niet: ‘put’, die bevat stilstaand water – 4,6).

Het zesde uur

De tijdsaanduiding is dubbelzinnig. Volgens de joodse tijdrekening is het zesde uur het middaguur, het heetst van de dag, wanneer niemand zich buiten waagt, zeker niet om met water te sjouwen; maar als high noon het moment dat dorst het hevigst is. Het is ook het moment voor openbaring, zoals het bezoek van drie vreemdelingen aan Abraham (Gen. 18). Volgens sommigen ontwijkt de vrouw door op dit moment water te gaan halen, de ontmoeting met anderen, die haar minachten vanwege haar omgang met mannen. Volgens de Romeinse tijdrekening daarentegen is het zes uur ’s avonds, de tijd van inkopen doen voor de maaltijd, wat de leerlingen aan het doen zijn (4,8). Die meerduidigheid is rijkdom maar ook moeilijkheid bij Johannes.

Vijf mannen

In Tenach vinden vaker belangrijke ontmoetingen plaats bij een bron: tussen Mozes en Sippora, Isaak en Rebekka, Jakob en Rachel. Die lopen uit op een huwelijk. Zij gaan elkaar ‘bekennen’ als man en vrouw. Hier loopt de ontmoeting niet uit op een huwelijk, maar in het gesprek dat zich ontwikkelt gaat de Samaritaanse Jezus ‘kennen’. Haar inzicht groeit, en geleidelijk aan wordt haar duidelijk wie zij heeft ontmoet. Relaties komen wel ter sprake. Verbintenissen die de vrouw is aangegaan op haar zoektocht naar de Eeuwige? Verwijzen haar ‘vijf mannen’ naar de Pentateuch, de heilige Schrift van de Samaritanen, en is zij zoekend bezig een zesde stap te zetten? Maar zij stuit op ongerijmdheden, zoals verschillende plaatsen van inwoning van de Ene voor Joden en Samaritanen (4,20-21).

De zevende man

Bij de bron van haar traditie ontmoet zij Jezus. Een joodse man, die haar, Samaritaanse, aanspreekt en om water vraagt. Zoekt Hij ook naar antwoorden? Maar Jezus opent voor haar het perspectief op een relatie tot de Eeuwige als een stroom van levend water, dat louter genade is voor iedereen, ongeacht wie of wat je bent, en aan geen plaats gebonden. Jezus is als ‘zevende man’ de voltooiing van haar zoeken. De vrouw heeft Jezus’ woorden ingedronken en ze hebben haar dorst gelest. Zij laat haar kruik achter. Die is overbodig geworden, omdat zijzelf vol is van het levende water dat Jezus haar gaf en dat zij uitgiet over haar stadgenoten.

Er zijn exegeten die de situatie heel letterlijk nemen. De vrouw is een hoer, die sarcastisch op Jezus’ uitspraken reageert en Hem uitlokt, zodat Jezus zich kan uitspreken, overigens zonder dat zij Hem begrijpt. Dat is een mogelijkheid. Maar dan zou je ook de uitspraak van Jezus over velden die rijp zijn voor de oogst letterlijk moeten nemen. Maar die legt duidelijk een link naar de vrouw en naar de inwoners van de stad, die tot ‘kennen’ van Jezus komen, eerst door het getuigenis van de vrouw, daarna van Jezus zelf.

Een toekomstdroom voor de oecumene: water uit één bron, dat alle stilstaand putwater in zich opneemt in één sprankelende stroom. Gratis, louter genade, zonder putranden en emmers vol beperkingen, die gescheiden houden en uitsluiten. De Eeuwige in ons midden.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken