< Terug

Abraham en zijn vrouwen

‘Jaag die slavin en haar zoon weg…’

In een bijdrage over Abraham en zijn vrouwen – Sarah, Hagar en Ketura – komen onvermijdelijk de complexe verhoudingen van (familie)relaties aan de orde. Hoewel God de leidende figuur is in de verhalen in Genesis, hebben de menselijke verhaalfiguren door hun handelingen een belangrijk aandeel in het verloop van de gebeurtenissen. In de onderlinge relaties tussen Abraham en zijn vrouwen blijken verschillende thema’s centraal te staan. Zo gaat het onder meer over het patriarchaat, belofte, verbond, compassie en trouw.

Bernice Brijan is docent Bijbels Hebreeuws en PhD-student aan de School of Catholic Theology van Tilburg University.

Sarais onvruchtbaarheid bedreigt de continuïteit van de genealogie.

De genealogische voortzetting bedreigd

Aan de verhalen over Abraham gaat een lange genealogie vooraf. In acht generaties worden de nakomelingen, van Sem tot Abram, weergegeven (Genesis 11,10-26). De eerste zeven generaties vertonen daarbij een patroon. De genealogie kenmerkt zich door stabiliteit, orde en continuïteit. Iets anders gebeurt bij de beschrijving van de achtste generatie. Hoewel de opsomming op dezelfde manier begint als bij de andere generaties, worden vervolgens drie zonen genoemd: Abram, Nachor en Haran. Het is de geschiedenis van Terach en zijn nakomelingen. Haran sterft nog tijdens het leven van zijn vader, maar hij laat een zoon achter: Lot. Er is een toekomst. Ook Abram en Nachor bereiden een toekomst voor door middel van hun huwelijken. Abrams vrouw heet Sarai, Nachors vrouw heet Milka. Waar over Milka geschreven staat dat zij een dochter van Haran was, valt op dat van Sarai geen genealogie gegeven wordt. Wel wordt meteen een tragisch gegeven meegedeeld: ‘Sarai was onvruchtbaar, zij kreeg geen kinderen’ (Genesis 11,30). Dit ogenschijnlijk onoplosbare probleem dreigt het einde te worden van een familiegeschiedenis die nog maar net is begonnen. Sarais onvruchtbaarheid bedreigt de continuïteit van de genealogie. Toch richt het vervolg van het verhaal zich niet op Nachor of op Lot, maar op Abram en zijn vrouw Sarai.

Belofte en verbond

Meteen na het gegeven van Sarais onvruchtbaarheid volgt een passage waarin God tot Abram spreekt: ‘Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat ik je zal wijzen’ (Genesis 12,1). Gods opdracht vraagt van Abram zijn verleden en heden achter zich te laten en op weg te gaan naar een onbekende toekomst, in een ongespecificeerd land. De opdracht lijkt in contrast te staan met Sarais onvruchtbaarheid. Abram staat aan de start van een nieuwe toekomst, maar dreigt geen nakomelingen te krijgen. De opdracht wordt vervolgens versterkt door een belofte: ‘Ik zal je tot een groot volk maken, ik zal je zegenen, een bron van zegen zul je zijn. Ik zal zegenen wie jou zegenen, wie jou bespot, zal ik vervloeken. Alle volken op aarde zullen wensen gezegend te worden als jij’ (Genesis 12,1-2). Het lost de problematiek niet op. Hoe dit grote volk gevormd wordt is niet duidelijk. Hoe kan er een grote toekomst zijn zonder kind? Hoe kunnen de zegeningen vrucht dragen zonder nakomeling? Toch doet Abram wat God hem opdraagt: hij vertrekt uit Charan en laat zijn vrouw niet achter zich, maar hij neemt haar en Lot – de zoon van zijn broer – mee. Het verhaal vervolgt en verschillende gebeurtenissen doen zich voor. Zo trekt Abram naar Egypte vanwege een hongersnood in het land. Als ze Egypte weer hebben verlaten komt er een moment waarop Abram en Lot van elkaar scheiden om ieder hun eigen weg te gaan. Later vindt Abrams overwinning op Kedorlaomer plaats, waarbij Abram Lot bevrijdt. Gedurende al deze gebeurtenissen is er echter geen nakomeling op komst. Abram begint ermee te worstelen. ‘Ik zal kinderloos sterven’, zegt hij tegen God. In een visioen doet God echter opnieuw een belofte aan Abram: dat hij zelf een kind zal verwekken en dat het met zijn nakomelingen zó zal zijn als met de hoeveelheid sterren (Genesis 15,5-6). En opnieuw vertrouwt Abram op God.

Sarais aanzet tot een andere wending

Er gebeurt niets, tot het uiteindelijk Sarai zélf is die aanzet tot handelen. Dit wordt krachtig ingeluid in de eerste twee verzen van hoofdstuk 16. In dit vers wordt de nadruk gelegd op Sarai, die Abram geen kinderen baarde, gevolgd door de mededeling dat zij echter een Egyptische slavin had, Hagar genaamd. Twee vrouwen worden om Abram heen geplaatst: Sarai de Hebreeuwse die getrouwd is, rijk en vrij, maar ook oud en onvruchtbaar. En Hagar, die ongehuwd is, arm en slavin, maar ook jong en vruchtbaar. Het is Sarai die aan Abram voorstelt: ‘Luister, de Heer houdt mijn moederschoot gesloten. Je moest maar met mijn slavin slapen, misschien kan ik door haar nakomelingen krijgen’ (Genesis 16,2). Deze passage vertoont opvallende overeenkomsten met Abrams plan voor Sarai toen zij in Egypte waren. Hierin stelde hij haar aan Farao voor als zijn zus in plaats van als zijn vrouw. Waar Abram zichzelf in Egypte probeerde te redden door Sarai en Farao in zijn plan te betrekken, lijkt Sarai zichzelf hier te willen helpen door Abram en Hagar onderdeel van haar plan te maken. Abram stemt ermee in. Hij ‘hoorde haar stem,’ staat er in het Hebreeuws. Sarai, zijn vrouw, geeft vervolgens Hagar aan Abram tot vrouw (Genesis 16,3). Datgene waarover zo lang spanning bestond gebeurt: Hagar wordt zwanger en Abram zal een nakomeling krijgen. Toch heeft dit niet tot gevolg wat Sarai verwacht. Terwijl Sarai Hagar blijft behandelen alsof ze nog steeds gewoon meesteres en slavin zijn, bekijkt Hagar Sarai nu met andere ogen. ‘Ik heb je mijn slavin ter beschikking gesteld, en nu ze weet dat ze zwanger is toont ze geen enkel respect meer voor mij’, zegt Sarai tegen Abram (Genesis 16,5). Ze houdt hem verantwoordelijk voor de uitkomst van haar plan. ‘Laat de Heer maar beoordelen wie er in zijn recht staat, ik of jij’ (Genesis 16,5). Abram echter laat de keuze aan Sarai, die er op haar beurt voor kiest vast te houden aan de bestaande structuur van meesteres en slavin en Hagar te vernederen.

Hagar ontsnapt en slaat op de vlucht, maar haar vlucht zal niet lang duren: ze ontmoet een engel van de Heer, die haar rechtstreeks aanspreekt en haar opdraagt terug te gaan. Waar Abram zijn verleden achter zich moest laten op weg naar een nieuwe toekomst, wordt Hagar opgedragen haar verleden opnieuw tot haar toekomst te maken. De engel belooft haar daarnaast een ontelbare hoeveelheid nakomelingen. Hagars lot gaat dan ook gepaard met een toekomst van nageslacht, beginnend met haar huidige zwangerschap. De engel bevestigt dit: ze zal een zoon baren en ze zal hem Ismaël noemen, hetgeen ‘God hoort’ betekent. Ja, ‘want de Heer heeft gehoord hoe zwaar je het te verduren had’ (Genesis 16,12). Over Hagars terugkeer en de beproeving onder Sarai vertelt het verhaal vervolgens niet. In plaats daarvan eindigt het met de geboorte van Ismaël. De onvruchtbaarheid van Sarai verleent aan de figuur van Hagar een speciale betekenis: zij is de eerste vrouw in de aartsvaderverhalen die een kind baart.

Sarah en Hagar zijn op hun eigen wijze deel van het verbond, maar met verschillende uitkomsten.

Voortzetting genealogie door Sarai

Als Abram negenennegentig jaar is, verschijnt God opnieuw aan hem om een verbond te sluiten. God belooft een groot nakomelingschap. Om dit moment te markeren wordt Abrams naam veranderd in Abraham en Sarai in Sarah. Waar niemand het meer had verwacht, wordt duidelijk dat alleen Sarah de legitieme erfgenaam kan voortbrengen. Alleen zij kan de genealogie levend houden en geboorte geven aan het kind van het verbond. God belooft dan ook dat hij Sarah zal zegenen en dat zij een kind zal baren, dat Isaak moet worden genoemd. Met hem zal het verbond worden voortgezet (Genesis 17,19). Op een dag komen onbekende mannen langs bij de tent, die aankondigen dat Sarah over precies een jaar een kind zal hebben. De geboorte wordt aangekondigd aan Abraham en niet, zoals eerder bij Hagar, aan Sarah zélf. Sarah echter vangt het op terwijl ze meeluistert, in zichzelf lachend en zich afvragend of dat nog wel zal gebeuren, nu zij al op hoge leeftijd is.

Het is het lachen dat later in het verhaal een opvallende rol gaat spelen. De zoon die Sarah baart wordt door Abraham Isaak genoemd, dat ‘hij lacht’ betekent. Hoewel de naam herinnert aan zowel Abrahams als Sarahs lachen van ongeloof toen zij hoorden dat zij op hoge leeftijd nog een kind zouden krijgen (zie: Genesis 17,17 en Genesis 18,12), geeft Sarah er bij de geboorte een andere interpretatie aan. ‘God maakt dat ik kan lachen. Iedereen die dit hoort zal met mij mee lachen’ (Genesis 21,6). Tegelijkertijd markeert het lachen het begin van een tweede verhaal over Sarah, Hagar en de zonen. Ironisch genoeg zorgt een woordspeling met de naam Isaak in het Hebreeuws voor een probleem. Sarah ziet op een bepaald moment dat de zoon die Abraham met Hagar heeft gekregen spottend lacht (Genesis 21,9). Het zet de onderlinge relaties op scherp. Sarah ervaart dat Abrahams zoon Ismaël bedreigend is voor haar zoon Isaak. In een tweede poging om binnen de patriarchale structuur haar macht te laten gelden zegt Sarah tegen Abraham: ‘Jaag die slavin en haar zoon weg, want ik wil niet dat mijn zoon Isaak later de erfenis moet delen met de zoon van die slavin’ (Genesis 21,10). Opnieuw is het niet Abraham die handelt, maar neemt God een leidende rol. ‘Alles wat Sarah je vraagt moet je doen, want alleen de nakomelingen van Isaak zullen gelden als jouw nageslacht’ (Genesis 21,12).

Hagars verbanning

De volgende dag worden Hagar en haar zoon op het bevel van zowel Sarah als God verbannen. Voor de tweede keer bevindt Hagar zich in de wildernis. Deze keer is het geen vrijwillige vlucht, maar een gedwongen vertrek. Geleidelijk aan worden de gevaren groter. Het water raakt op en het kind dreigt te sterven, waarop Hagar hem onder een struik legt. Ze weent om haar zoon, want ze wil hem niet verliezen. Zoals Ismaëls naam echter al doet vermoeden, roept een engel van God haar uit de hemel toe om mee te delen dat God haar jongen heeft gehoord. Een opdracht en een belofte klinken: ‘Sta op, help de jongen overeind en ondersteun hem. Ik zal een groot volk uit hem doen voortkomen’ (Genesis 21,18). God, die aan de kant van Sarah was, blijkt ook in de wildernis aanwezig bij Hagar en Ismaël. Opnieuw ziet God hen, zoals Hagar ook tijdens haar eerste vlucht al had opgemerkt: ‘U bent een God van het zien’ (Genesis 16,13). Het verhaal vertelt dat Ismaël opgroeit en dat Hagar voor hem een vrouw uit Egypte kiest, zoals zij zelf Egyptisch is. De genealogie kan worden voortgezet.

Een concluderende reflectie

De hierboven beschreven gebeurtenissen zijn de laatste gebeurtenissen voordat Sarah en Hagar uit het narratief verdwijnen. De laatste woorden van de twee vrouwen die worden beschreven zijn opvallend in het licht van de onderlinge relaties. Hagars laatste woorden zijn woorden van tranen. Ze zijn een uiting van het verdriet om haar zoon en geven daarmee een roep om leven weer. Sarahs laatste woorden echter zijn woorden van bevel, waarin ze de opdracht geeft aan Abraham om de slavin en haar zoon weg te jagen. Beide vrouwen spreken hier met het oog op hun zonen en vanuit hun eigen positie. Ze zijn exemplarisch voor de dynamieken die tussen Abraham en zijn vrouwen aan de orde zijn gekomen.

In de relatie tussen Sarah en Hager spelen thema’s als nationaliteit, etniciteit, klasse en de strijd om nalatenschap en land op verschillende manieren een rol. Zo is Hagar van Egyptische afkomst en slavin, terwijl Sarah als halfzus en vrouw van Abraham haar meesteres is. Beide verhaalfiguren representeren een diversiteit in afkomst en positie, waarmee zij een stereotype zijn. Tegelijkertijd zijn zij individuen met eigen rollen. Zo gebruikt Abraham zijn vrouw Sarah om zichzelf te redden, maar gehoorzaamt hij haar ook. Sarah beveelt haar man, gebruikt Hagar en stelt zich beschermend op naar haar zoon. Hagar lijdt door Sarahs wijze van reageren op haar. En op belangrijke momenten in de verhaallijn is het niet Abraham die uit zichzelf handelt, maar Sarah en God.

Hoewel Hagar in de dominante verhaallijn wordt afgewezen en uitgestoten kan de vraag worden gesteld of zij niet in zekere zin bewuster, vrijer en in meer verbondenheid leeft. Zo draagt ze bij aan de voortzetting van de genealogie door een vrouw voor Ismaël uit te kiezen met dezelfde afkomst als zij. Dit terwijl Sarah uiteindelijk zonder aanwezigheid van haar zoon Isaak in Hebron sterft. Het is Hagar bij wie door haar zwangerschap een nieuwe realiteit ontstaat, een werkelijkheid die de tot dan toe bestaande machtsstructuur bevraagt. Daarnaast neemt Hagar vrijheid: eerst door te vluchten, later is ze vrij ondanks haar verbanning. In ieder geval laat de relatie tussen Sarah en Hagar zien dat zij op verschillende manieren een prijs betalen voor de structuur waarin zij leven. Beide vrouwen zijn op hun eigen wijze deel van het verbond, maar met verschillende uitkomsten. Beiden ‘zien’ ze, maar vanuit verschillende perspectieven. Het conflict tussen Sarah en Hagar blijft dan ook onopgelost.

En Abraham? Zijn leven is nog niet voorbij wanneer Sarah en Hagar uit het verhaal verdwijnen. Inmiddels op hoge leeftijd gekomen wordt nogmaals benadrukt dat God hem in alle opzichten had gezegend (Genesis 24,1). En hij blijft gezegend. Het verhaal vertelt dat Abraham voor een derde keer trouwt. Deze vrouw, genaamd Ketura, baart hem nog eens zes zonen (Genesis 25,1-6). Veel informatie over Ketura wordt niet gegeven. Wel wordt zij in 1 Kronieken 1,32 ook genoemd als Abrahams bijvrouw. Ketura en haar zonen worden daarmee op eenzelfde lijn in de genealogie gezet als Hagar en haar zoon Ismaël. De goddelijke belofte dat Abraham de stamvader van een menigte volken zou worden komt tot een vervulling. Uiteindelijk wordt hij zelfs met Ismaël herenigd en wanneer zijn tijd gekomen is wordt hij in aanwezigheid van zijn beide zonen – Ismaël en Isaak – begraven.

Literatuur

• Il-Seung Chung, “Hagar and Ishmael in light of Abraham and Isaac: Reading Gen. 21:8-21 and Gen. 22:1-19 as a Dialogue.” The Expository Times 128/12 (2017): 573-582.

• Yaffa Englard, “The Expulsion of Hagar. Reading the Image, (Re)viewing the Story.” Religion and the Arts 22 (2018): 261-293.

• Phyllis Trible, “Ominous Beginnings for a Promise of Blessing.” In: Phyllis Trible en Letty M. Russel (red.), Hagar, Sarah, and Their Children. Jewish, Christian, and Muslim Perspectives (Louisville, Kentucky: Westminster John Knox Press, 2006), 33-69.

< Terug