Xenos – Vreemd
Bij 1 Petrus 4
De hoofdstukindeling van de eerste Petrusbrief doet denken aan Afrika, waar de landsgrenzen vaak dwars door culturen en volkeren heenlopen. Wie zou er na de doxologie van 4,11 en voor de aanhef van 4,12 geen nieuw hoofdstuknummer verwachten? En wie zou 4,1-6 niet bij het voorgaande rekenen? 1 Petrus 4 is een hoogst kunstmatige eenheid. Maar nu het hoofdstuk op de planning staat, moeten we er maar het beste van maken.
Een thematiek die beide helften van het hoofdstuk verbindt, is volgens mij de vervreemding. ‘Vreemd’ is in het Grieks xenos; heel gemakkelijk te onthouden voor wie wel eens iets vreemds bij de Xenos koopt. In 1 Petrus 4 horen we het woord viermaal, in meerdere gestalten klinken.
Ren niet mee in ‘reddeloze vergieting’
In vers 4 ‘bevreemdt’ (Gr.: xenizoo) het de mensen dat ze in christenen geen frères et compagnons meer hebben als het gaat om het ‘meerennen tot de reddeloze vergieting’. Want dat staat er. Ik begrijp niet waarom ongeveer alle vertalingen zo moreel verontwaardigd klinken. ‘Liederlijke uitspattingen’, ‘losbandigheid’, ‘buitensporigheden’ – het zal allemaal waar zijn. Maar er staat: reddeloze vergieting. Ik denk dat Petrus het zo opgeschreven heeft, omdat hij het zo bedoelde. Terwijl ze zichzelf volgieten met alcohol, gieten ze in werkelijkheid zichzelf leeg. En hoe ‘overdadig’ het er ook uit mag zien, het is toch vooral een reddeloos gebeuren: a-sootos (vgl. Luc. 15,13). Petrus schrijft het niet vanuit de verontwaardiging van iemand die heimelijk wel mee zou willen doen maar het niet mag van zijn geloof. Zijn deernis is oprecht. Enfin, maar het bevreemdt dus de mensen dat christenen juist de fijnste momenten van de week, als je even alles mag vergeten, aan zich voorbij laten gaan. Vreemd. Motief onbekend. Maar ze vullen de witregels met laster. Zo zijn mensen: het onbegrijpelijke vervangen ze door het voor hen maar al te begrijpelijke.
Wees xenofiel
De tweede keer dat het woord xenos weerklinkt is in vers 9. ‘Weest filoxenoi jegens elkander.’ Gastvrij, zeggen de vertalingen. Herbergzaam, zei de oude Statenvertaling. Geen vertaling die het woord ‘vreemdeling’ laat terugkeren. We moeten de gemeente er dus maar niet mee lastigvallen. Maar toch. We kennen in het Nederlands wél het woord xenofoob, maar niet het woord xenofiel of filoxeen. Waarom eigenlijk niet? Misschien omdat we het niet zijn? In de gemeente zijn we geroepen elkaar te aanvaarden in al onze vreemdheid. We zeggen altijd wel dat we broeders en zusters zijn, maar is het niet heilzamer om elkaar eerst maar eens als vreemdelingen te erkennen? Dan kunnen we altijd nog samen de weg gaan van de xenofobie naar de xenofilie. Dan wordt het misschien nog eens iets met de broeder- en zusterliefde.
Vind Christofobie niet vreemd
De derde en vierde hit van het woord xenos vinden we in vers 12. ‘Weest niet bevreemd door de vuurgloed die in uw midden woedt, u tot beproeving, alsof u iets vreemds overkomt’ (Naardense Bijbel). Christus is op aarde iets ongehoord nieuws komen brengen en heeft ook u daarin betrokken: een zelfovergave die de zwaartekracht van selfish genes te boven komt. Heel de wereld komt op losse schroeven te staan. Alle verklaringen lopen stuk op Christus’ liefde. Vindt u het vreemd, schrijft Petrus, dat de mensen zich ertegen verzetten en dat ze ook jegens u vol koudwatervrees zitten? Hun wantrouwen kan natuurlijk alleen maar misverstand zijn. Heb veel geduld. Hun vervreemding is op zich niets vreemds. Het is de keerzijde van de vreemdheid van het evangelie.
Ik vraag me af of er in ons christen-zijn iets zit wat op zijn minst vragen oproept, lichte bevreemding. Misschien wel. Misschien zijn we wel vreemder dan we zelf denken. Hoe hard we ook proberen gewone Nederlanders te zijn, Christus’ liefde maakt ons tot ‘bijwoners en reizigers’ (2,11) in de diaspora (1,1). In een wereld van welbegrepen eigenbelang kunnen we nooit thuis raken. Dat is wat anders en meer dan cultuurkritiek. Het is fundamenteler. Kritischer. Het is Christus zelf die cultuurkritiek uitoefent en dat doet Hij door ‘het huis Gods’ te bekritiseren (4,17). De kerk is allereerst zelf voorwerp van kritiek (oordeel) en alleen zo, indirect, van cultuurkritische betekenis. Maar die roept dan ook onontkoombaar weerzin op.
Word door lijden om Christus gelouterd
Nu vind ik het altijd lastig om deze materie in de gemeente van nu ter sprake te brengen. Aan de ene kant stelt wat wij te verduren hebben niets voor vergeleken bij het lijden van andere christenen. Als reizigers hebben wij onze tentpinnen dan ook als heipalen in de grond geslagen en weten ons griezelig goed aan te passen aan de heersende cultuur. Aan de andere kant: wat wij wél aan spot en uitsluiting verduren, is vaak ook gevolg van ons eigen wangedrag. We lijden deels nog ‘als bemoeial’ (allotriepiskopos, 4,15). De kerk die zich tot taak stelt iedereen moreel op de vingers te kijken, krijgt terecht sneren en klappen.
Maar er is ook het andere lijden; lijden aan de gevolgen van xenofobie die ten diepste Christofobie is. Daar moet je niet vreemd van opkijken. Wees er eerder blij mee. Het zou een veeg teken zijn als iedereen ons accepteerde als volkomen normaal! Want dan zou Christus niets bijzonders zijn en volkomen inpasbaar in deze wereld. Maar dat is Hij niet. Vandaar het onverdiende lijden dat u treft en dat berust op misverstand, schrijft Petrus. Dit lijden werkt louterend. In zijn algemeenheid kun je dat niet zeggen, maar hier wel. Petrus spreekt van een ‘vuurgloed’. Alles wat onecht is en onedel, brandt weg. Je zult beter gaan zien wat ertoe doet en wat niet. Je zult meer in verbondenheid met Christus leven. En dat is weer reden tot blijdschap, gaat hij verder in vers 13.