Menu

Premium

8.6. Mijn dood gedood

Zie ook

Heidelbergse Catechismus

Vraag 42: Als Christus dan voor ons gestorven is, hoe komt het dat ook wij moeten sterven?

Antwoord: Onze dood is geen betaling voor onze zonden, maar alleen een afsterven van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven.

Vraag 44: Waarom volgt daarop: nedergedaald ter helle?

Antwoord: Opdat ik in mijn hevigste aanvechtingen de volstrekte zekerheid en troost mag hebben dat mijn Here Jezus Christus door Zijn onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling, die Hij, in heel Zijn lijden, maar bovenal aan het kruis heeft ondergaan, mij van de helse benauwdheid en pijn verlost heeft.

Relatie van het thema tot het hoofdthema

‘Op de dag dat u daarvan eet, zult u zeker sterven,’ zo had de Here God tegen de mens gezegd bij het begin. Leven zonder God is langzaam maar zeker sterven. Het loon op de zonde is de dood. In deze samenhang is het sterven niet enkel als straf te zien, maar ook als het noodzakelijk gevolg van de verwijdering van God. De redding die het Evangelie verkondigt vindt zijn kern in het herstel van de verhouding van de Here en Zijn schepsel – en kan daarom niet zonder gevolgen blijven voor het sterven. Het sterven is voor wie in Christus is een deur naar het leven geworden, omdat Christus zijn oordeel gedragen heeft.

De leefwereld van de hoorder

Dood is deel van het leven. Die korte zin is helemaal in het collectief bewustzijn van de westerse samenleving binnengedrongen. We leven de kringloop van het leven, waarin alles nu eenmaal naar een einde gaat. De lijn van dood als loon op de zonde, die de Bijbel volgt, ligt daarmee voor velen niet erg voor de hand. Leven zonder dood is simpelweg onvoorstelbaar. Leven met de dood is ondertussen een zware opgave. Cynisme en oppervlakkigheid liggen op de loer.

Verder: dood is dood. De gedachte van leven na de dood is ten diepste vreemd. Weliswaar hoort men rond het overlijden van geliefden of van bekende Nederlanders allerlei beweringen omtrent de overledene, maar dat lijkt weinig echte substantie te hebben – en al helemaal niet in te werken op het leven van alledag. Het heeft vooral de schijn van een copingsmechanisme, een manier om met grote emoties en overweldigende vragen om te gaan.

Ondertussen is de dood te groot voor mensen – zelfs voor de door en door geseculariseerde mensen die wij zijn. De aandacht voor bemiddelaars tussen de gestorvenen en de levenden (Ogilvie, Char, Astro-TV), maar ook het succes van Van Lommels Eindeloos bewustzijn over bijna-dood-ervaringen, maakt duidelijk dat hier grote vragen liggen.

Waar in de kerk het woord ‘hel’ niet vaak meer klinkt, wordt het in de kranten en media geregeld gebruikt. Een breed spectrum van gebeurtenissen kan gekwalificeerd worden met dit begrip, van natuurrampen tot sportevenementen (‘De hel van 63’). Ook in het persoonlijk leven kunnen mensen ‘door een hel’ gaan, bijvoorbeeld bij ontslag, echtscheiding of het verlies van een dierbare. Dat hel ook nog iets met het christelijk geloof te maken heeft, en dat ons leven buiten Christus op het spoor staat richting die hel, komt vreemd over. Er wordt een grote spanning ervaren tussen Gods liefde en de werkelijkheid van de hel.

Met het oog op de tieners

Voor veel jongeren is de dood iets wat in films en games aan de orde van de dag is. In games is doden vaak het doel, in sommige films wordt het verdriet en de ontzetting die sterven meebrengt integer in beeld gebracht. Een film als Achtste-groepers huilen niet, waarin het overlijden van een jong meisje ten gevolge van kanker in beeld is gebracht, is veel bekeken – en roept vragen op.

In de overgang van kind naar jongere is juist de bewustwording van de sterfelijkheid een belangrijk verschil. Ze beseffen dat ouders en grootouders overlijden, ze hebben misschien een zieke klasgenoot. Wellicht kennen ze voorbeelden van suïcide. Hoewel ze er niet makkelijk mee voor de dag komen, maakt dit allerlei vragen los.

Met het oog op de kinderen

Al heel jong worden kinderen geconfronteerd met de dood. De ernst van de dood komt pas echt binnen wanneer iemand in de directe omgeving van een kind sterft. Ook de dood van een dier kan voor een kind veel betekenen. In hun spel kunnen kinderen heel makkelijk met ‘dood’ omgaan. ‘Paf, jij bent dood.’ Maar een kind beseft heel goed dat dat spel is. Echt dood is ‘nooit meer’.

Uitleg

Vraag en antwoord 42: Hier wordt duidelijk dat de HC geen slaafse uitleg van de geloofsbelijdenis geeft, maar tussendoor ook de tijd neemt om vragen aan de orde te stellen die het uitgelegde bij de leerling kunnen oproepen. Zo ook deze vraag: als de dood dan door Christus overwonnen is, waarom sterven wij dan nog? Hier geen theoretische Spielerei; de vraag komt op vanuit de beklemmende werkelijkheid dat ook na Pasen mensen sterven. De dood lijkt immers nog volop aanwezig en vele malen werkelijker dan wat de Kerk belijdt.

De HC maakt duidelijk dat Christus door Zijn sterven en opstanding de dood van zijn angel heeft ontdaan: het is voor de christen niet meer het loon op de zonde, maar juist een afsterven aan deze werkelijkheid die helemaal door de dood gestempeld wordt, en daarmee de doorgang tot het nieuwe leven dat aan het licht is gekomen met Jezus’ opwekking. Hij immers ging ook door de dood heen en stond op in het nieuwe leven. Dat nieuwe leven is niet gewoon een voortzetting van dit leven, maar dan zonder de grimmige dreiging van dood. De HC spreekt over eeuwig leven. Nu is eeuwig niet zomaar een ander woord voor altijd. Zeker, het heeft een temporele lading – maar we dienen te beseffen wat we doen wanneer we tijd betrekken op ons denken over de Here God. ‘Eeuwig’ is in de Bijbel steeds weer een woord om de here mee aan te duiden als de Ander, die niet halt houdt voor grenzen waarvoor mensen halt moeten houden. Zo zegt het woord niet alleen iets over de tijd, maar ook over de kwaliteit van het leven dat Christus schenkt: het is leven zoals de Here het bedoeld heeft – leven met Hem, leven met de naaste. (Denk ook aan de uitleg van het vierde gebod in antwoord 103, waar de zin van het sabbatsgebod daarin gevonden wordt dat ik ‘de eeuwige sabbat in dit leven aanvang’.)

Vraag en antwoord 43
De HC volgt in antwoord 43 de uitleg die met name Calvijn gaf van het ‘nedergedaald ter helle’. Deze uitleg wijkt af van de oorspronkelijke bedoeling van deze woorden – zie ook de aantekening bij dit artikel in Belijdenisgeschriften van de Protestantse Kerk in Nederland (p. 13). De eerste hoorders hebben hier een antwoord gehoord op de vraag waar Jezus is geweest en wat Hij heeft gedaan in de tijd tussen Zijn sterven en opstanding, zoals blijkt uit het feit dat deze woorden volgen op de belijdenis dat Jezus ook begraven is. Grillmeier (p. 181) noemt drie motieven die men onderscheiden heeft: 1. Jezus heeft gepreekt tot de gestorvenen, 2. Hij heeft de rechtvaardigen van het Oude Verbond gedoopt, en 3. Hij heeft de heerser van de onderwereld overwonnen.

Met name Calvijn heeft naar een andere uitleg gezocht. Hij vond voor de traditionele uitleg te weinig grond in de Schrift en achtte deze daarom speculatief. Bovendien was hem onduidelijk welke troost hier gevonden wordt voor de gelovige vandaag. Hier blijkt vrijheid in de omgang met de traditie. Het is van belang dat te zien – zoals het tegelijk van belang is om vast te stellen dat het hier gaat om vrijheid in gebondenheid. Het criterium is voor Calvijn niet de vraag of hij het zich kan voorstellen of niet. De vraag is hoe de traditie zich verhoudt tot de kern van het Evangelie zoals deze in de Schrift gevonden wordt, en welke troost er voor de gelovige in gelegen is. Het gaat dus om iets anders dan een ontmythologiseringsprogramma.

Calvijn zag natuurlijk ook dat de volgorde waarin de belijdenis de zaken rangschikte, pleit voor de traditionele uitleg. Hij redt zich hieruit – eerlijk is eerlijk – op een ietwat gekunstelde manier, door te zeggen dat we de belijdenis niet chronologisch hebben te lezen, maar dat het gaat om een kwestie van perspectief: dat wat eerst vanuit menselijk oogpunt beschreven is, wordt daarna uit goddelijk perspectief verwoord (Inst. II.16.10). Dit argument zou sterker zijn wanneer de volgorde van het ‘begraven’ en het ‘nedergedaald ter helle’ in het Apostolicum andersom zou zijn geweest. Calvijn verbindt immers de hel met de godverlatenheid van Golgotha – vóór Jezus’ sterven en begrafenis dus.

Ondanks deze opmerking zou ik zeggen dat de uitleg van antwoord 44 diepe bijbelse lijnen blootlegt, die bij de traditionele uitleg te veel buiten beeld konden blijven. De hel wordt herkend in het moment dat Jezus roept aan het kruis: ‘Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?’ Geen bespiegelingen omtrent Jezus’ verblijfplaats in de tijd tussen Zijn sterven en Zijn opstanding, maar de bittere werkelijkheid van de Godverlatenheid maakt de essentie van dit artikel uit. De duisternis van Golgotha is het schrille contrast met Gods eerste scheppingswoord ‘licht’. Deze duisternis is te verstaan als ‘ont-schepping’.

Deze uitleg bevat een enorm theologisch en pastoraal potentieel. Theologisch: de pas wordt afgesneden aan speculatie over de hel. Er wordt doorgestoten naar het wezen van de hel – en dat is: totale afwezigheid van God. Pastoraal: in een wereld waar eenzaamheid, ziekte en pijn mensen diep de duisternis in jagen, wordt een Here verkondigd die de hel van de Godverlatenheid heeft doorleden tot op het einde. Zoals het avondmaalsformulier zegt: ‘Hij is van God verlaten, opdat wij nimmer van God verlaten zouden worden, maar eeuwig in genade aangenomen.’ (Zie ook CD, p. 415 vv.)

Relevantie van het thema

Hoewel het woord ‘hemel’ vandaag de dag steeds minder vaak klinkt, horen we wel geregeld over de hel. Dit gedeelte van de HC geeft alle aanleiding om beide zaken te corrigeren. Het christelijk geloof leert spreken over wat er na het sterven is. De soberheid van dit spreken (de hemel is: met God zijn; de hel is: zonder God zijn) komt niet erg tegemoet aan de nieuwsgierigheid van velen. Het is goed dat te bedenken.

Het gemakkelijke gebruik van het woord ‘hel’ maakt dat de ernst van de hel buiten beeld dreigt te raken. De hel heeft iets van een lot dat jou treft. De Bijbel bedoelt iets anders. De dood en de hel zijn geen lot, maar het eindpunt van de weg die de mens gekozen heeft (zie schets 8.5). Dat is op het eerste gezicht confronterender dan het alledaagse spreken over hel en dood. Omdat echter de bijbelse spreekwijze vrucht is van het geloof in de verzoening door Christus, is het uiteindelijk vele malen troostrijker: er is geen diepte in ons leven waar Christus niet is geweest en waar wij op onszelf worden teruggeworpen.

Met het oog op de tieners

Voor jongeren zijn de woorden van de HC in deze antwoorden misschien moeilijk. Woorden als ‘aanvechtingen’ en ‘benauwdheden’ zullen ze niet snel gebruiken om hun gevoelens te beschrijven. En ‘afsterven aan de zonde’ en ‘doorgang tot een eeuwig leven’ komen ook niet in hun dagelijkse vocabulaire voor. De zaken die de HC hiermee aanduidt, zijn echter wel degelijk aan de orde in hun leven. Tieners zijn op zoek naar zichzelf en naar de wereld om hen heen. Dat kan gepaard gaan met grote onzekerheid en eenzaamheid. Juist dan mogen ze weten dat Jezus nog dieper door de verlatenheid heen ging.

Met het oog op de kinderen

Heel kinderlijk is de vraag: ‘Waar is oma (de overledene) nu?’ Is ze een sterretje aan de hemel? Vanuit de Bijbel en de catechismus leren we dat we geen sterretje aan de hemel worden, maar dat we in de hemel mogen komen, bij God. En als iemand dan niet in Jezus gelooft? Dat mogen we aan God overlaten. Daar kunnen wij niet over oordelen. Maar wat je wel zeker mag weten is dit: als je in Jezus gelooft, mag je na je dood bij God zijn.

Relevante bijbelgedeelten

Bij de lezing valt te denken aan gedeelten uit het lijdensevangelie. Met name aan Jezus’ gebed in Gethsemane (Mark. 14:32-42 par.) en de gebeurtenissen rond de kruisiging en het sterven van Jezus (Mark. 15:33-37 par.). Verder kan men denken aan Genesis 3:1-3, Romeinen 5, Romeinen 6, Romeinen 8:31-39, 1 Korinthe 15:54-58 en 1 Petrus 3:18-22.

Aanwijzingen voor de leerdienst

Doelstelling

De hoorders weten na de behandeling van dit gedeelte uit de HC dat het Evangelie ons zoekt in onze diepste angsten en diepste nood. Christus is werkelijk bij ons gekomen en heeft de diepste diepte doorleden van ons mens-zijn – een diepte waar wij niet hoeven komen. Voor de Zijnen heeft Hij de dood tot een doorgang naar het leven gemaakt.

Homiletische aanwijzingen

Om te voorkomen dat de preek een theoretische verhandeling wordt, kan de predikant overwegen om te beginnen met de vragen waar hij tegenaan loopt in zijn pastoraat. Bijvoorbeeld bij het plotselinge sterven van een moeder. Een rouwdienst moet voorbereid worden, de achterblijvende echtgenoot en de kinderen moeten begeleid worden. Wat zeg je tegen de kinderen? Welke woorden heb je voor de weduwnaar? Wat kun je zeggen op de vraag waar mama nu is? En hoe troost je, als in de jaren na haar sterven de eenzaamheid, het verdriet en het gemis het leven tot een hel maken? Een inzet als deze zal de nodige behoedzaamheid van de predikant vragen. Op deze wijze kan goed recht gedaan worden aan de pastorale toonzetting van de HC. Zo wordt direct duidelijk dat de leerdienst niet een zaak is voor rationalisten, die precies willen weten hoe alles zit. Het gaat om troost: via ons verstand wordt het aangevochten hart bij het Evangelie gebracht. Laat dit tijdens de preek steeds uitkomen.

Troost hebben wij steeds weer nodig, ook wanneer we het Evangelie kennen. Misschien wel: juist omdat we het Evangelie kennen (2 Kor. 1:3-7). Kijk maar naar de vraag uit de catechismus. Gods heilswerk roept de vraag op: Waarom wij dan nog? Waarom mijn vrouw, mijn man? Er klinkt ook onzekerheid in door: Is het heilswerk van Christus wel afdoende? Als de dood immers het loon op de zonde is en de zonden zijn mij vergeven – waarom moet ik dan nog sterven? (Vgl. 1 Tess. 4:13 vv., waar in zekere zin ook deze vraag speelt.)

Het antwoord maakt duidelijk dat het karakter van de dood voor de christen voorgoed veranderd is (1 Kor. 15:55). Christus heeft de dood tot doorgang naar het leven gemaakt. Ondertussen maakt het feit dat wij moeten sterven duidelijk hoe diep de zonde doorwerkt. Slechts door het sterven komen we werkelijk vrij van deze door zonde gestempelde wereld.

Ondanks dat we dit weten, blijft het sterven van iemand die ons lief is heel moeilijk. Want al weten we haar of hem geborgen, wij moeten zonder haar of hem verder. Een pastor zal vanuit zijn gemeente weten wat dat met mensen doet: eenzaamheid, verdriet, depressie, angst. Het mooie is dat het Evangelie niet alleen een troost is bij het sterven, maar ook in het leven (HC 1). Wij zijn van Hem – en Hij zorgt voor ons. Dat komt uit in het bijzondere antwoord 44. De catechismus kiest bij dat antwoord een opvallende inzet: het gaat niet allereerst over Christus en wat de nederdaling ter helle precies geweest is, maar over mij en mijn diepe nood. Dit is de plaats om een lijn naar het avondmaalsformulier te trekken: Hij werd van God verlaten toen Hij riep: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten’ – opdat wij nimmer door God verlaten zouden worden, maar eeuwig in genade aangenomen.

Zo heeft de kerk bij het sterven en bij het verdriet woorden van een diepte die je elders vergeefs zoekt. Woorden vol kracht, die zicht op ons leven en sterven geven – zicht dat moed geeft. Er zullen verschillende mensen onder het gehoor zitten die moeite hebben deze moed te vinden – of klassieker gezegd: moeite hebben zich deze moed toe te eigenen. Het is van belang om aan het slot van de preek op deze vragen in te gaan, en op te roepen tot gehoorzame instemming met de woorden van de apostel: niets zal ons kunnen scheiden van de liefde Gods welke is in Christus Jezus (Rom. 8:39)! Hij belooft eeuwig leven aan de Zijnen – een leven gestempeld door Zijn aanwezigheid. Een leven zoals God het bedoeld heeft.

Met het oog op de tieners

Om tieners aan te spreken kunt u kunnen inzetten met de vraag: ‘Als ik zeg “dood”, wat zijn de eerste drie dingen of mensen die bij je opkomen? Waarschijnlijk zijn het heel verschillende dingen. Maar één ding zullen al die gedachten gemeen hebben, namelijk dat ze met verdriet en angst te maken hebben. Bij het woord “dood” krijg je geen fijne gevoelens. Je hoort weleens zeggen: “de dood hoort bij het leven”, maar dat is niet waar. De dood is erbij gekomen. Als straf op de zonden. Daardoor is de dood voor ieder mens het einde. Maar door Jezus is het ook een begin geworden. Misschien dacht je net bij het woord “dood” ook even aan Jezus. Jezus stond op uit de dood. En hoe bang of verdrietig je ook bent, of misschien angstig voor de dood, je mag zeker weten dat je er niet alleen voor staat. Jezus ging en gaat je voor. Maar vergeet ook nooit dat zonder Jezus de dood niet te overwinnen is.’

Met het oog op de kinderen

‘Spelen jullie weleens “oorlogje”? Met nep-pistolen? Als je dan geraakt wordt, moet je op de grond gaan liggen. Maar gelukkig is het een spel, want even later spring je weer overeind en doe je gewoon weer mee. In een spel kan dat, maar in het echte leven niet. Als er iemand doodgaat, dan kan die niet even later weer meespelen. Dood is dood. Dat is heel verdrietig. Maar weet je wat Jezus gedaan heeft? Hij ging ook dood, maar Hij kon wel weer opstaan. Daar zorgde God Zijn Vader voor. Jezus is sterker dan de dood. En als jij in Jezus gelooft, zal Hij ook jou door de dood heen helpen. Dan mag je ook weer opstaan. Niet zoals in het spelletje hier op aarde, maar je mag opstaan in de hemel en voor altijd bij God zijn.’

Pastorale aanwijzingen

Wie vandaag de dag de HC aan de orde stelt in een dienst, begint voor veel van de hoorders met een achterstand. Juist voor hen kan de vrijheid in de omgang met de traditie waar de HC in deze twee vragen en antwoorden blijk van geeft, een toegang zijn tot de HC en zo de weg openen naar een eigen, dankbare omgang met de (gereformeerde) traditie. De eerste vraag doorbreekt de gewone gang van de behandeling van het credo, terwijl het tweede antwoord een heel ander antwoord geeft dan tot dan toe gegeven werd.

In het diepe duister van eenzaamheid en depressie waar verschillende hoorders mee worstelen – hetzij in eigen leven, hetzij in het leven van een partner – kan op grond van deze Zondag een nieuw licht op het leven gegeven worden. De werkelijkheid die hier verkondigd wordt, kan een aansporing zijn om in de duisternis te zoeken naar de kleine lichtpuntjes die er moeten zijn. Het zal van de prediker echter veel zorgvuldigheid vragen om niet te bagatelliseren, maar werkelijk te troosten. Juist omdat tijdens een depressie God meer een vraag dan een antwoord is, moet de prediker zich hoeden voor te snelle oplossingen.

Met het oog op de tieners

Wat het spreken over de hel in relatie tot jongeren betreft: onder jongeren is eenzaamheid een toenemend probleem. Onder andere het cyberpesten kan diepe sporen trekken en zelfs tot zelfmoord leiden. Onderschat de gevoelens van eenzaamheid van pubers niet! In een wereld waarin je continu in contact met anderen staat, is weinig echte communicatie. Eenzaamheid en depressie onder jongeren nemen – getuige recente onderzoeken – toe. De constante druk van de sociale media waar grote nadruk ligt op het uiterlijk en indruk maken, is voor veel jongeren te zwaar. Daarbij zijn jongeren in de tienerleeftijd bezig zichzelf te vinden. De onzekerheid en eenzaamheid die daarmee gepaard gaan, worden vaak verborgen onder een waas van stoerheid. Van de prediker – die ook op de preekstoel pastor is! – zal het een behoedzame benadering vragen, waarbij de jongere merkt dat hij begrepen wordt – maar dat niet alleen: ook werkelijk verder gebracht wordt met zijn vragen.

Daarnaast moet de prediker beseffen dat er ook jongeren zijn die de dood als ‘oplossing’ zien voor hun problemen of eenzaamheid. Laat in de preek duidelijk doorklinken dat de dood, in Jezus, een doorgang naar de eeuwige vrede mag zijn. Maar waarschuw de jongeren voor een zelfgekozen dood. De dood is nooit een oplossing voor de diepste problemen in dit leven. De Enige die in de diepste problemen naast de jongeren kan staan is Jezus, die Zelf door de hel ging. Bemoedig de jongeren om met hun vragen naar Jezus te gaan, of iemand te zoeken die hen op Jezus kan wijzen.

Met het oog op de kinderen

Vanaf een jaar of acht, negen gaan kinderen beseffen dat het leven eindig is. Dit kan zich uiten in angst als iemand weggaat (‘Komt papa nog wel terug?’), of angst om te gaan slapen (‘Word ik wel weer wakker?’). Het is goed om dit te benoemen. ‘Dit is heel gewoon. En die angst mag je ook best hebben, want de dood maakt alle mensen onzeker en bang.’ Maar boven alles moet steeds weer benadrukt worden dat Jezus de enige is die door de dood en door alle angst heen bij ons is en altijd bij ons zal blijven.

Liturgische aanwijzingen

  • Psalm 16, 22, 103.

  • Liedboek voor de kerken Gezang 169, 173, 177, 189, 446.

Helpende vormen

De predikant kan vragen om te letten op het gebruik van het woord ‘hel’ in het tegenwoordige spraakgebruik: ‘de hel van ’63’, maar ook ‘de hel van Verdun’. Zo kan een aantal rampen benoemd worden – om dan duidelijk te maken dat het diepteperspectief dat de HC aanreikt, in zulk taalgebruik ontbreekt. De hel is daar waar God niet is – en dat kan van onze wereld gelukkig niet gezegd worden.

Een rechtstreekse benadering is om te vragen of en hoe de hoorders voorbereid zijn op het eigen sterven, dat immers heel plotseling kan komen (denk aan de ramp met vlucht MH-17 van juli 2014). Weten nabestaanden dan waar we ons houvast gezocht hebben? Weten zij welke Psalmen en liederen we bij een begrafenis graag gezongen willen hebben? Juist in de kerk kan deze vraag vanuit een zekere rust aan de orde gesteld worden. En als de vraag onrustig maakt, is dat aanleiding voor verder vragen – en wijzen op de troost van antwoord 42. Dat laatste is van groot belang om zo weg te blijven uit de sfeer van bangmakerij.

Met het oog op de tieners

Vaak wordt bij het open graf het ‘U zij de glorie’ gezongen. Lees het lied voor (of zing het met elkaar). ‘Welk gevoel krijg je bij dit lied? Waarom zouden mensen dit juist bij het open graf willen zingen? Is dat zingen tegen beter weten in of zingen in vol vertrouwen op de overwinning van Jezus op de dood? Soms moeten we het onszelf ook toezingen: Jezus overwon de dood!’

Met het oog op de kinderen

Maak van rood papier een hart waarop op de ene kant ‘God’ en op de andere kant ‘mens’ staat. Zo was het toen God alles gemaakt had. God en mens leefden in liefde samen. Maar door de zonde ging het mis (scheur het hart doormidden). God en mens zijn gescheiden. En daartussen is de dood gekomen. Niemand kan nu bij God komen, want niemand is sterker dan de dood. Alleen God Zelf. Daarom kwam Jezus. Hij heeft de dood overwonnen en een weg door de dood gemaakt (leg een kruis tussen de twee helften van het hart). Alleen via die weg, via het kruis kunnen wij weer bij God komen. ‘Leer de volgende zin maar uit je hoofd: De dood is niet weg, maar er is een Weg door de dood!’

Literatuur

  • J.H. van de Bank e.a. (red.), Kennen en vertrouwen. Handreiking bij de prediking van de Heidelbergse Catechismus. Zoetermeer, 1993, p. 138-144 en 145-150.

  • G. van den Brink en C. van der Kooi, Christelijke dogmatiek. Een inleiding. Zoetermeer, 2012. (CD)

  • Grillmeier, Jesus der Christus im Glauben der Kirche. Band 1: Von der Apostolischen Zeit bis zum Konzil von Chalcedon (451). Freiburg/Basel/Wien, 2004, p. 179-182.

  • J.N.D. Kelly, Early Christian Creeds. Third Edition. London/New York, 2006, p. 378-383.

  • Calvijn, Institutie II.16.8-1.

  • A.A. van Ruler, Ik geloof. De twaalf artikelen van het geloof in morgenwijdingen. Nijkerk, 1972, p. 98-102.

  • J.C. Schuurman, ‘Geloven in hemel en hel’, in katern 13 bij de Waarheidsvriend 38, 19 september 2014. Uitgave van de Gereformeerde Bond in de PKN, Apeldoorn.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken