Adem, lichamelijkheid en zingen
In Deventer rijdt op speciale dagen om toeristen te vermaken nog wel eens een stoomlocomotief over de spoorbrug. Uit de verte hoor ik dan de schorre roep van de stoomfluit, zo’n ongecontroleerde tweeklank die het gevolg is van het laten ontsnappen van lucht uit een vat waarin de druk door verhitting aardig is opgelopen. Over dit mechanisme van lucht die onder hoge druk door een nauwe ruimte wordt gedreven met klank als gevolg gaat het hier. Alleen: de lucht is nu adem, de druk is die van een lichaam van vlees en bloed en de klank is de menselijke stem. Ik vraag me af welke bemiddelende rol de adem heeft bij het samen zingen in de kerk en daarbuiten. En die sensatie van opgetild worden tijdens het samen zingen die soms optreedt, is dat een begeestering, een belichaamd worden, het losslaan van een kracht die van God is?