Menu

Premium

Wet, thora, gebod

Geloofstaal & cultuurtaal

Er bestaat geen bezinning op het christelijk geloof zonder aandacht voor de wet of de geboden van God. De Tien Geboden horen sinds eeuwen in de eredienst thuis en gelden als ‘regel der dankbaarheid’. Dit heeft de geloofstaal diep beïnvloed. Welke accenten men ook meent te moeten of te mogen zetten, één ding is buiten discussie: er zijn normen, die niet door mensen zijn ingevoerd en door hen ook niet kunnen worden afgeschaft. Binding aan de aloude bewoordingen van de wet brengt echter ook het gevaar met zich mee, te vergeten dat zij de sporen van de geschiedenis vertonen, vergane tijden weerspiegelen, op tijdgebonden toestanden reageren en zich tegen toenmalige heidense denkbeelden en praktijken verzetten. Geloofstaal is daarom tegelijk de taal van de doorgaande worsteling en discussie om een begaanbare weg in eigen tijd, die aan de gevaren van wetticisme en van autonomie ontkomt.

In onze cultuur blijft het gezag van de wet als burgerlijke wet en de waarde daarvan algemeen erkend. Van de burger wordt als omschrijving van zijn aansprakelijkheid verondersteld dat hij de wet kent. We zijn er trots op dat in onze democratische rechtsstaatallen voor de wet gelijk zijn. Het besef dat het overtreden of ontduiken van de wet, bijvoorbeeld in verband met belastingen, een laakbare handeling is, slinkt helaas bij velen. Een ander gevaar wordt daar zichtbaar wanneer mensen ‘de wet in eigen handen nemen’, zichzelf boven de wet verheffen en anderen buiten de wet stellen. De religieuze verankering van de morele wet als goddelijke norm speelt in de moderne cultuur minder dan vroeger een herkenbare rol. De invloed van traditie en conventie neemt in een cultuur die individualistisch van aard is, zienderogen af. Ethische beslissingen worden eerder op grond van rationele of gevoelsmatige overwegingen genomen.

Woorden

Een centrale rol speelt in dit verband de ondertussen alom bekende term thora. Deze komt in het Oude Testament rondweg 220 keer voor; in 200 gevallen koos de Septuagint daarvoor normos, ‘wet’. Die vertaling was voor Grieken helder, tegelijk echter ook eenzijdig, omdat het heilskarakter van de thora achter dat van de norm dreigde te verdwijnen. In 50 andere gevallen is nomos de vertaling van andere Hebreeuwse woorden. Geen wonder dat wij in het verlengde van deze weergave in verband met de Bijbel en Gods wil voor ons leven over ‘de wet’ plegen te spreken. De term thora daarentegen is van een werkwoord afgeleid dat ‘onderwijzen’ betekent. Voorbeelden uit Oude en Nieuwe Testament wijzen ons de weg hoe de aard van deze onderwijzing te begrijpen is. Priesters, profeten en discipelen van Jezus ontvingen hun onderwijs onderweg, door hun leermeester te volgen. Leren heeft steeds met deze onderwegsituatie te maken (vgl. Ps. 25:8-12). De thora is het Woord dat Israël begeleidt, dat hen onderweg behoedt, de weg wijst, op gevaren attendeert en voor heidense invloeden waarschuwt.

Betekenis in context

Oude Testament

Thora en verordeningen

In Oude en Nieuwe Testament, in de wet, bij de profeten, in het onderwijs van Jezus en in de brieven van apostelen staan de zogenaamde Tien Geboden centraal. Des te opmerkelijker is het, dat zij in het Oude Testament doorgaans juist niet ‘wet’ of ‘geboden’ genoemd worden, maar ‘de tien woorden’ (Ex. 34:28; Deut. 4:13; 10:4); daarvan is ook het woord dekaloog afgeleid. De hoofdstukken Exodus 20-24 bevatten twee verzamelingen geboden: de Tien Woorden (20:1-17) en een verzameling van zo genoemde verordeningen (21:1-23:33). Beide hebben in de berichten over Israël bij de Sinaï een plaats gekregen, maar dan van elkaar gescheiden en terminologisch onderscheiden. Zo lezen we in Exodus 24:3: ‘Toen kwam Mozes en deelde het volk al de woorden des Heren (zie 20:1) en al de verordeningen (zie 21:1) mee’. Veelal wordt echter aangenomen dat ‘al de woorden des Heren’ in vers 4 en ‘het verbondsboek’ in vers 7 identiek zijn en op de verordeningen van 21:1 slaan. Vandaar de benaming van deze verzameling van Exodus 21-23 als het ‘verbondsboek’. Het bevat talloze bepalingen, met name op sociaal-ethisch gebied, voor Israël als volk van het verbond. Zij weerspiegelen de praktijk van het leven waarin beslissingen moeten vallen; ze zijn soms apodictisch (de nader omschreven dader van iets zal die en die straf ontvangen), in andere gevallen casuïstisch geformuleerd (indien iemand … dan), als rechterlijke oordeelvelling ‘onder de poort’. De vloeiende overgang van 20:18-21 naar 24:1 doet vermoeden dat deze verordeningen werden geacht onder leiding van God te zijn geformuleerd en verzameld – zij het via oudsten en profeten – en dat zij daarom hier werden geplaatst.

Wat de Tien Woorden betreft: sommigen verstaan de hier gebruikte werkwoordsvorm primair als toekomstig; dat geldt overigens ook voor de Bergrede van Jezus (Mat. 5:21-48). In het Nederlands kan ‘gij zult’ een oproep of gebod betekenen; het kan echter ook een uitspraak inleiden over iets wat in de toekomst ligt. In dat geval wordt dan in tien zinnen gezegd, wat onmogelijk is voor een volk wiens God de Here is, de uitredder uit de slavernij. Toch werd deze aantonende wijs vaak ook gebruikt om het meest strikte verbod af te kondigen, in de zin van: ‘geen sprake van!’ of: ‘daar is niet aan te denken!’ Dan is het niet minder, maar juist meer dan een gebod; het is basis en grondwet voor het leven binnen het verbond.

Thora en verbond

Het is van grote betekenis, dat de Tien Woorden ‘woorden van het verbond’ genoemd worden (Ex. 34:28; Deut. 4:13). Volgens Deuteronomium 10:4-5 (vgl. 31:26) legde Mozes ze onmiddellijk nadat hij van de berg afdaalde in de ark van het verbond. De Tien Woorden zijn ondergeschikt aan het verbond; ze geven aan, hoe Israël in geloofsgehoorzaamheid antwoord geeft op de weldaden van Gods verbond. Dit is de teneur van geheel het boek Deuteronomium, een getuigenis uit latere tijd, waar de verbondssluiting bij de Horeb in herinnering gebracht en geactualiseerd wordt. Als inleiding op de Tien Woorden (5:621) wordt verklaard: ‘Niet met onze vaderen heeft de Here dit verbond gesloten, maar met ons (5:3). De auteur spreekt in de hoofdstukken aan het begin (1-4) en aan het eind (27-33) steeds weer in verheven woorden over de thora van God. Dat doet hij doorgaans juist niet in de hoofdstukken 5-26, waar hij alle mogelijke verordeningen, inzettingen en rechten herhaalt. Met thora bedoelt hij klaarblijkelijk niet een bepaalde verzameling geboden en inzettingen, maar het geheel van de openbaring van Gods heilige en heilzame wil (zie 31:12), als reisgids voor onderweg (1:58). Hij prijst haar: ‘Welk groot volk is er, waaraan de goden zo nabij zijn als de Here onze God, en … dat inzettingen en verordeningen heeft, zo rechtvaardig als geheel deze wet … ‘ (4:7, 8). Ook aankondigingen van zegen (30:910) en vloek (27:26) vloeien uit het verbond voort (zie 29:21).

De vreugde van de thora

De thora is ‘een (kostbaar) bezit voor het volk van Jakob’ en tegelijk bewijs van de door Mozes bezongen liefde van God voor de volken (Deut. 33:3-4). Tot haar behoren weliswaar ook tal van inzettingen en rechten die in Deuteronomium in herinnering geroepen worden, maar deze vinden toch hun diepste centrum in de Tien Woorden (4:44), meer nog: in het gebod van liefde. Zoals God de Here één is, is ook zijn gebod één (6:4-5). Van hieruit is het maar één stap naar de Psalmen 1, 19 en 119, die elk op eigen wijze de thora van God als weldaad en kostbaar bezit verwoorden en om die reden de vreugde der wet bezingen. In geen van deze psalmen is van enig wetticis-me sprake; nergens wordt de thora als een last of niet te volbrengen eis van God ervaren en beschouwd. Naar de thora leven wil zeggen: ‘op de weg van de Here’ en ‘in de waarheid wandelen’; en volmaakt zijn is geen eigen roem, maar een kwestie van een onverdeeld, verenigd hart (Ps. 86:11). Zo kan vreugde over de thora met de belijdenis van eigen zonde gepaard gaan (Ps. 19:13-14; 119:176).

Andere verzamelingen

Naast de Tien Woorden en het verbondsboek kunnen nog andere grotere eenheden binnen de mozaïsche wet genoemd worden. Op het verbondsboek volgt vanaf Exodus 25:1 tot Leviticus 16:34 een rijkgeschakeerde verzameling van wetten: over de tabernakel, zijn heilige gereedschappen en de cultus (Ex. 25-40), slechts onderbroken door de hoofdstukken 3 2-34 met berichten rondom het gouden kalf. Daarna volgen gedeelten over diverse offeren reinheidswetten en de priesterlijke dienst (Lev. 1-15), met de Grote Verzoendag als afsluiting (Lev. 16; zie verder ook Numeri 5:110:10). Er is in deze delen noch stilistisch noch structureel een eenheid te herkennen, geheel anders dan in de daaropvolgende hoofdstukken Leviticus 17-26, die als heiligheids- of hei-ligingswet worden aangeduid. Ondanks een groter aantal cultische (17-18) en strafrechtelijke onderwerpen (20 en 24) en bepalingen over jaarlijkse en periodieke feesten (23:1-24:9; 25) wordt deze verzameling duidelijk bepaald door de eis: ‘Heilig zult gij zijn, want Ik, de Here, uw God, ben heilig’ (19:1) en door de keer op keer herhaalde herinnering ‘Ik ben de Here, uw God’. Hetzelfde herhaalt zich in hoofdstuk 26 met zijn woorden over zegen en vloek. Daarmee vertolkt deze heiligheidswet een wezenlijk aspect van het geheel van de mozaïsche wet. Israël moet herkenbaar blijven als volk van God in een heidense omgeving, ook al verraden diverse bepalingen binnen en buiten deze heiligheidswet lang achterhaalde tijdsomstandigheden en een afweerhouding tegenover alom bekende oosterse cultische modellen en heidense identi-teitskenmerken.

Latere ontwikkelingen

In latere tijden, met name sinds het begin van de tweede eeuw voor Christus, ontwikkelde zich naast de mozaïsche wet een gezaghebbende overlevering. Deze werd lange tijd mondeling doorgegeven, maar na de val van Jeruzalem meer en meer schriftelijk vastgelegd en in de tweede eeuw als Misjna gecodificeerd. Daarin lezen we: ‘Mozes heeft de thora op de berg Sinaï ontvangen en aan Jozua overgeleverd, Jozua aan de oudsten, en de oudsten aan de profeten, en de profeten hebben ze aan de mannen van de grote vergadering overgeleverd’ (Aboth 1:1). Bedoeld is de uit 120 leden bestaande grote vergadering na de terugkeer uit de ballingschap onder het geestdriftige optreden van Ezra. Het streven om uitleg van de thora vast te leggen werd verder versterkt in de tweede eeuw voor Christus als reactie op de gedwongen hellenisering van het jodendom onder de Syrische koning Antiochus IV Epiphanes. Zo ontstond de geijkte term traditie. Geleerden op dit gebied zijn het er niet over eens in hoeverre de eerste sporen van een spiritualiteit van de schriftgeleerden, zoals we die ten tijde van Jezus tegenkomen, reeds in de jongste delen van het Oude Testament aangewezen kunnen worden. De vertaling van thora met nomos in de Septuagint wijst wel in die richting, en ook bijvoorbeeld de Griekse weergave van Jeremia 31:33. Dat God in de dagen van de Messias een nieuw verbond zal sluiten en dan ‘zijn wetten’ (meervoud) in hun hart zal schrijven, verraadt een andere spiritualiteit dan dat Hij ‘zijn thora’ – zo de Hebreeuwse tekst – in hun hart zal schrijven. Vanaf de tweede eeuw voor Christus kan deze ontwikkeling alom aangetoond worden, vooral in apocalyptische geschriften. De wetgeving op de Sinai – met de nadruk op verkiezing en verbond – geldt hoe langer hoe minder als fundament voor hoop op behoud, maar geldt met zijn vloekwoorden omgekeerd als bedreiging ervan. Kenmerkend hiervoor is vooral de fixatie op de afzonderlijke geboden en verboden en de daarmee verbonden vraag, op welke wijze het nakomen ervan tot in de details gewaarborgd kan worden. De thora fungeerde allengs niet meer primair als iden-titeitskenmerk van de joden als volk van God, maar inclusief de latere traditie vooral als voorwaarde en als kritische instantie voor heteeuwig behoud. Daarmee houdt ook verband dat men, om de thora te beschermen, een zogenaamd ‘hek om de thora’ schiep, een vloed van regels formuleerde (365 verboden en 248 geboden) en aan elk van deze toegevoegde regels hetzelfde gezag toekende als aan de thora of ook de Tien Woorden zelf. In de Misjna (Sanh. XI3) lezen we zelfs: ‘Het verzet tegen de uitspraken van de schriftgeleerden is een zwaardere zonde dan dat tegen de woorden van de thora.’

Nieuwe Testament

Jezus en de schriftgeleerden

Het optreden van Jezus en zijn twistgesprekken met de Farizeeën en schriftgeleerden van zijn dagen weerspiegelt deze situatie. Jezus heeft in zijn prediking op het acute gevaar van veruitwendiging en (objectieve) geveinsdheid (zie bijv. Mat. 5:21-47) gewezen. Te wijzen is ook op zijn berisping in verband met de korban-bepalingen, die gebruikt werden om op slinkse wijze het vijfde gebod buiten werking te stellen (Mar. 7:13); zie ook de toevoeging aldaar: ‘En dergelijke dingen doet gij vele’. Hij past op hen het woord van Jesa-ja toe: ‘Dit volk eert Mij met hun lippen, maar hun hart is verre van Mij. Tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen leren, die geboden van mensen zijn’ (vs. 7). Deze harde kritiek neemt niet weg, dat Jezus Zich met hen verbonden voelde en juist daarom in hen teleurgesteld was.

De radicaliteit vanJezus

De wetsinterpretatie van Jezus is in die zin radicaal, dat Hij naar de wortel van Gods geopenbaarde wil terugwijst. Was de thora ingebed in verbond en genade, zo is haar plaats thans binnen het Koninkrijk van God (Mat. 6:33; Mar. 12:32-34). Zijn eis volmaakt te zijn (Mat. 5:48) ligt op dezelfde golflengte als de teneur van vele psalmen en van de vele vermaningen bij de profeten met hun concentratie op het enig nodige en beslissende (bijv. Jes. 1:11-16; 56:1-2; Jer. 31:31-34; Joël 2:1216; Am. 5:14-15; Mi. 6:8). De vaak gesignaleerde radicaliteit van Jezus’ wetsprediking is de radicaliteit van de liefde. Door Hem genoemde voorbeelden, tot welke stappen liefde kan leiden (bijv. in Mat. 5:21-48 en 19:21), staan alleen schijnbaar in contrast tot zijn uitspraak: ‘mijn juk is zacht, en mijn last is licht’ (11:30). Wie ‘het Koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid’ zoekt (6:33), begeeft zich op de weg van de overvloedige gerechtigheid, die meer is dan die van de schriftgeleerden en Farizeeën (5:20). De concentratie op de Tien Geboden (Mat. 5) en vooral op het dubbele gebod der liefde (Mat. 22:33-40) leidt als vanzelf tot relativering of buitenwerkingstelling van cultische voorschriften (Mar. 7:14-19). Hetzelfde geldt voor de sabbat, het gebod van de tiende of andere toen geldende voorschriften. Jezus heeft de wet vervuld (Mat. 5:17) door haar diepste bedoeling aan het licht te brengen. Farizeeën en schriftgeleerden kwamen daartegen in fel verzet, hoewel er binnen het jodendom tal van verwachtingen leefden, die met een relativering of zelfs gedeeltelijke afschaffing der wet in de messiaanse tijd rekenden. Maar daaraan was huns inziens hier niet te denken. Met zijn radicale zondaarsliefde en kritiek op hun eigen gerechtigheid beantwoordde Jezus niet aan hun messiaanse maatstaven.

Paulus en de wet

De apostel Paulus heeft de vragen rondom de wet in alle uitvoerigheid behandeld. Kenmerkend is zijn fijne taalkundige onderscheiding in Galaten. Enerzijds schrijft hij (5:3) dat ‘die zich laat besnijden, dat hij verplicht is, de gehele (holon) wet na te komen’. Bedoeld is de wet als optelsom van geboden en als dreigende en (ver)oordelende instantie. Even daarna (5:14) lezen we dat de gehele wet in het liefdesgebod vervuld is. Dat is de thora als geheel, als vanouds bewijs van Gods reddende liefde, die tot liefde oproept, vrucht van de Geest (5:22). Paulus erkent dat de wet ook als dreigende en veroordelende instantie heilig, recht en goed en zelfs geestelijk is (Rom. 7:12, 14). Dat zij, die ten leven gegeven is, thans de dood bewerkt (7:10), ligt niet aan haar, maar aan de macht der zonde. En daarvan verlost ons geen werkgerechtigheid, maar alleen Christus, die voor ons een vloek werd (Gal. 3:13). In die zin is zij voor ons ‘een tuchtmeester tot Christus’ geweest (Gal. 3:24). Verbond en belofte gaan principieel en zelfs historisch aan de wet vooraf; de wet kwam pas 430 jaar later (Gal. 3:17)! Als het om de bedreigende en veroordelende macht van de wet gaat, is Christus haar einde, maar daarvan afgezien (en dat bedoelt Rom. 10:4) is hij het einddoel van de wet, openbaring van Gods reddende liefde, die het leven zegent en vernieuwt. In die zin kan Paulus ook volhouden dat hij de wet als thora niet buiten werking stelt maar bevestigt (Rom. 3:31).

In het verlengde hiervan spreekt dan Jakobus over ‘de volmaakte wet der vrijheid’ (1:25). De wet, die christenen vervullen en kunnen vervullen en waarvan het gebod lief te hebben de spil is, noemt hij ‘de koninklijke wet’. Het is de weg van de Messias, de wet van het Koninkrijk, een zacht juk en een lichte last (Mat. 11:30).

Kern

Met betrekking tot alles wat over wet, thora en gebod gezegd kan worden, kunnen wij ondanks alle wisseling van tijden en culturen – die ook in dit verband hun sporen achterlaten – een rode draad ontdekken. In zijn geboden wendt God Zich tot de mensen, die Hij liefheeft en vraagt om hun liefde; ze zijn er niet om ons te bedreigen, maar om ons te begeleiden. Daarom horen thora en geloof bij elkaar. Paulus noemt daarom als doel van zijn zendingswerk onder de volken: ‘om gehoorzaamheid des geloofs te bewerken’ (Rom. 1:5). Binnen het Oude Testament is de verbinding van thora en verbond beslissend (vgl. Deut. 5:2). Niet het bereiken van een plaats binnen het verbond is het doel, maar het blijven in deze relatie. Daarom staat het dienen van de Here in de Tien Geboden voorop (Ex. 20:2-3; Deut. 5:6-7) en is de liefde tot God de eigenlijke vervulling der wet (Deut. 6:4-9). Alle verdere verordeningen hebben alleen in relatie daarmee hun, soms tijdelijke en in die zin relatieve, betekenis. Zo wordt ook het genadekarakter van de thora duidelijk. In het Nieuwe Testament zijn de geboden onlosmakelijk met de prediking van het evangelie en zodoende met het Koninkrijk van God verbonden. Het is en blijft het geheim van de Heilige Geest, die als kenmerk van de messiaanse tijd de thora in de harten schrijft (Jer. 31:33). Daarbij blijft het zoeken naar hetgeen de wil van God is (Rom. 12:2) en blijft ook het toetsen van wat Hem welbehaaglijk is (Ef. 5:10) verder geboden. Alleen zo kan de wet naar Gods bedoeling beleefd worden als ‘de volmaakte wet, die der vrijheid’ (Jak. 1:25). De concentratie op de liefde als de vervulling van de wet betekent voor de ethische bezinning en de levenspraktijk de beste waarborg om te ontkomen aan de gevaren van wetticisme enerzijds en een vrijblijvende autonomie anderzijds.

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: overleveren, horen, liefde, verbond.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken