Zwevende atheïsten
Ongelovige fascinatie voor God en Bijbel
In zijn boeiende studie Zwevende gelovigen (2011) beschrijft Joep de Hart de veranderingen die zich op godsdienstig terrein in Nederland hebben voorgedaan. Kort samengevat komt dat neer op: kerken lopen leeg en tegelijkertijd is er een waaier aan spirituele mogelijkheden, waar steeds meer belangstelling voor ontstaat, overigens ook binnen de kerken.
In meerderheid zijn de Nederlanders tot de ‘ietsisten’ en agnosten gaan behoren. Spiritualiteit, mystiek, (solo-)religiositeit: het zijn woorden die het goed doen, zolang ze maar niet in een kerkelijk of dogmatisch kader staan. Mensen knutselen hun overtuiging zelf bij elkaar in hun religieuze hobbykelder, zegt De Hart. Slechts 14% rekent zich tot de atheïsten.
Op het eerste gezicht lijkt het alsof atheïsten niets met God en Bijbel te maken willen hebben. Voor een groot aantal zal dat zo zijn, maar verbazingwekkend genoeg houden velen onder hen zich met religie bezig. In dit artikel wil ik een selectief literatuuroverzicht geven van de religieuze fascinatie van atheïsten. Sommige geharnaste atheïsten wentelen zich wat graag in wat zij zien als religieuze onzin. Er zijn echter ook gematigde ongelovigen met een grote gevoeligheid voor religiositeit. En bepaalde atheïsten verdiepen zich niet onverdienstelijk in de Bijbel.
‘Een atheïst is niet arrogant, hij denkt gewoon beter na’
Atheïsten hebben nooit echt de behoefte gehad om missionaire activiteiten te ontwikkelen. Maar bij zo veel ‘God’ in de afgelopen jaren moest er wat gebeuren. Al tijdens de Boekenweek van 1997 met het thema ‘Mijn God’ kwam Gerrit Komrij met zijn Boekenweekessay Niet te geloven. Maarten ’t Hart schreef de ene na de andere vermakelijke, maar ook sarcastische column in NRC-Handelsblad, uiteindelijk gebundeld in Wie God verlaat, heeft niets te vrezen (1997) en De bril van God. De Schrift betwist (2002). Hij voert de letterlijke lezing van bijbelverhalen, die hij dwaas en totaal geschift vindt, tot in het absurde door. Meer nog wil hij de absurditeit van het geloof in God duidelijk maken. Het is alsof je de beruchte column van Karel van het Reve over ‘De ongelofelijke slechtheid van het opperwezen’ in het gelijknamige boek uit 1987 weer terugleest. Daarin kraakt Van het Reve godsdienst en diens hoofdpersoon tot de grond toe af. Eigenlijk stelt hij, vilein geformuleerd, dat wel, de oude theodiceevraag: hoe vallen een almachtige en goede God en het kwaad te rijmen? Dat valt niet met elkaar te rijmen, stelt hij. En dan is er maar één conclusie: God is een kwaadaardig verzinsel en dus onzin. Sommige atheïsten wapenen zich tegen het religieuze ontwaken en slaan de handen ineen. Ze moeten wel, zeggen militante atheïsten zoals evolutiebioloog Richard Dawkins of onze eigen ‘huisatheïst’ Herman Philipse, van wie het citaat boven deze paragraaf is. Want religies en godsdienstige mensen worden immers steeds opdringeriger. Daarom laten ze zien dat atheïsme een wetenschappelijk verantwoorde levensovertuiging is.
De filosoof, hoogleraar en columnist Herman Philipse kwam in 1995 met zijn Atheïstisch manifest. Er moest een statement komen, dat nog eens duidelijk maakt waar het in het atheïsme eigenlijk om gaat. De rechtsgeleerde en filosoof Paul Cliteur vaart eenzelfde koers en pleit bovendien voor een moreel Esperanto in zijn gelijknamige boek uit 2007: een gezamenlijke ethische taal die iedereen verstaat, zonder religieuze invullingen. De lezingen en boeken van Ayaan Hirsi Ali hebben een geheel eigen spits: ze richt zich daarin tegen moslimfundamentalisme, maar je zou kunnen zeggen dat zij het debat over het atheïsme een sterke impuls geeft, al zoekt zij in haar laatste boek Nomade weer het bondgenootschap van gematigde gelovigen tegen alle vormen van rigide religie. In 2009 werden er, in navolging van de Britse atheïstische reclamecampagne, ook in Nederland billboards geplaatst met de tekst: ‘Er is waarschijnlijk geen god. Durf zelf te denken. En geniet van dit leven!’ Gezicht van deze campagne was Floris van de Berg, schrijver van Hoe komen we van religie af? Een ongemakkelijke liberale paradox (2009). De essayist en publicist August Hans den Boef, auteur van God als hype (2008) en Nederland seculier! (2003), heeft samen met hoogleraar Nederlandse letterkunde Kees Snoek de religiekritiek van Multatuli weer onder de aandacht gebracht. Vele ongelovige columnisten nemen in hun columns vaak religie op de hak: Theodor Holman, Nelleke Noordervliet, Max Pam.
In 2005 was er bij de educatieve omroep RVU een serie ‘God bestaat niet’. Afgewisseld met satirische en spottende sketches van de programmamakers en presentatoren Paul Jan van de Wint en Rob Muntz gaven wetenschappers als hersenonderzoeker Dick Swaab, psychiater Andries van Dantzig, traumatoloog Carla Rus, astrofysicus Vincent Icke en anderen vanuit hun vakgebieden commentaar op de stelling dat God niet bestaat. Aan het begin van elke aflevering ‘preekte’ Muntz verongelijkt vanaf de kansel dat de kleine, slinkende minderheid van ongelovigen wereldwijd maar zo’n 2,5% is. ‘En gelovigen worden overal ter wereld in staat gesteld hun kinderen te vergiftigen met hun mentaliteit en overtuiging, via de opvoeding en scholing.’
Soms lijkt het wel of alle atheïstische krachten gebundeld worden tegen het verderf dat religie heet. Het ene fundamentalisme staat tegenover het andere. Gelukkig is het zo bar niet. Er zijn vele gematigden onder gelovigen én onder atheïsten. En die staan dichter bij elkaar dan je op het eerste gezicht zou vermoeden.
‘Holy shit’
Sommige atheïsten zoeken het gesprek met gelovigen en religies vanuit een veel grotere openheid. Enkelen komen daarbij zelfs tot een atheïstische spiritualiteit die niet eens zo ver af ligt van vormen van christelijke spiritualiteit. De genuanceerde benadering van taalfilosoof en mediëvist L.M. de Rijk spreekt al uit de titel van zijn laatste boek: Geloven en weten. Pleidooi voor een sober atheïsme (2010). Binnen het wetenschappelijke kader geeft hij ruimte aan religiositeit en religie, maar zegt daarbij dat je alleen over de vraag naar de bruikbaarheid en de werkzaamheid kunt spreken, niet over het waarheidsgehalte. Religiositeit en religies zeggen – wetenschappelijk gezien – niets over een bestaande werkelijkheid buiten of boven deze werkelijkheid. In zijn definiëring van ‘sober atheïsme’ erkent hij de zinvolheid van religie en religiositeit. Religie werkt, maar is niet waar in wetenschappelijk zin. Eenzelfde benadering kiest filosoof Alain de Botton in zijn originele werk Religie voor atheïsten. Een heidense gebruikersgids uit 2011. Hij neemt het standpunt in dat het mogelijk moet zijn een overtuigd atheïst te blijven, terwijl je religies toch nuttig, interessant en troostrijk kunt vinden. Op een creatieve manier probeert hij religieuze ideeën en gewoontes te vertalen naar de seculiere wereld. Want er is veel samengebalde wijsheid te vinden in religies, je moet er alleen geen dogma van maken, en je hoeft daarvoor ook niet in God te geloven.
Koert van der Velde noemt dit a-gelovig omgaan met religiositeit ‘flirten met God’ in zijn gelijknamige boek (2011). Het is een spel, maar wel een serieus spel. Je flirt met religieuze beelden, omdat je daar wat mee hebt. Het gaat allang niet meer om waarheid, maar om de beleving. Hoe meer je flirt met God, hoe meer je eraan beleeft. En als je niets met religieuze ervaringen doet, ebt alles weg. Iets wat vele gelovigen ervaren.
De Vlaamse schrijfster Anne Provoost introduceert in haar essay Beminde gelovigen. Atheïstisch sermoen (2008) een religiometer, een soort graadmeter in tien stappen die je vertelt in hoeverre je al dan niet gelovig bent. Zelf positioneert ze zich op graad twee van de religiometer. Bij momenten heeft ze de ervaring dat ze deel uitmaakt van een groter en ongrijpbaar geheel, zonder dat ze dat religieus invult. Ze ziet een zekere verwantschap met gematigde gelovigen van graad vier, vijf en zes op de religiometer. Zelf gebruikt ze niet de naam God voor het onpeilbare, maar ze heeft er geen moeite mee dat gematigde gelovigen deze metafoor wel gebruiken. Gematigde gelovigen geloven in haar optiek in een God waar ze verder niets van weten, maar aan wie ze zich wel willen overgeven, en die ze aanduiden met woorden als liefde, en niet met woorden als macht of gezag. Met hen wil ze een bondgenootschap smeden tegen een absoluut en dictatoriaal godsbeeld. Ze pleit voor het herijken van woorden die door strenge gelovigen zijn geannexeerd. In een prikkelend artikel Holy Shit in dagblad Trouw (12 juni 2010) komt Ger Groot als atheïst op voor het heilige. Ook hij staat in zekere zin op onzekere, ‘heilige’ grond. De atheïst kan het sacrale niet zonder meer afwijzen en doen alsof hij er niets mee te maken heeft. Dezelfde openheid voor het onbenoembare kom je tegenwoordig ook bij jongere humanisten tegen, die veelal opener zijn voor gevoel, mystiek uit oosterse tradities, ontwikkeling en groei in het bewustzijn dan de oudere garde.
De filosoof André Comte-Sponville schreef een prachtig boek: De geest van het atheïsme. Kunnen we het zonder godsdienst stellen? (2007). Anders dan rigide atheïsten als Richard Dawkins maakt hij religie niet belachelijk. Zijn boek is een voorbeeld van hoe dicht gematigde atheïsten en gelovigen elkaar kunnen naderen. Spiritualiteit ziet hij als openheid naar de wereld. Belangeloze liefde, toch een religieus concept, is bij Comte-Sponville immanent en komt vrij als je je eigen ego loslaat en je openstelt. Atheïstische spiritualiteit heeft volgens hem alles te maken met mystiek. Mystiek betekent bij hem verwondering over het mysterie van het bestaan zelf.
‘Mijn bijbel is een andere bijbel’
Bovenstaand citaat is van de Israëlische verteller Meir Shalev in De bijbel nu (1995). Hij is niet godsdienstig en hij houdt zich niet bezig met de traditionele exegese die geprobeerd heeft om ‘de verhalen van de Bijbel te verfraaien’ en ‘voor het karretje van het geloof te spannen’. De Bijbel is niet samengesteld door God, maar geschreven door mensen van vlees en bloed. Juist omdat de hoofdpersonen geen heiligen en brave zielen zijn, spreken ze nog steeds aan. Onlangs heeft Shalev een vervolg geschreven: In den beginne. Eerste keren in de bijbel. Met een literaire, niet-religieuze blik speurt Shalev naar de schoonheid en de zeggingskracht van bijbelse verhalen.
Meer atheïsten hebben deze fascinatie voor de Bijbel. Maarten ’t Hart is al genoemd. In 2006 kwam Er was eens een God. Bijbelse geschiedenis (met platen van J.H. Isings) uit. ‘Dit boek’, meldden de inmiddels overleden scribent Jan Blokker sr. en zijn beide zoons, Jan en Bas Blokker, ‘is geschreven door drie ongelovige zielen.’ De schitterende bijbelse verhalen moeten weer voor het voetlicht gebracht worden. De Bijbel is wereldliteratuur.
We kunnen de hoofdpersoon volgen in zijn karakterontwikkeling: de verongelijkte en wraakzuchtige God van het Oude Testament wordt door Jezus meer als genadige geest dan als alleskunner ten tonele gevoerd. De Blokkers blijven met deze visie toch wel erg dicht bij het simpele bijbels-theologische schema uit hun jeugd. Blijft staan dat zij laten zien hoe weerbarstig, vreemd en overrompelend de God van de Bijbel is en hoe merkwaardig en gedurfd de reacties van mensen. Nicolaas Matsier is een fenomeen apart. In zijn schitterende De Bijbel volgens Nicolaas Matsier (2003) en het recente Het evangelie volgens Nicolaas Matsier (2011) schrijft hij met kennis van zaken, meeslepend en met humor. De tijd is voorbij dat goede boeken over de Bijbel geschreven werden door gelovige deskundigen.
Het lijkt een recent fenomeen dat atheïsten bijbelboeken vertalen. De classicus en jurist Gerard Koolschijn kwam in 2009 met Paulus, Aan de Romeinen. Koolschijn levert ongezouten kritiek op de parafraserende Nieuwe Bijbelvertaling die tweeduizend jaar theologie meevertaalt. Hij wil de rauwe en duistere Paulus weer opnieuw laten klinken. Geen goedlopende vertaling die alle oneffenheden wegstrijkt, maar een die laat zien hoe hoekig Paulus schrijft.
In zijn rauwheid doet het denken aan de taal van Jan Wolkers. In zijn essay ‘Op de vleugelen der profeten’ uit de bundel Tarzan in Arles vertelt Wolkers over de Statenvertaling uit zijn jeugd. Als zijn vader voorlas aan tafel, verbleekte alle slappe, weeïge moderne literatuur. De stoere, bonkige, ja zelfs bronstige bijbelse taal gaf hem feilloos onderwijs in ‘de wetten van dramaturgie, poëzie en dialoog’. Wolkers kon zich nog wellustig in de warme modder van de Bijbel rondwentelen, omdat hij wel een boodschap aan de taal maar niet aan de afzender had. Vele moderne gelovigen hebben (nog) wel een boodschap aan God, naar hun maat toegesneden, maar haken vaak af bij de realistische taal van vooral het Oude Testament. De kinderboekenschrijver Guus Kuijer heeft een bijzonder boek over God en geloof geschreven: Hoe een klein rotgodje God vermoordde (2006). Maar dit is geen kinderboek. Als ongelovige, schrijft hij, wordt hij al jarenlang diep en onherstelbaar gekwetst in zijn afwezige religieuze gevoelen door gelovigen van alle gezindten. Hij beschouwt God als een menselijk bedenksel, maar dat betekent nog niet dat hij op God of op religie neerkijkt. God is weliswaar een menselijk idee, maar tevens een groots bedenksel dat ervoor zorgt dat de mens naar volwassenheid toe groeit. God staat voor liefde, rechtvaardigheid, menselijkheid. Zowel in de Bijbel zelf als in de godsdiensten zie je dat dit idee om zeep wordt gebracht. Er wordt een ‘rotgodje’ van hem gemaakt. De fundamentalistische gelovige past God naar zijn bekrompen ideeën aan. Dat is de godslasteraar, niet de ongelovige. De verzonnen liefdevolle God is het adres voor bewondering, dankbaarheid, verzet, verbijstering, Hij hoeft daarvoor niet eens te bestaan, Hij komt vanzelf wel in mij op, besluit Guus Kuijer. God is een religieus woord voor seculiere begrippen als geweten, intuïtie, gevoel.
Slot
Ik ben zelf geen atheïst, eerder een zoekende gelovige met een ontvankelijkheid voor spiritualiteit en mystiek. Toch: al deze ongelovigen met een fascinatie voor God en Bijbel houden mij een spiegel voor, dagen uit, prikkelen. Sommigen zijn in hun zelotische ijver zo fundamentalistisch dat ik ze nauwelijks serieus kan nemen. Veel dichter sta ik bij de gematigden onder hen. Zij durven zelfs te spreken over atheïstische spiritualiteit en hebben ontzag voor het heilige en verwondering over het bestaan. Ik verwelkom die atheïsten die de vinger bij de vreemdheid van bijbelverhalen leggen. Ze laten zien hoe dwaas en absurd dit soort verhalen overkomen, maar ook hoe gruwelijk mooi, als de grootste literatuur. Hoewel sommigen steken laten vallen, gebruiken ze moderne inzichten uit de bijbelwetenschappen. Ze schrijven met humor, en humor breekt de waarheid open. Daarmee zijn ze niet in het kamp van de gelovigen, ze leggen integendeel gelovigen het vuur na aan de schenen. Ze dwingen om de bijbelse verhalen opnieuw te lezen, minder braaf, minder vroom, gedurfder, menselijker. Dat is toch niet onverdienstelijk voor een atheïst.