Jezus en het Koninkrijk van God: een politiek gevaar
Wie schrijft over politiek in de eerste eeuw, in het Nieuwe Testament, moet zich er allereerst rekenschap van geven dat de term in zekere zin een anachronisme is. Politiek en religie zijn allebei moderne labels die betrekking hebben op ideeën en instituties. Zo wordt religie meestal gezien als een samenspel van overtuigingen en rituelen die in georganiseerde vorm door een geloofsgemeenschap gepraktiseerd worden. Er is een normatief element aan: dit moet je wel geloven, dat niet. En er is een sociale organisatievorm aan verbonden. Hetzelfde geldt voor ‘de politiek’: ook hier is het een samenspel van ideeën en praktijken, verbonden aan organisaties als een parlement en politieke partijen. Bij het bestuderen van de politieke dimensies van het optreden van Jezus moeten we dit anachronistische aspect van beide termen in ons achterhoofd houden.
In de eerste eeuw zou je kunnen zeggen: politiek gaat over macht en machtsuitoefening en religie gaat over de cultus en bijbehorende geloofsovertuigingen. Nu maken we het een slag ingewikkelder. Ook politiek bestaat bij de gratie van overtuigingen en in religieuze organisatievormen speelt macht ook een rol. Er is dus een politieke dimensie aan religie en een (bijna) religieuze dimensie aan politiek. De beide domeinen lopen in elkaar over, ondanks verwoede pogingen hen uiteen te trekken.
De scheiding van politiek en religie heeft diepe wortels. Het is in de periode van de Verlichting dat politiek en religie sterk uiteengedreven zijn en in de 19e eeuw heeft dat geleid tot de inrichting van seculiere rechtsstaten waarin religie in toenemende mate een privéaangelegenheid is geworden. Wie een analyse pleegt van Jezus’ optreden in de eerste eeuw moet beseffen dat deze noties van religie en politiek in zijn dagen niet bestonden. Het religieuze was politiek en het politieke was religieus.
De manifest geworden god
Deze stelling valt toe te lichten met een enkel voorbeeld. De Seleucidische koning Antiochus IV, die in 168/167 v.Chr. de Makkabeese crisis veroorzaakte door een verbod op de cultus van JHWH in Jeruzalem uit te vaardigen, liet zich aanduiden als Epifanes. Het betekent zoveel als ‘de manifest geworden god.’ Hij trad daarmee in de voetsporen van Alexander de Grote die eveneens een goddelijke status had geclaimd. En later zouden de keizers van Rome dat ook doen. Zij droegen overigens uit hoofde van hun functie ook nog eens de titel van Pontifex maximus, de opperpriester van de cultus van Rome. Ook in Judea is een vermenging van de twee domeinen te zien: de hogepriester van Jeruzalem claimde een gezag dat de inrichting van de tempel ver te boven ging. In Jezus’ dagen zijn religie en politiek dus volstrekt verweven.
Met dit in het achterhoofd is het bevreemdend dat het recente boek van Geurt Henk van Kooten, Echo’s van het goede nieuws (2026) Jezus’ begrip van metanoia neerzet als een ‘niet-politieke herbezinning op je leven,’ zelfs ‘innerlijke loutering.’ Wat hier gebeurt is opmerkelijk. Jezus’ boodschap wordt op neo-liberale wijze geprivatiseerd en tot ethische verinnerlijking gemaakt. Er zijn goede redenen om deze interpretatie van de hand te wijzen en Jezus’ oproep anders te interpreteren. Laten we eens kijken welke redenen dat zijn en hoe we Jezus’ boodschap dan zouden moeten verstaan.
Het religieuze was politiek en het politieke was religieus
De Twaalf
De belangrijkste bronnen over Jezus spreken op verschillende plekken, onafhankelijk van elkaar, van een groep van intimi die Jezus om zich heen verzameld had. Het getal van die groep valt hier en daar zelfs samen met de aanduiding ervan: de Twaalf. De oudste tekst die ‘de Twaalf’ noemt is van Paulus: 1 Korintiërs 15:5. Paulus voegt zichzelf daar in de rij van opstandingsgetuigen en geeft aan dat de Twaalf daar een cruciale rol bij hebben. Omdat hij deze groep niet nader toelicht, mogen we aannemen dat Paulus bij zijn lezers/hoorders de Twaalf als bekend veronderstelde. In de evangeliën vinden we voldoende beschrijvingen van de groep van twaalf discipelen, de binnenste cirkel van Jezus’ volgelingen (zie Matteüs 10:1; 26:14; Marcus 3:14; 11:11; Lucas 9:1; 23:23; Johannes 6:67, 70). Zij worden expliciet geïntroduceerd in Matteüs 10:2-24; Marcus 3:16-19; Lucas 6:13-16; Handelingen 1:13 en uit deze introducties valt op te maken dat het inderdaad gaat om de kring direct om Jezus heen.
Het getal twaalf is uiteraard geen toeval. De groep die Jezus om zich heen verzamelde representeerde Israël door te zinspelen op het aantal stammen waaruit het volk opgebouwd was. De relatie tussen de discipelen en de stammen wordt expliciet gelegd in een vers uit de verloren gegane bron Q, gebruikt door Matteüs en Lucas. Daar zegt Jezus tegen zijn leerlingen: ‘Jullie zullen in mijn koninkrijk eten en drinken aan mijn tafel en zetelen op tronen om recht te spreken over de twaalf stammen van Israël’ (Lucas 22:30 NBV21, aangepast; vgl. Matteüs 19:28). Dit is een bijzonder interessant vers, omdat het niet alleen het getal van de twaalf discipelen expliciet relateert aan de stammen van Israël, maar ook een verband legt met Jezus, zijn (!) koninkrijk en het messiaanse banket van het einde van de geschiedenis. Voor nu is evenwel voldoende om te constateren dat het getal van Jezus’ discipelen niet toevallig gekozen was, maar een symbolische betekenis heeft.
De messias
In de interactie tussen Jezus en zijn discipelen speelt de term ‘messias’ een belangrijke rol. Aangezien dit woord een verbastering is van het Hebreeuwse masjiach en alle oudste christelijke teksten het Griekse equivalent van die term op Jezus toepassen (christos – christus), kunnen we niet ontsnappen aan de conclusie dat deze titel al heel vroeg aan Jezus toegekend is, hoogstwaarschijnlijk tijdens zijn leven. Het woord ‘messias’ betekent van oorsprong niet veel anders dan het bijvoeglijk naamwoord ‘gezalfde.’ In het Oude Testament werden de koningen van Israël tot koning gezalfd en het was dan ook de koning die als zodanig werd aangeduid. De Studiebijbel van 2008 licht het woord eenvoudig toe: ‘De belijdenis dat Jezus messias is betekent (…) op de eerste plaats: belijden dat hij de koning van Israël is’ (Studiebijbel, p. 1864). Een messias met twaalf leerlingen, dat klinkt in de context van de eerste eeuw wel degelijk als een politieke aspiratie.
Als er nu één ding helder is over de historische Jezus, dan is het dat hij vermoord is door middel van kruisiging. Deze straf is zodanig onterend en zo gruwelijk, dat geen mens het zou verzinnen om een fictieve religieuze held te laten kruisigen. Wanneer dat specifieke einde van Jezus’ leven nu zo onbetwist is, rijst de vraag: wat kunnen we uit die vorm van executie afleiden? Allereerst moeten we dan constateren dat kruisiging werd toegepast als onterende straf voor criminelen en oproerkraaiers (zie Ruben van Wingerden, Romeinse kruisiging, 2024, pp. 45-69). Flavius Josephus bericht herhaaldelijk dat de Romeinse gezaghebbers opstandelingen lieten kruisigen en de dood van Jezus past naadloos in dat kader. Voeg daarbij dat alle vier de evangeliën hetzelfde detail vermelden: Pilatus liet een bordje aanbrengen op het kruis waaraan Jezus stierf met daarop de woorden ‘Koning van de Judeeërs’ (Matteus 27:29; Marcus 15:26; Lucas 23:38; Johannes 19:19).
Het politieke programma
Wie dit materiaal op zich laat inwerken kan zich niet onttrekken aan de conclusie dat Jezus een herstel van Israël beoogde, dat hij daarom een groep van twaalf discipelen om zich heen formeerde, dat hij door hen gezien werd als de gezalfde verlosser van Israël, de messias, en dat hij door de autoriteiten gekruisigd werd als politiek gevaar en opstandeling. Het is moeilijk om dan nog te zeggen dat Jezus’ optreden niet politiek was. Het was evident primair religieus gemotiveerd, maar vergeet niet: religie en politiek gingen in de eerste eeuw hand in hand.
Nu we de politieke dimensie van Jezus’ verkondiging in beeld hebben, moeten we de volgende vraag beantwoorden: hoe zag dat programma van Jezus er dan uit? Wat behelsde zijn verkondiging van het koninkrijk dan precies?
Door wat hij zei en deed kwam Jezus in conflict met de heersende machthebbers
Het optreden van Jezus valt vermoedelijk kort samen te vatten met de volgende kenmerken. Hij verkondigde het ‘koninkrijk van God’, een staat waarin God de zaken op aarde recht zou zetten. Hij verwachtte dat dat spoedig zou gebeuren. De dubbelheid van de term die de evangeliën hier gebruiken is dat deze vertaald kan worden als ‘koninkrijk’, maar ook als ‘koningschap.’ Precies daar is de crux te vinden: het koninkrijk van God zou in de toekomst moeten aanbreken om het koningschap van God dat nu al in de hemel een feit is op aarde te installeren. Jezus zag zichzelf blijkbaar als verkondiger van die beweging en zal gemeend hebben dat hij daarbij een initiërende rol moest spelen.
In de contouren die we van zijn verkondiging kunnen reconstrueren, legde hij de nadruk op de menselijke maat. Niet cultische en rituele reinheid stond voor hem centraal, maar de noden van mensen. Het verhaal van de zogenaamde tempelreiniging—Jezus die in heilige woede tafels van handelaren omvergooit—lijkt een cruciale rol gespeeld te hebben, zowel in zijn leven als in de berichten die de evangeliën ervan geven. Bij de synoptici (dus: Matteüs, Marcus en Lucas) is dit verhaal het keerpunt van Jezus’ optreden. Hier is het dat hij zichtbaar een bedreiging wordt voor de leiders in Jeruzalem, zowel Judeeërs als Romeinen. Johannes plaatst het verhaal juist aan het begin van Jezus’ optreden. De reden daarvan zal niet chronologisch van aard zijn, maar literair-theologisch: dit verhaal is typerend voor de betekenis van Jezus, die bijna letterlijk de bezem haalt door een cultisch instituut dat zelfs economisch een bolwerk van macht geworden was. Hoezo huis van gebed? En dat had het toch moeten zijn?!
Jezus trad op met heilige woede, zo mag je het wel zeggen. Hij bracht een boodschap van barmhartigheid, van medemenselijkheid. Hij trad op als genezer, als exorcist die kwade machten uitdreef, als wijsheidsleraar en als profeet. Dat alles bij elkaar opgeteld maakte dat mensen in hem de messias zagen.
Door wat hij zei en deed kwam Jezus in conflict met de heersende machthebbers. Zij zagen hem als een bedreiging en dus als een politiek gevaar. Het is niet voor niets dat de vroegste christenen hem plaatsten binnen de lijn van verworpen profeten van Israël. De profetische stem die hij vertolkte ligt daarmee ten grondslag aan heel het christendom dat op hem volgde en bouwde. In een tijdsgewricht waarin politiek activisme opnieuw gevaarlijke vormen aanneemt is die profetische stem hard nodig.
Bert Jan Lietaert Peerbolte is hoogleraar Nieuwe Testament aan de Vrije Universiteit Amsterdam.