Communicatie in Jeremia 29

Een conflict in brieven

Profeet is geen gemakkelijk beroep. Jeremia weet er alles van. Wat je te zeggen hebt, valt niet altijd in goede aarde. Andere profeten verkopen mooie leugenpraatjes, met een beetje pech zelfs uit jouw naam. En dan kunnen die profeten zich ook nog ver weg, in Babel bevinden, en daar mensen verleiden. Communicatie is dan best ingewikkeld. En dat geldt in Jeremia 29 ook voor de communicatie met de lezer. Weet de schrijver zijn lezer te overtuigen?

Rieks Hekman is masterstudent Theologie aan de Tilburg School of Catholic Theology.

Het boek Jeremia is op het eerste gezicht communicatief rommelig en ingewikkeld. Het is een mengelmoes van verhalende en betogende teksten. Soms is Jeremia derde persoon, ‘hij’, soms eerste persoon, ‘ik’. Waar de tijd waarin teksten zich afspelen is aangegeven, blijkt de volgorde bepaald niet chronologisch. Toch is er wel een bepaalde ordening mogelijk. Binnen het Jeremiaboek kunnen de hoofdstukken 21–36 als een geheel beschouwd worden, waarin profetieën ten tijde van de koningen Jojakim en Sedekia zijn weergegeven. De hoofdstukken 26–29 vormen daarbinnen weer een eenheid, handelend over conflicten tussen Jeremia en andere profeten. Het bijzondere van hoofdstuk 29 is dat het conflict in dit hoofdstuk de vorm krijgt van een schriftelijk conflict, tussen Jeremia in Jeruzalem en profeten bij de ballingen in Babel.

Jeremia 29 is een complex en gelaagd hoofdstuk, waarover vanuit diachroon perspectief van alles te zeggen is. Dit artikel is echter een synchrone studie van Jeremia 29. Dat wil zeggen dat er geen historisch-kritische analyse wordt uitgevoerd, maar dat een concrete overgeleverde tekstgestalte (de Masoretische tekst) als uitgangspunt is genomen.

Het boek Jeremia is op het eerste gezicht communicatief rommelig en ingewikkeld.

Ik richt me daarbij op de communicatie binnen Jeremia 29, meer bepaald: op de tekst-immanente lezer. Onderscheiden van de reële lezer van vlees en bloed, is de tekst-immanente lezer (hierna kortweg ‘lezer’) de lezer die in de tekst aanwezig is, de lezer zoals de tekst zelf zich die voorstelt en tot wie de tekst zich richt. Wat maakt die lezer mee in dit hoofdstuk? Alvorens deze vraag te beantwoorden, is het nodig enkele woorden te besteden aan de structuur van Jeremia 29.

Structuur Jeremia 29

Jeremia 29 is afgegrensd door het einde van een verhaal in 28,17 en een nieuw ‘kopje’ in 30,1. Het hoofdstuk zelf bestaat uit twee gedeelten: de verzen 1-23 en de verzen 24-32. Hoewel dit twee duidelijk onderscheiden gedeelten zijn, zal blijken dat ze ook onmiskenbaar bij elkaar horen. De verzen 1-23 vormen een discursief gedeelte: een betoog. De lezer wordt in de verzen 1-3 meegedeeld dat Jeremia een brief heeft gestuurd aan de ballingen in Babel. Deze brief zelf beslaat de rest van dit gedeelte.

De verzen 24-32 vormen een narratief gedeelte: een verhaal. Een verhaal is een opeenvolging van verhaalstappen (‘Op een dag gebeurde het… en toen… en toen…’). Maar communicatief is Jeremia 29,24-32 een ingewikkeld verhaal. Het begint middenin een directe rede (de verzen 24-28), die ook nog eens allerlei andere direct redes omvat. Pas in de verzen 29-30 blijkt dat in de verzen 24-32 van een verhaal sprake is, waarin de directe rede van de verzen 24-28 is ingebed. In dat verhaal krijgt Jeremia uiteindelijk de opdracht een brief naar de ballingen te sturen, die te vinden is in de verzen 31-32.

Jeremia’s eerste brief

1 En dit zijn de woorden van de brief die de profeet Jeremia heeft gezonden vanuit Jeruzalem aan de rest van de oudsten van de ballingschap en aan de priesters en aan de profeten en aan heel het volk dat Nebukadnessar in ballingschap had doen gaan […],
3 door bemiddeling van Elassa […] en Gemarja […]:
4 ‘Zo heeft de Heer van de legers, de God van Israël, gezegd:
         “Aan alle ballingen die ik in ballingschap heb doen gaan vanuit Jeruzalem naar Babel. […]”
[…]
23f Godspraak van de Heer.’

De verzen 1-3, met informatie over tijd, afzender, geadresseerden en manier van versturen, leiden de brief van Jeremia aan de ballingen in, die in de verzen 4-23 is te vinden. De brief is gericht aan een tweede persoon meervoud (‘jullie’) waarmee de ballingen worden bedoeld, blijkens de verzen 1, 4 en 20. De lezer van Jeremia heeft primair toegang tot de brief via deze tweede persoon meervoud. De waarschuwingen en aanmaningen in de brief bereiken hem zo indirect ook.

Jeremia citeert in zijn brief vooral de Heer. Dat begint al in vers 4b, in tegenstelling tot wat veel vertalers kiezen. De woorden ‘Aan alle ballingen die ik in ballingschap heb doen gaan…’, moeten immers wel door de Heer zijn uitgesproken, wil de conclusie vermeden worden dat Jeremia de ballingen in ballingschap gevoerd heeft! De Heer neemt dus de adressering voor zijn rekening, waarmee de brief meteen veel gewicht krijgt.

In de brief vinden we twee belangrijke boodschappen. De eerste is: blijf rustig in Babel, dan zal het jullie goed gaan; zoek de Heer en na zeventig jaar ballingschap brengt hij jullie terug. De tweede boodschap is: laat je niet door valse profeten voor de gek houden. Door de combinatie van deze boodschappen rijst het vermoeden dat de valse profeten een snelle terugkeer profeteren, zoals overigens in de hoofdstukken 26–29 steeds het geval is.

Een bijzonder gedeelte vormen de verzen 15-19:

15 Ja, jullie hebben gezegd: ‘De Heer heeft voor óns profeten naar Babel doen opstaan’.
16 Ja, zo heeft de Heer gezegd over de koning die zit op de troon van David, en over heel het volk dat woont in deze stad, jullie broers, die niet met jullie zijn vertrokken in ballingschap;
17 zo heeft de Heer van de legers gezegd: ‘Zeker! Ik sta op het punt om het zwaard en de honger en de pest op hen los te laten, […] en om hen te stellen […] tot vloek en tot ontzetting en tot aanfluiting en tot hoon onder alle volken waaronder ik hen zal hebben doen wegstoten,
19 omdat zij niet hebben gehoord naar mijn woorden’, Godspraak van de Heer, ‘die ik tot hen heb gezonden samen met mijn knechten, de profeten, vanaf de vroegte, steeds maar weer, en jullie hebben niet gehoord’, Godspraak van de Heer.

De ballingen hebben beweerd – aldus Jeremia – dat de Heer hun profeten heeft gegeven ‘naar Babel’ (het Hebreeuws maakt niet heel duidelijk of het gaat om profeten die naar Babel zijn vertrokken of die in Babel zelf zijn opgestaan). In reactie op deze bewering citeert Jeremia in de verzen 17-19 weer de Heer. De aangehaalde woorden van de Heer bevreemden eerst, want ze lijken over heel iets anders te gaan: de Heer zal de mensen in Jeruzalem, die niet zijn meegegaan in ballingschap, straffen en verbannen, omdat ze niet naar zijn woorden hebben gehoord. De crux zit in een plotselinge verschuiving in vers 19: na ‘zij hebben niet gehoord’ volgt ineens ‘jullie hebben niet gehoord’. De ‘achterblijvers’ gaan gestraft worden, omdat ze niet luisterden naar de Heer – maar de ballingen hebben blijkbaar, luisterend naar hun eigen ‘Babelse’ profeten, dezelfde fout gemaakt.

De ballingen – en in hun kielzog de lezer – moeten wel schrikken van deze plotselinge omslag van ‘zij’ naar ‘jullie’. Zeker gezien de aangekondigde bestraffing van de achterblijvers in Jeruzalem (hun ‘broers’, vers 16), wordt de vraag erg dringend naar welke door de Heer gezonden woorden ze zelf niet hebben geluisterd. De opgeroepen spanning wordt door Jeremia in vers 20 aangegrepen.

Hoort het woord van de Heer!

20 Maar júllie, hoort het woord van de Heer, alle ballingen, dat ik heb doen zenden vanuit Jeruzalem naar Babel!
21 Zo heeft de Heer van de legers, de God van Israël, gezegd over Achab […] en over Zedekia […], die leugen profeteren voor jullie in mijn naam: ‘Zeker! Ik sta op het punt om hen te geven in de hand van Nebukadnessar, de koning van Babel, en om hen dood te slaan voor jullie ogen,
22 […]
23 omdat zij schande gedaan hebben in Israël, en daarop herhaaldelijk echtbreuk gepleegd hebben met vrouwen van hun vrienden, en daarop een woord in mijn naam hebben gesproken, bedrog, dat ik hen niet heb opgedragen; en ik ben de wetende en de getuige’,
Godspraak van de Heer.

Veel vertalers en exegeten leggen vers 20 in de mond van de Heer. Ze vertalen het vers als: ‘Maar jullie, hoort het woord van de Heer, alle ballingen die ik heb doen zenden vanuit Jeruzalem naar Babel!’ Het vers vormt dan de afsluiting van de directe rede van de verzen 16-20, die door de Heer wordt uitgesproken. Het is echter, hoewel niet onmogelijk, ongewoon dat een personage in de derde persoon over zichzelf spreekt. Het feit dat er in vers 20 over ‘de Heer’ gesproken wordt, wijst erop dat dit vers niet door de Heer, maar door Jeremia uitgesproken wordt. Uiteraard heeft Jeremia de ballingen niet in ballingschap laten voeren. Er moet dan ook gekozen worden voor de (vanuit het Hebreeuws even goed mogelijke) vertaling: ‘Maar jullie, hoort het woord van de Heer, alle ballingen, dat ik heb doen zenden vanuit Jeruzalem naar Babel!’ Het vers vormt dan het begin van een nieuw gedeelte van de brief, na de directe rede van de verzen 17-19.

Jeremia roept de ballingen op te luisteren naar het woord van de Heer. Dat woord heeft Jeremia doen zenden vanuit Jeruzalem naar Babel. Dit is een markante tegenstelling met de ‘profeten naar Babel’ in vers 15: niet uit Babel, maar uit Jeruzalem komt het woord van de Heer. Deze boodschap wordt nog eens versterkt, omdat de Heer zichzelf in vers 10 al in Jeruzalem had gepositioneerd door over Jeruzalem te spreken als ‘deze plaats’.

Vers 20 heeft door de gebiedende wijs (‘hoort!’) en de dubbele vocatief (‘jullie’ en ‘alle ballingen’) grote retorische kracht. Het aangekondigde woord van de Heer, te vinden in de verzen 21-23, krijgt daardoor alle nadruk. De ballingen mogen absoluut niet luisteren naar de leugenprofeten Achab en Sedekia. Jeremia’s nadruk op deze boodschap is begrijpelijk: de twee hebben in Jeremia’s naam leugens geprofeteerd. Het begin van vers 21, met ‘de Heer’ in de derde persoon, wordt immers nog steeds door Jeremia uitgesproken.

Door het krachtige vers 20 wordt, in navolging van de ballingen, ook de lezer opgeroepen te luisteren naar de woorden van de Heer die Jeremia overbrengt. De lezer kan daarbij niet alleen denken aan deze brief, maar ook aan het hele boek waarin de lezer zich bevindt: het boek met de woorden van de profeet Jeremia (1,1-3).

Vijf ingebedde directe redes

24 “En tot Semaja, de Nechelamiet, moet je zeggen:
25 ‘Zo heeft de Heer van de legers, de God van Israël, gezegd: ‘Omdat jíj, jij in jouw naam brieven hebt gezonden tot heel het volk dat in Jeruzalem is, en tot Sefanja, de zoon van Maäseja, de priester, en tot al de priesters:
26 De Heer heeft jou tot priester gesteld in plaats van Jehojada, de priester, om opzichters te zijn van het huis van de Heer over elke krankzinnige en profetisch raaskallende man en om hem te zetten in het schandblok en in het schandijzer.
27 Welnu, waarom heb je Jeremia, de Anatotiet, niet bedreigd, die profetisch raaskalt tegen jullie?
28 Immers, hij heeft gezonden tot ons, naar Babel:
‘Langdurig is zij; bouwt huizen op en woont, en plant tuinen en eet hun vrucht.’ ’ ’ ’ ”

In vers 24 moet de lezer ineens hard aan het werk. Zonder aankondiging van een directe rede spreekt een voor de lezer onbekend personage A tegen een eveneens onbekend personage B over het onbekende personage ‘Semaja’. De lezer voelt zich door de opdracht (‘Je moet tegen Semaja zeggen: …’) welhaast zelf aangesproken, en moet zelf bedenken dat het hier moet gaan om het personage ‘de Heer’ (A) dat spreekt tegen het personage ‘Jeremia’ (B).

De lezer bevindt zich in vers 24 dus blijkbaar in een directe rede. Binnen die directe rede opent vervolgens bijna meteen een tweede directe rede (de verzen 25-28). Het gaat hier om de woorden die Jeremia van de Heer tot Semaja moet spreken. 
Jeremia moet van de Heer op zijn beurt weer de Heer zelf citeren, zodat er binnen Jeremia’s directe rede meteen wéér een directe rede begint, te vinden in de verzen 25c-28. Het gaat hier dus om de woorden van de Heer, die Jeremia van de Heer tot Semaja moet spreken. Pas binnen deze directe rede leert de lezer iets over die Semaja: hij bevindt zich blijkbaar niet in Jeruzalem. Hij heeft volgens de Heer immers brieven gestuurd naar het volk en de priesters aldaar, met name aan de priester Sefanja.

Binnen de woorden van de Heer wordt een vierde directe rede geopend. De Heer citeert in de verzen 26-28 namelijk die zojuist genoemde brieven van Semaja. Semaja maant in de weergegeven brief Sefanja aan Jeremia in toom te houden, omdat Jeremia een brief gestuurd heeft ‘aan ons, naar Babel’ (vers 28), die Semaja niet bevalt. Uit de laatste verwoording blijkt dat Semaja zich in Babel bevindt.

Die genoemde brief van Jeremia citeert Semaja in de verzen 28c-g. Dat citaat is dus een vijfde directe rede, die binnen de vierde (de brief van Semaja) valt. Het blijkt te gaan om de brief van Jeremia aan de ballingen die de lezer in de verzen 4-23 onder ogen kreeg (vergelijk vers 5). Jeremia’s boodschap dat de ballingschap lang zou duren, beviel Semaja blijkbaar niets. De andere boodschap uit Jeremia’s brief, over leugenprofeten, laat Semaja overigens wijselijk achterwege…

De lezer in verwarring en spanning

29 En toen las de priester Sefanja deze brief voor ten aanhoren van de profeet Jeremia.

Nauwelijks bekomen van deze verwarrende structuur van vijf directe redes in elkaar, tuimelt de lezer vers 29 in, een verhaalvers (‘en toen…’) waarin Sefanja een brief voorleest aan Jeremia. Nu blijkt de lezer zich al een tijd in een verhaal bevonden te hebben, dat als het ware vóór vers 24 begonnen is met een verzwegen ‘Op een dag zei de Heer tegen Jeremia: …’.

De brief die Sefanja voorleest aan Jeremia, moet wel de brief van Semaja aan Sefanja zijn uit de verzen 26-28. Het opvallende is dat de Heer al in vers 24 Jeremia opdroeg tot Semaja te spreken over deze brief. Jeremia moet vreemd hebben opgekeken van die opdracht over een zaak waar hij nog niets van wist – net als de lezer in de war raakte door het vreemde vers 24. En pas in vers 29, door het voorlezen van de brief, wordt voor Jeremia echt duidelijk waar de Heer over sprak – net als voor de lezer in vers 29 duidelijk wordt hoe de tekst waarin de lezer zich bevindt in elkaar steekt. De lezer kan zo goed met Jeremia meeleven in zijn gang van verwarring naar duidelijkheid. De lezer kan vanaf vers 29 echter nog niet achteroverleunen, want er is nog een lastige kwestie overgebleven. De Heer was in vers 25 begonnen te spreken tegen Semaja: ‘Omdat jij […] brieven hebt gezonden […] met de woorden: “[de verzen 26-28]”’. De lezer verwachtte natuurlijk dat de Heer zou vervolgen: ‘… dáárom, Semaja, …’. De lezer komt echter bedrogen uit: na vers 28 zijn alle directe redes ineens geëindigd! Verder lezend zit de lezer dus nog in de maag met de halverwege afgebroken directe rede van de Heer. Wat wilde hij tegen Semaja gaan zeggen?

Jeremia’s tweede brief

30 En toen kwam het woord van de Heer tot Jeremia:
31 “Zend tot alle ballingen: ‘Zo heeft de Heer gezegd over Semaja de Nechelamiet:
‘Omdat Semaja tot jullie heeft geprofeteerd, en ík, ik hem niet heb gezonden, en hij jullie daarop op bedrog heeft doen vertrouwen,
32 daarom,’ zo heeft de Heer gezegd,
‘zeker! Ik sta op het punt om Sjemaja, de Nechelamiet, en zijn zaad te straffen. Niet mag er voor hem een man zijn, wonend te midden van dit volk, en niet mag hij het goede zien dat ik doe voor mijn volk’,
Godspraak van de Heer.
Want met opstandigheid heeft hij gesproken tegen de Heer.’ ”

Een volgende verhaalstap volgt in vers 30 met de woorden ‘En toen kwam het woord van de Heer tot Jeremia: …’. Jeremia krijgt van de Heer de opdracht een nieuwe brief te sturen naar de ballingen. Die brief, te vinden in de verzen 31-32, bestaat grotendeels uit een woord van de Heer over Semaja, samenvattend te parafraseren als: ‘omdat Semaja vals geprofeteerd heeft, daarom zal Ik Semaja en zijn nakomelingen straffen’. In vers 32, volgend op ‘daarom’, wordt Semaja, zonder dat dat nodig lijkt, opnieuw bij name genoemd. Binnen het woord van de Heer wekt dit bevreemding, omdat Semaja daar al in vers 31 bij name genoemd werd. Maar door de ‘scheiding’ die er zo in de directe rede ontstaat, wordt het voor de lezer juist aantrekkelijk in het ‘daarom’-gedeelte van dit woord óók het vervolg op het onafgemaakte ‘omdat’ uit vers 25 te zien. Semaja gaat niet alleen gestraft worden om zijn vergrijpen uit vers 31, maar ook om zijn brieven tegen Jeremia.

Wel heeft zich ten opzichte van de directe rede uit de verzen 25-28 een opvallende verandering voorgedaan. Sprak de Heer in vers 25 nog tót Semaja, hier in het vervolg spreekt hij nog slechts óver Semaja. Semaja zelf heeft blijkbaar al afgedaan! Binnen het woord van de Heer tot de ballingen in de verzen 31-32 valt een andere verschuiving op. Spreekt de Heer in vers 31 nog over ‘jullie’, in vers 32 spreekt hij over ‘dit volk’ en ‘mijn volk’, waaronder voor Semaja geen man meer mag zijn. De subtiele boodschap is dat de ballingen (‘jullie’) ook daadwerkelijk ‘volk van de Heer’ worden, wanneer ze niet luisteren naar Semaja, noch naar enige ‘man voor hem onder dit volk’. De laatste uitdrukking wordt niet verder uitgelegd: gaat het (alleen) om nakomelingen, of ook om sympathisanten, of collega-leugenprofeten?

Jeremia’s tweede brief vormt het einde van hoofdstuk 29. Hoe het afloopt met Semaja wordt niet verteld. Ook krijgt de lezer niet te weten of er nog een ‘man voor Semaja onder het volk’ over is. Het verhaal heeft dus een open einde. 
De lezer wordt zo op verschillende manieren aangesproken. Ten eerste wordt de lezer door het open einde aangemoedigd oplettend te zijn: is er nog zo iemand, die misschien prettige, maar leugenachtige boodschappen verkondigt? Ten tweede wordt de lezer, in navolging van de ballingen, uitgenodigd om partij te kiezen: luistert de lezer naar Jeremia of ligt de sympathie van de lezer bij Semaja en de zijnen? Wil de lezer bij het volk van de Heer horen, dan is evident wat de beste optie is.

Daar komt nog bij dat de lezer in het oordeel over Semaja uit de verzen 31-32 veel herkent van Jeremia 28,15-16 over de leugenprofeet Chananja. De lezer weet dat in dat verhaal de aankondiging uitkwam: Chananja stierf in Jeremia 28,17. De lezer begrijpt dus dat het er ook voor Semaja – niet eens meer de moeite waard om tegen te spreken – niet goed uitziet. Het is dus overduidelijk op wie de lezer zijn kaarten moet zetten.

Literatuur

• Rieks N. Hekman, “‘Hoort het woord van de Heer!’ Op zoek naar de tekst-immanente lezer in Jeremia 29,” Bachelorthesis, Tilburg University, 2019.
• Jacques van Ruiten, “Jeremia,” in De Bijbel literair: Opbouw en gedachtegang van de bijbelse geschriften en hun onderlinge relaties, red Jan Fokkelman en Wim Weren (Zoetermeer: Meinema, 2003), 223-247.

Tags:

Meer Bijbel en exegese