11.1. Sterven: winst en verlies
Zie ook
Heidelbergse Catechismus
Vraag 42: Nu Christus dan voor ons gestorven is, hoe komt het dat ook wij moeten sterven?
Antwoord: Onze dood is geen betaling voor onze zonden, maar alleen een afsterven van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven.
Vraag 57: Welke troost schenkt u de opstanding van het vlees?
Antwoord: Dat niet alleen mijn ziel na dit leven terstond tot Christus, haar Hoofd, opgenomen zal worden, maar dat ook mijn lichaam door de kracht van Christus opgewekt, weer met mijn ziel verenigd en aan het verheerlijkt lichaam van Christus gelijkvormig zal worden.
Opmerking: Het tweede gedeelte van antwoord 57 wordt behandeld in schets 11.3.
Relatie van het thema tot het hoofdthema
Sterven is het laatste in ieders leven zolang de wederkomst van Christus uitblijft. Het is een verlies voor wie geliefden moeten missen. Het is winst voor de gelovige: thuiskomst in het Vaderhuis. Waarbij de vraag bovenkomt: Hoe en waar zijn wij in de tijd tussen sterven en opstaan?
De leefwereld van de hoorder
Eeuwenlang had in Europa de kerk het alleenrecht van spreken op het terrein van de dood. Dat is de laatste eeuw snel veranderd. Bij de naderende dood richten velen zich niet meer tot de kerk maar alleen nog tot de medische wetenschap. Hoewel medici niet expliciet getuigenis afleggen van hun opvatting van leven en dood, blijkt uit hun rol dat het leven hier en nu alles is en dat er met het leven na de dood niet wordt gerekend. (Al zijn er uitzonderingen; zie bijvoorbeeld Pim van Lommel, Eindeloos bewustzijn. Een wetenschappelijke visie op de bijna-dood ervaring. Kampen, 2007.) Is de waarde van dit leven voor de betreffende persoon zonder zin, dan mag de arts onder voorwaarden euthanasie toepassen en de deur naar hulp bij zelfdoding staat ook op een kier. Het mensbeeld is daarbij ingrijpend aan het schuiven gegaan. Vroeger werd aangenomen dat elk mens uit twee delen bestaat: het sterfelijke lichaam en de onsterfelijke ziel (dualisme). Stierf het lichaam, dan bleef de ziel leven en ging naar de hemel of de hel. Het huidige mensbeeld gaat uit van de eenheid van ziel en lichaam (holisme). Als de mens sterft, dan sterven beiden. De ziel kan niet buiten het lichaam bestaan. Blijft hier nog wel ruimte voor een leven na de dood?
Het vacuüm dat door het terugtreden van de kerk ontstaat, wordt gevuld met een wildgroei aan nieuwe rituelen en gebruiken. Onder dit alles dringen zich andere visies op het leven na de dood op.
Met het oog op de tieners
De tienerwereld met zijn gedreven romantiek is even vatbaar als huiverig voor de doodsvraag. In muziekstijlen als gothic (met de bijbehorende kledingcultuur) wordt daarmee gespeeld. Van horrorfilms wordt griezelend genoten. Bij ziektes als anorexia of borderline staan de doodsvragen achter de deur te wachten. De laatste jaren is het niet vreemd telkens weer een catechisant te treffen die daaronder lijdt. Studerende jongeren komen in aanraking met het gedachtegoed van Dick Swaab en de zijnen: wij zijn ons brein en dood is dood.
Met het oog op de kinderen
Voor kinderen kan de dood iets zijn wat in hun spel een heel gewone rol speelt: ‘Ik heb je geraakt, jij bent dood’ (oorlogje spelen). In hun omgeving kunnen ze de gedachte tegenkomen dat een gestorven familielid nu een ster aan het firmament is… De dood wordt zo gewoon mogelijk gemaakt!
Maar ook bij deze doelgroep kunnen heftige vragen bovenkomen als ze in hun directe omgeving met de dood worden geconfronteerd: van de hamster tot opa. Van het grafje in de tuin voor het huisdier tot de eerste begrafenis van opa of oma. Iemand die ze goed kenden valt definitief weg uit hun gezichtsveld en belevingswereld. Een emotionele aardbeving. Waar is opa nu? Daarnaast is er de wereld om hen heen die zich via de media en het steeds commerciëlere Halloween aan hen presenteert. Welke visie op leven en dood worden daar meegedeeld? Het folkloristische spelelement waarin Halloween verpakt wordt, kan niet verbloemen dat het uitgangspunt is dat de geesten van de doden rondzwerven op straat en opnieuw bezit proberen te nemen van mensen. Om dit te voorkomen worden de pompoenmaskers gedragen. (Voor meer informatie: Wikipedia)
Uitleg
Waarom moeten wij nog sterven? Christus’ dood was immers een betaling voor de zonde? In vraag 42 horen we twee dingen terug. Ten eerste: Heeft Jezus met Zijn dood wel echt alles afbetaald? Of blijft er een restant aan schuld over die ik alsnog moet betalen? Was het niet logischer geweest als de Zijnen zonder dood en graf, net als Henoch en Elia in de hemel waren opgenomen? Ook christenen moeten sterven. En de twijfel plaagt ons of wij toch niet in het uur van onze dood op de zonde worden afgerekend. Uit die vraag blijkt ten tweede de huiver voor de dood. Voor het uur van de dood, voor het oordeel, voor angst en pijn, voor de vluchtigheid van het leven (zie Ps. 90). We blijven mens. De generatie van de wederkomst zal dit overslaan.
In het antwoord is de HC helder: onze dood is geen betaling voor de zonden. Punt uit. Schuld en zonde maken de dood tot een oordeel. Jezus heeft de rekening betaald. Op de rekening staat geen enkele schuld meer. De gelovige slaat dit hoofdstuk over.
Maar wat is de dood dan wel voor de gelovige? Jezus heeft door Zijn dood onze dood van karakter veranderd. Zij is ‘alleen’ een afsterven van de zonde en een doorgang tot het eeuwige leven. ‘Alleen’, slechts, niet meer dan. Dat ‘alleen’ lijkt het te bagatelliseren. Maar naar het woord van Ireneus: Gode zij dank, de zonde is niet onsterfelijk. Er klinkt de triomf van Golgotha in door. Betaling voor de zonde heeft de huiver van het oordeel. Maar het afsterven van de zonde heeft de vreugde van de overwinning.
Toch zit hier een spanning, die kenmerkend is voor het christelijk leven tussen hemelvaart en wederkomst, tussen het moment dat we tot geloof komen en onze dood. De gelovige is met Christus gestorven, begraven en opgestaan. We geloven dat de oude mens met Jezus in het graf verdwijnt. Dat is de taal van het geloof. En dat geloven wordt aanschouwen op de jongste dag. Dan delft de oude mens definitief het onderspit. Maar tot die tijd zijn en blijven we zondaar. Vanaf het moment dat we Jezus leren kennen, zijn we kind van God en zondaar tegelijk. Paulus tekent dit spanningsveld in Romeinen 6 en 7. De spanning van het ‘reeds’ en het ‘nog niet’. Als we sterven, dan zijn we eindelijk van de zonde af. Bekering is afsterven van de oude mens en opstanding van de nieuwe mens (v/a 88, 89, 90). We haten en ontvluchten de zonde en belijden haar met berouw. Bij het sterven wordt de bekering voltooid, dan wordt de strijd overwinning.
Het tweede dat Jezus aan het karakter van onze dood verandert, is dat zij een poort naar het eeuwige leven wordt. Er valt hemels licht over de dood van de gelovige. Engelen dragen Lazarus in de schoot van Abraham (Luk. 16:22). De rechtvaardigen stralen als de zon (Mat. 13:43). De dood is geen muur maar een poort. Deze verandering is uitsluitend het werk van Christus. ‘Heden zult u met Mij in het paradijs zijn,’ zegt Jezus tot de moordenaar aan het kruis.
Als we door de poort van de dood het eeuwige leven binnengaan, wat komen we dan tegen? Op de vraag naar de opstanding van het vlees klinkt het antwoord in vraag 57: Dat niet alleen mijn ziel na dit leven terstond tot Christus, haar Hoofd, opgenomen zal worden, maar ook mijn lichaam door Zijn kracht wordt opgewekt. Na de dood van de gelovige is de ziel bij Christus. Hoe komt ze daar? Zij wordt opgenomen! Het is geen actie die de onsterfelijke ziel in eigen kracht onderneemt. Dit is dus niet afhankelijk van de onsterfelijkheid van de ziel. Lichaam en ziel zijn beide aan het oordeel van de dood onderworpen, en sterven beide. De ziel ontkomt daar niet aan. Paulus zegt over God: ‘Hij Die als enige onsterfelijkheid bezit en een ontoegankelijk licht bewoont’ (1 Tim. 6:16).
Uit het antwoord van de HC vallen twee dingen te distilleren. Ten eerste wordt de gemeenschap met Jezus, die de gelovige in het leven heeft, door de dood niet onderbroken. Niets kan ons van Zijn liefde scheiden. Deze voortgaande gemeenschap dankt de gelovige niet aan de onsterfelijkheid van de ziel, maar aan God die haar opneemt. In de Evangeliën wordt gesproken over de dood als slaap. Bijvoorbeeld bij het dochtertje van Jaïrus: ‘Jezus zei: Huil niet; zij is niet gestorven, maar zij slaapt’ (Luk. 8:52). En bij Lazarus: ‘Lazarus, onze vriend, slaapt, maar Ik ga naar hem toe om hem uit de slaap op te wekken. Zijn discipelen dan zeiden: Heere, als hij slaapt, zal hij gezond worden’ (Joh. 11:11-12). De dode lijkt op een slapende, en God is bij machte hem op te wekken uit de dood, zoals wij een kind wekken uit de slaap. Voor God is de dood een slaap. Maar de HC wil in navolging van Calvijn niet weten van een zieleslaap tussen dood en opstanding. Het belangrijkste is dat we na de dood bij Christus zullen zijn. Volgens Calvijn is het onmogelijk dat de gemeenschap die wij door het geloof met Christus hebben, door de dood wordt onderbroken of op een laag pitje gezet. Hij is trouwens bang dat als de ziel na dit leven slaapt, zij ook in dit leven slaapt. Hij wil geen slaperige heiligen, maar gelovigen die ijverig zijn in goede werken. (Voor wie zich hier nader in wil verdiepen: zie C. van der Kooi, Als in een spiegel, p. 64 vv., en CD, hoofdstuk 7.)
Ten tweede wordt niet alleen de ziel opgenomen, ook het lichaam wordt opgewekt en met de ziel herenigd. De mens is een eenheid van ziel en lichaam. Een eenheid die door de dood slechts tijdelijk gescheiden wordt. Wij blijven met Jezus in de hemel verbonden. De mens als ziel is bij Christus. Zoals Christus ook nooit het lichaam in het graf loslaat. De volle zaligheid breekt aan als de opstanding der doden plaatsvindt. In die zin kun je de hemel zien als een wachtkamer, een tijdelijke verblijfplaats, in afwachting van de jongste dag. Daarom roepen de zielen onder het altaar: ‘Heere, hoe lang nog?’ (Op. 6:10). Christus is verbonden met de gelovige naar lichaam en ziel. Alles wat Christus bij Zijn menswording heeft aangenomen, wordt verlost. (Zie KV, p. 142-144. Voor een andere opvatting zie preekschets 11.3; W. Markus volgt daar de exegese van dr. T.E. van Spanje van 2 Korinthe 5:1-4. Voor een overzicht van de vragen rond dualisme en onsterfelijkheid van de ziel, zie G.C. Berkouwer, Dogmatische Studiën, p. 259-310.)
Relevantie van het thema
Zowel Calvijn als de opstellers van de catechismus leefden in een tijd dat de opvatting van de onsterfelijkheid van de ziel algemeen gangbaar was. En waarschijnlijk hebben zij die als noodzakelijk gezien voor de bijbelse opvatting over het hiernamaals. Maar de ziel wordt na de dood door Christus opgenomen en door de engelen in het paradijs gedragen. Dat doet de ziel niet op eigen kracht en niet krachtens haar onsterfelijkheid. Daarom is de bijbelse opvatting van het eeuwige leven niet afhankelijk van dit dualisme. Wel is het van groot belang, dat als wij meegaan met de gedachte van de onsterfelijkheid van de ziel, we vasthouden aan de opstanding van het vlees. Die mag niet in het vergeetboek raken omdat door de onsterfelijkheid van de ziel, alle nadruk valt op de hemelse gemeenschap van Christus met de ziel.
De moderne, holistische opvatting is dat ziel en lichaam een eenheid vormen, en zonder elkaar niet kunnen bestaan. Je zou de hereniging van ziel en lichaam bij de opstanding der doden zelfs als een bevestiging van dit holisme kunnen zien. Aan de andere kant neigt dit holisme in het spoor van Dick Swaab en de zijnen naar ‘dood is dood’. Als wij op eigen kracht leven is dat waar. Maar vanuit Christus geldt dat Hij de ziel opneemt en het lichaam bewaart om het te zijner tijd te herenigen.
We moeten af van de gedachte dat de onsterfelijkheid van de ziel christelijker zou zijn dan het holisme. Beide reiken taal aan om het bijbelse geheim te verwoorden. Maar ze kunnen beide ook tijdbommen aanreiken die het bijbelse geheim doen imploderen!
Met het oog op de tieners
De veelvoorkomende gedachte dat het met de dood afgelopen is, geeft aan tieners weinig perspectief. Welke betekenis heeft ons leven als het toch voor iedereen eindigt met een rottingsproces in de aarde? Tegen die achtergrond is het bijzonder dat de HC daar ver bovenuit wijst. Voor God zijn we zó waardevol dat Hij ons leven (ziel én lichaam) na de dood wil opnemen tot Christus. Het troostende daarvan mag voor tieners in deze preek benadrukt worden.
Ondertussen moet niet vergeten worden dat dit geloofsfeit in de wereld totaal geen rol speelt. Het is dus begrijpelijk als tieners zich soms afvragen: ‘Zou dat nou echt zo zijn?’ Het is goed om dit in de preek te verwoorden. Waarbij we vervolgens niet moeten proberen om dit geloofsartikel aannemelijk te maken. Wel kunnen we erop wijzen dat het geloof er altijd rekening mee houdt dat er meer mogelijk is dan wij kunnen begrijpen.
Met het oog op de kinderen
Juist kinderen kunnen heel lijfelijk en materieel denken en voelen. Het idee dat een dood lichaam verteert in de aarde, maar de ziel tegelijkertijd in de hemel is, roept grote vragen op: ‘Kan opa mij ook zien, als hij bij Jezus in de hemel leeft? Leven de zielen met ons mee? Herkennen wij elkaar als wij in de hemel komen? Komt mijn lievelingsdier in de hemel, of zijn daar alleen mensen?’
Ook hiervoor geldt dat onze bevredigende antwoorden het geloof in het eeuwige leven niet kunnen bevorderen. Zeg maar dat opa in de hemel is, maar zijn lichaam in het graf beneden in de aarde. Dit roept minstens evenveel nieuwe vragen op als ze beantwoordt. Ondanks Halloween zwerven de zielen niet als dwaallichtjes op zoek naar onderdak. Na de dood zijn ze onderdak bij Christus. Ook het lichaam in de aarde bewaart Jezus in Zijn Hand tot de jongste dag. Het gaat hier ten diepste om het geloof in Jezus Christus. Van Hem hangt alles af.
Evenals tieners kunnen ook kinderen zich afvragen of het ‘nou echt zo is’. Bij hun vriendje wordt op een heel andere manier over het sterven van opa gesproken.
Relevante bijbelgedeelten
Wordt er in het Oude Testament al gesproken over het leven na de dood? Psalm 30 lijkt dat te ontkennen. Psalm 73, Job 19:25, Jesaja 25 en Ezechiël 37 wijzen in de richting van het leven na de dood, hoewel ze de huiver voor de dood eerlijk verwoorden. Zie ook de Joodse belijdenis van Maimonides waar de opstanding der doden expliciet wordt beleden (www.kerkenisrael.nl/vrede-over-israel/voi43-5b.php). In het Nieuwe Testament vallen de opwekkingsverhalen van het dochtertje van Jaïrus en Lazarus op, waarin gesproken wordt over de dode die slaapt. Daarnaast is Mattheüs 22:23-33 heel belangrijk en veelzeggend over hoe Jezus ten aanzien van dit punt tegen het Oude Testament aankijkt. Zie ook Lukas 24:27. Voor de lijn van de HC is vooral van belang dat we na onze dood bij Christus zijn. Dat geldt voor de ziel en dat geldt ook voor het lichaam in de aarde. Wachtend op de opstanding (zie 1 Thess. 4:13-16, Rom. 8:31-39, Filp. 1:23).
Aanwijzingen voor de leerdienst
Doelstelling
Na de dienst beseft de gemeente dat in de mêlee van opvattingen over het hiernamaals, de troost voor de gelovige is: eens met Christus, altijd met Christus.
Homiletische aanwijzingen
Ga er maar van uit dat onder gemeenteleden vele opvattingen en vragen leven op dit punt. Hoewel uiteraard het geloof in de opstanding een plaats zal hebben, lift de gemeente toch ook gewoon mee op de tijdgeest. En vaak meer dan ons lief is. Het kan goed zijn bepaalde dingen te verhelderen: zoals de onsterfelijkheid van de ziel, waaraan sommigen hun hele geloof in het hiernamaals ophangen. Of Halloween, dat het onbestemde gevoel versterkt dat de dode zielen om ons heen zijn en rondzwerven in onze straten. Aan de andere kant moet u wel goed weten wat u overhoop haalt. Wie dit breed uitmeet in de preek, kan alle aandacht wegzuigen en sterk op de verbeelding of zelfs de sensatiezucht werken. U moet de ruimte voor het Evangelie niet minimaliseren. Begin met de eenvoudige vraag: waar zijn onze doden na het sterven? Dat herkent iedereen, van jong tot oud. En op die vraag trachten allerlei moderne visies een antwoord te formuleren. Dat herkent het kind dat voor het eerst een begrafenis meemaakt, dat herkent de tiener die in zijn romantiek griezelt bij de dood, dat herkent de volwassene die geen raad weet met het sterven. Er is dan altijd nog gelegenheid om vanuit de positieve verkondiging dat we na de dood met Jezus zijn, moderne varianten onder de loep te nemen. En verder lenen kringen en catechese zich heel goed om op die visies in te gaan.
-
De preek kan beginnen met de vraag: Waar zijn onze doden? Er zijn vast wel vragen die in het pastoraat of op de catechisaties of op de jeugdclubs gesteld worden, die u hier kunt noemen. Dat versterkt de herkenbaarheid en verhoogt ook het pastorale karakter van de prediking. Elke preek moet pastoraal zijn, maar dat het hier nauw luistert zal elke homileet moeten beseffen.
-
Waarom sterft een christen? Is dat omdat hij betalen moet? De dood is geen betaling voor de zonde. De zonde is de angel van de dood. Zolang die zijn macht behoudt, blijft het oordelende karakter van de dood. Maar Christus heeft betaald. Zijn lijden is volmaakt en behoeft geen nabetaling van onze kant. Volgens 1 Korinthe 15:51-52 zullen zij die bij Christus’ komst in leven zijn, de dood niet zien. ‘Zie, ik vertel u een geheimenis: Wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, bij de laatste bazuin. Immers, de bazuin zal klinken en de doden zullen als onvergankelijke mensen opgewekt worden, en ook wij zullen veranderd worden.’
-
Waarom sterft de christen dan wel? Jezus heeft het karakter van de dood totaal veranderd. ‘Nu jaagt de dood geen angst meer aan…’ Zij is het afsterven van de zonde en de doorgang tot het eeuwige leven geworden. Beide zijn met beelden goed duidelijk te maken. Als iemand verdacht van een misdaad sterft, dan wordt zijn rechtszaak geseponeerd. De oude mens is gestorven en begraven met Christus en de rechtszaak is geseponeerd. Wijs op de spanning en blijvende strijd: de oude mens is gestorven met Jezus, maar leeft tegelijkertijd. En hij maakt het ons moeilijk. En zo kan de twijfel bovenkomen, dat we alsnog moeten betalen. Maar de oude mens zal het onderspit delven als we sterven. Als we sterven is de goede strijd gestreden en de overwinning behaald. Doorgang tot het eeuwige leven. Een poort, geen blinde muur. Zijn we in dit leven met Jezus, dan zullen we het straks ook zijn. Dat is de doorgaande lijn, ondanks de enorme breuk die de dood betekent. Eeuwig leven is met Christus zijn. Met name de wijze waarop Johannes over het geloof in Jezus spreekt, kan hier aangehaald worden.
-
Met Jezus zijn, hoe is dat? Of slapen we in het graf? De HC kan zich niet voorstellen dat de relatie met Christus tijdelijk in de koelkast wordt gezet. Daarom interpreteert zij de woorden over de slapende doden en ontslapen niet als zieleslaap. Niets kan ons van Christus’ liefde scheiden.
-
Zet dit eens naast de moderne varianten die op ons afkomen, voor zover u dat van belang vindt en het in de gemeente leeft. We zijn niet afhankelijk van theorieën over de onsterfelijkheid van de ziel. We zijn afhankelijk van Christus.
Met het oog op de tieners
Voor tieners zou het mooi zijn als een getuigenis in de preek verwerkt kan worden van een jongere die wist dat hij na zijn sterven naar Jezus zou gaan – en die kort daarna ook is overleden.
Met het oog op de kinderen
Tijdens de dienst kan de vraag gesteld worden: ‘Wat denken jullie, jongens en meiden, kan je overleden opa jou zien? Vingers omhoog voor ja, vingers omhoog voor nee.’ En/of: ‘Weet jouw oma, van wie je gelooft dat zij in de hemel is, van jou af?’ Uiteraard moet in de preek dan wel naar antwoorden gezocht worden; en als die niet te geven zijn, mag dat het antwoord zijn.
Pastorale aanwijzingen
Met wie kun je tegenwoordig nog praten over je vrees voor de dood? Alles wordt vertaald in medische mogelijkheden. Zijn die er niet meer, dan is er de euthanasie. De Bijbel ziet de werkelijkheid van de dood onder ogen. Maar het licht dat Christus hierop laat schijnen, verandert onze visie. Kom met voorbeelden en verhalen die laten zien hoe de christelijke gemeente de dood als winst ziet.
Met het oog op de tieners
Zelfdoding is in de jongerenwereld geen onbekend fenomeen. Menig tiener loopt zélf wel eens met suïcidale gedachten. Het is heel goed mogelijk dat tieners een schoolgenoot kennen die zelfdoding heeft gepleegd. Dat maakt op tieners erg veel indruk. Het is belangrijk om u bij de voorbereiding van de preek af te vragen of dat voor de jongeren in uw gemeente geldt (doe er eventueel navraag naar bij een tienerleider).
Met het oog op de kinderen
Zie onder Relevantie bij ‘
Liturgische aanwijzingen
Er is een opvallende overvloed aan liedkeuze op dit punt. In rouwdiensten zijn het ook vaak de gebeden en liederen die troosten. Het kan geen kwaad om ‘toppers’ uit de rouwdienst (die we vaak alleen daarvoor reserveren!) in een dienst als deze te zingen:
-
Psalm 42, 43, 73, 89, 91, 139 enzovoort.
-
Liedboek voor de kerken Gezang 14, 293, 295, 299, 300, 392.
-
Op Toonhoogte lied 331, 332.
Helpende vormen
Een samenvatting van de preek op papier of beamer vergemakkelijkt het gericht luisteren. Een gemeenteavond over dit thema kan ook geen kwaad. Al is het maar om er op aan te dringen dat de wensen rondom sterven en begraven goed worden vastgelegd. Het komt regelmatig voor dat kinderen die niet zo veel met de kerk hebben, de speelruimte van de predikant geheel of gedeeltelijk beperken.
Met het oog op de tieners
Laat de tieners voor de dienst een lied uitzoeken dat hen op dit punt raakt; misschien willen ze het zelf toelichten of een verslag maken dat de week daarop in de catechese wordt besproken.
Of vraag via Facebook aan tieners om antwoord te geven op de vraag hoe hun niet-christelijke vrienden (volgens hen) denken over de dood en een (eventueel) leven na dit leven. Wat vinden zij daar zelf van?
Met het oog op de kinderen
Een overleg met de kindernevendienst of catechese kan allerlei materiaal opleveren. Zoals gezegd is een begrafenis voor een kind een emotionele aardbeving. Overleg met mensen die hier ervaring mee hebben is in sommige situaties zeer aan te bevelen.
Vraag aan vijf kinderen een tekening van de hemel te maken (of van een begrafenis of van beide). Scan die in en laat ze als introductie op de preek via de beamer zien. Laat daarna een bijpassend kinderlied zingen.
Literatuur
-
J.H. van de Bank e.a. (red.), Kennen en vertrouwen. Handreiking bij de prediking van de Heidelbergse Catechismus. Zoetermeer, 1993, p. 142-144. (KV)
-
G.C. Berkouwer, Dogmatische Studiën. De mens het beeld Gods, Kampen, 1957, p. 259-310.
-
G. van den Brink en C. van der Kooi, Christelijke dogmatiek. Een inleiding. Zoetermeer, 2012, hoofdstuk 7. (CD)
-
C. van der Kooi, Als in een spiegel. God kennen volgen Calvijn en Barth, Kampen, 2002, p. 64 vv.