< Terug

Dood is dood! Toch?

Over dood en hiernamaals in het Oude Testament

Wie precies wil weten hoe het zit met het leven na de dood kan maar beter niet beginnen bij het Oude Testament. Er wordt weinig aandacht aan besteed en wat erover gezegd wordt is vaak ook nog tegenstrijdig, zeker als je het ook nog eens vergelijkt met het Nieuwe Testament. Toch is het zinvol het Oude Testament te betrekken bij ons nadenken over de dood. Het helpt ons de goede vragen te stellen en vooral ook omdat het nauw luistert hoe we in dit kader de relatie tussen God en mens moeten zien.

Prediker: dood is dood

Prediker laat er geen misverstand over bestaan: met de dood is alles afgelopen. Het is voor een mens de belangrijkste reden om te genieten van het leven. Dat is weliswaar onvoorspelbaar en het geluk wordt niet eerlijk verdeeld, maar er komt geen herkansing als het tegen zit. De enige zekerheid in het leven is dood.

Geen mens kan in de toekomst zien. 2 Hij weet alleen dat ieder mens hetzelfde lot wacht. Ben je een rechtvaardige of zondaar, goed en rein of onrein, offer je wel of offer je niet, ben je goed of zondig, durf je makkelijk een eed te zweren of ben je bang een eed te zweren – 3 alle mensen treft hetzelfde lot. Dat is zo triest bij alles wat de mensen doen onder de zon; en hoe triest ook dat hun hart hun leven lang vol kwaad en dwaasheid is, en dat hun leven eindigt bij de doden. 4 Voor wie nog leven mag, is er nog hoop; beter een levende hond dan een dode leeuw. 5 Wie nog in leven zijn, weten tenminste dat ze moeten sterven, maar de doden weten niets. Er is niets meer dat hun loont, want ze zijn vergeten. 6 Hun liefde en hun haat, alle hartstocht die ze ooit hebben gehad, ging allang verloren. Ze nemen nooit meer deel aan alles wat gebeurt onder de zon.

(Prediker 9:1b-7; NBV21)

Daar wordt wel tegenin gebracht dat Prediker op andere plaatsen ook spreekt over Gods oordeel. Is dit dan niet een verwijzing naar het laatste oordeel zoals we dat kennen in onze christelijke traditie? En veronderstelt dat dan niet dat Prediker toch ook uitgaat van een leven na de dood? Als je de betreffende tekst echter opzoekt en leest in zijn context, dan zie je dat die gedachte wel ver af staat van wat Prediker zijn lezer wil meegeven.

16 Ik heb nog iets onder de zon gezien: op de plaats waar rechtgesproken wordt, heerst onrecht. Ik zag de plaats waar gerechtigheid zou moeten zijn, en er heerst onrecht. 17 Ik zei tegen mezelf: God zal zowel de rechtvaardigen als de goddelozen aan zijn oordeel onderwerpen, want er is bij Hem voor alles wat gebeurt en voor elke daad een tijd. 18 Ik zei tegen mezelf dat God de mensen heeft bevoorrecht: ze beseffen dat ze als de dieren zijn. Niet meer dan de dieren zijn ze, 19 want de mensen en de dieren treft hetzelfde lot. Zoals een dier sterft, zo sterft ook een mens; ze delen in dezelfde adem. Dat is hun beider lot. Een mens is niet beter af dan een dier, want alles is leegte. 20 Alles gaat naar dezelfde plaats, alles is uit stof ontstaan en alles keert terug tot stof. 21 Wie zal ooit weten of de adem van een mens naar boven opstijgt en die van een dier afdaalt naar de aarde? 22 Daarom, zo heb ik vastgesteld, is het maar het beste voor een mens dat hij vreugde put uit alles wat hij onderneemt. Dat is wat hem is toebedeeld, want wie zal hem van iets laten genieten na zijn dood?

(Prediker 3:16-22; NBV21)

Het is opvallend dat Prediker in 3:18-21 net als in 9:4 een vergelijking tussen mens en dier maakt. Hij verzet zich kennelijk tegen de gedachte dat een mens meer zou zijn dan een dier. Het enige verschil is dat de mens weet dat hij dood gaat. Dat bedoelt hij met zijn opmerking dat God de mensen ‘de eeuw in hun hart’ gelegd heeft (3:11; NBG51). NBV21 vertaalt hier met: ‘inzicht in de tijd gegeven’. Dat is duidelijk niet bedoeld als zicht op een eeuwig leven. Dat wordt ook onderstreept door de vraag die Prediker stelt: ‘Wie zal ooit weten of de adem van een mens naar boven opstijgt en die van een dier afdaalt naar de aarde?’ (3:21). Prediker zet hier een vraagteken bij de opvatting zoals we die kennen uit het oude Egypte en – meer uit de tijd van Prediker zelf – de Griekse cultuur, namelijk van een ziel die na de dood het menselijk lichaam ontstijgt. Het heeft er alle schijn van dat Prediker zich hier keert tegen nieuwe opvattingen die onder invloed van het steeds dominanter wordende Hellenistische denken wat door steeds meer Joden werd overgenomen. Het idee van een onsterfelijke ziel vinden we bijvoorbeeld in het deuterokanonieke boek Wijsheid, waar het gebruikt wordt om uit te leggen hoe de rechtvaardigen en goddelozen uiteindelijk hun verdiende loon zullen krijgen.

1 De zielen van de rechtvaardigen zijn in Gods hand, geen marteling kan hun deren. 2 Dwazen menen dan wel dat de rechtvaardigen dood zijn, dat het ellendig is dat ze ons moesten verlaten 3 en rampzalig dat ze afscheid moesten nemen – de rechtvaardigen zijn evenwel in vrede. 4 Ook al ziet iedereen hun lot als een straf, zij koesterden de hoop op onsterfelijkheid. 5 En na een korte tijd van lijden is hun onmetelijk geluk ten deel gevallen, want God heeft hen op de proef gesteld en hen waardig gekeurd om bij hem te zijn. 5 Hij heeft hen als goud in een oven gelouterd en hen als een brandoffer aanvaard. 7 Wanneer de tijd aanbreekt dat hij zich over hen ontfermt, zullen ze opvlammen en als vuur door een stoppelveld razen. 8 Ze zullen een oordeel vellen over alle volken en over hen heersen, en de Heer zal hun koning zijn tot in eeuwigheid. 9 Wie op hem vertrouwen zullen de waarheid kennen, en wie trouw zijn zullen in liefde met hem verkeren. Want er is genade en barmhartigheid voor zijn heilig volk, en redding voor zijn uitverkorenen. 10 De goddelozen echter zullen om hun wijze van denken gestraft worden. Zo vergaat het hun die de rechtvaardige verachten en zich van de Heer afkeren. 11 Wee degenen die wijsheid versmaden en onderricht afwijzen: hun hoop is ijdel, hun moeite vergeefs, en hun daden zijn zonder zin.

(Wijsheid 3:1-11; NBV)

Op deze tekst is het idee van een vagevuur gebaseerd: een overgangsfase van loutering op weg naar hemelse zaligheid. Het is een idee dat Prediker volstrekt vreemd is. Hij moet niets van dit soort speculaties hebben. Men zou hem in dit opzicht conservatief kunnen noemen, want zijn terughoudendheid sluit goed aan het overgrote deel van het Oude Testament. Dood is dood, zo beweert in fraaie beeldspraak ook de vrouw uit Tekoa wanneer zij pleit bij de koning voor het leven van haar zoon: ‘Sterven zullen we immers allemaal; we zijn als water dat in de aarde wegvloeit wanneer het niet wordt opgevangen’ (2 Samuël 14:14; NBV21). Ook Job is ervan overtuigd dat het met de dood uit is:

10 Maar een mens sterft en hij ligt terneer.
Hij blaast zijn laatste adem uit – waar is hij dan?
11 Water van de zee verdampt,
beddingen van rivieren worden dor en droog.
12 Een mens gaat liggen en staat niet meer op.
Zolang de hemel zal bestaan, ontwaakt hij niet,
hij wordt niet uit zijn slaap gewekt.

(Job 14:10-12; NBV21)

Bij Job is er geen verwachting van een hiernamaals waarin het onrecht hem aangedaan rechtgezet zal worden. Men heeft dat wel gezocht achter zijn woorden ‘Ik weet dat mijn redder leeft’ (Job 19:25). De woorden worden zelfs verbonden met het geloof in Jezus Christus, zoals in Händel’s Messiah (‘I know my Redeemer liveth’), maar wanneer we het lezen in zijn bredere context, dan wordt duidelijk dat het hier gaat om een schreeuw om recht in dit leven. Job wil dat zijn klacht niet verdwijnt. Hij moet voor altijd zichtbaar worden vastgelegd. Hij zal zelf tot het laatst toe blijven volhouden, maar dan wel in levenden lijve:

23 O, mochten mijn woorden worden opgeschreven,
vastgelegd in een inscriptie,
24 met een ijzeren stift gegrift, met lood gevuld,
voor altijd in de rotsen uitgehouwen!
25 Ik weet: mijn redder leeft,
en Hij zal ten slotte hier op aarde ingrijpen.
26 Hoezeer mijn huid ook is geschonden,
toch zal ik in dit lichaam God aanschouwen.
27 Ik zal Hem aanschouwen,
ik zal Hem met eigen ogen zien, ik, geen ander,
heel mijn binnenste smacht van verlangen.

(Job 19:23-27)

Wanneer het uiteindelijk toch goed komt met Job, dan gebeurt dat ook in dit leven. Ten slotte gaat Job gewoon dood, tevreden en wel. Een hiernamaals als goedmaker is niet aan de orde. Job sterft als een tevreden man, niet omdat hij uitziet naar een hemelse zaligheid, maar gewoon omdat hij ‘oud en verzadigd van het leven’ is (Job 42:16).

Het dodenrijk

In sommige teksten in het Oude Testament is er nog wel sprake van een soort van voortbestaan na de dood, maar dat kun je geen leven noemen. Het gaat hier om de verwijzingen naar het dodenrijk; in het Hebreeuws: sheol. Als de om de dood van zijn zoon Jozef treurende vader Jakob spreekt over zijn eigen dood, zegt hij: ‘Ik zal rouw dragen totdat ik naar mijn zoon het dodenrijk afdaal’ (Genesis 37:35). Hoe hij zich dit voorstelde, wordt aan de lezer niet onthuld. Je zou misschien kunnen denken – zoals men het zich tegenwoordig vaak graag voorstelt – dat hij daar weer verenigd wordt met zijn zoon. Maar dat is binnen het Oude Testament een veel te positieve voorstelling van zaken. Jakob bedoelde hoogstwaarschijnlijk niets anders dan dat hij net als Jozef ook ooit dood zal gaan. Over de sheol wordt namelijk in het Oude Testament alleen in negatieve bewoordingen gesproken. Veelzeggend is bijvoorbeeld weer hoe Job erover spreekt:

13 Ja, mijn huis staat in het dodenrijk,
in de duisternis spreid ik mijn bed.
14 Tot het graf roep ik: ‘Jij bent mijn vader’,
en tot de wormen: ‘Moeder, zuster!’
15 En waar is dan mijn hoop,
mijn hoop, wie kan die nog bespeuren?
16 Daalt zij met mij af naar het dodenrijk?
Dalen we samen af in het stof?

(Job 17:13-16; NBV21)

Het dodenrijk is een plaats van duisternis. In Psalm 88 wordt eraan toegevoegd dat het een ‘land der vergetelheid’ (vers 13) is, waar men zelfs door God is vergeten (vers 6). Jobs woorden laten zien dat men voor zijn gevoel ook al bij dit leven als het ware in het dodenrijk kan verkeren. Het lijkt op onze uitdrukking ‘dat is geen leven!’. Omgekeerd kom je soms ook tegen dat men God dankt voor de redding uit het dodenrijk, waarbij wij zouden kunnen constateren dat het in feite niet meer is dan de genezing van een ernstige ziekte:

2 Hoog wil ik U prijzen, HEER, want U hebt mij gered
en mijn vijand geen reden gegeven tot vreugde.
3 HEER, mijn God, ik riep U te hulp
en U hebt mij genezen.
4 HEER, U trok mij uit het dodenrijk omhoog,
ik daalde af in het graf, maar U hield mij in leven.

(Psalm 30:2-4; NBV21)

Er is hier dus duidelijk geen sprake van zoiets als het geloof in een opstanding der doden. Net zomin kun je op basis van de teksten over het dodenrijk zeggen dat men geloofde in een leven na de dood; in ieder geval niet in de zin van hoe wij daar tegenwoordig over spreken. Over hoe dat voortbestaan in de sheol er dan precies uitzag, wordt nauwelijks iets verteld. We moeten het ons waarschijnlijk voorstellen zoals erover lezen in Mesopotamische teksten over mensen die een kijkje mogen, dan wel moeten nemen in het dodenrijk en terugkomen met verhalen over vervagende verschijningen in een schimmig bestaan. Geen hemel of hel, geen vreugde of verdriet, geen leven. Het lijkt ook op wat erover verteld wordt in sommige verhalen van Homerus.

Er is één tekst in het Oude Testament waarin ons wel een blik gegund wordt in het dodenrijk. Dat gebeurt in een spotlied dat Jesaja aanheft over de koning van Babylonië. Die had zichzelf in zijn hoogmoed een plaats te midden van de goden toegedicht. Maar in plaats van een hemelvaart valt hem bij zijn dood de afdaling in het dodenrijk ten deel, alwaar hij op de volgende manier welkom wordt geheten:

9 Het dodenrijk beneden is in rep en roer
om jou een ontvangst te bereiden:
het wekt de schimmen voor je op
van alle leiders van de aarde,
het laat de vorsten van vreemde volken
voor jou opstaan van hun troon.
10 Hoor hoe zij je onthalen:
‘Nu ben jij even zwak als wij,
je bent echt een van ons.
11 Je pracht en praal, en de klank van je harpen,
ze worden dit dodenrijk binnengebracht.
Wormen zijn je bed, maden je deken’.
12 O morgenster, zoon van de dageraad,
hoe diep ben je uit de hemel gevallen.
Overwinnaar van alle volken,
hoe lig je daar ter aarde neergeworpen.

(Jesaja 14:9-12; NBV21)

De doden krijgen hier een stem en tonen emotie. Voor de gelegenheid krijgen ze zelfs tronen toegedicht. Dat staat echter vooral in dienst van het schilderen van het contrast tussen datgene wat de koning zichzelf had toegedicht en de harde realiteit van het dodenrijk. De woorden en emoties zijn die van de profeet, de doden zelf zijn alleen maar ‘zwak’. Wat er na het sterven overblijft, mag geen leven heten.

Psalm 73 (detail) uit het Utrechts Psalter, Klooster Hautvillers bij Reims. Ca 820-835. Ut jumentum factus sum apud te. (Ik was als een redeloos dier bij U)

Opstanding der doden?

We kunnen Prediker in zijn afweer tegen de hem vreemde ideeën over een leven na de dood goed vergelijken met de sadduceeën, ‘die beweren dat er geen opstanding uit de dood is’ (Marcus 12:18). Zij vinden daarvoor namelijk geen bewijs in de boeken van Mozes, de enige teksten waaraan zij goddelijk gezag toekennen. Ze krijgen het hierover aan de stok met Jezus. Net als de farizeeën gelooft Jezus wel in een opstanding der doden en volgens Hem is dat ook terug te vinden in de boeken van Mozes. De sadduceeën hebben echter wel een punt, want die opstanding wordt in de eerste vijf boeken van de Hebreeuwse Bijbel nergens expliciet genoemd. Dat gebeurt pas in het veel later geschreven boek Daniël. Daar lezen we:

1 In die tijd zal Michaël opstaan, de grote vorst, die de kinderen van je volk terzijde staat. Het zal een tijd van verdrukking zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan. In die tijd zal je volk worden gered: allen die in het boek zijn opgetekend. 2 Velen van hen die slapen in de aarde, in het stof, zullen ontwaken, sommigen om eeuwig te leven, anderen om voor eeuwig te worden veracht en verafschuwd. 3 De verlichten zullen stralen als het fonkelende hemelgewelf, en degenen die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren, voor eeuwig en altijd.

(Daniël 12:1-3; NBV21)

Het boek Daniël stamt uit de tweede eeuw voor het begin van onze jaartelling. Het heeft er alle schijn van dat het geloof in een opstanding der doden gevolgd door een laatste oordeel een relatief laat verschijnsel is binnen het jodendom. Nog gecompliceerder wordt het als we constateren dat het weer een andere voorstelling van zaken geeft over het leven na de dood dan die in de bovengenoemde tekst uit Wijsheid 3. Daarin wordt namelijk aangeduid dat het oordeel direct na de dood plaats vindt en niet aan het einde der tijden. Ook is er in Wijsheid geen sprake van een lichamelijke opstanding. De discussie tussen Jezus en de sadduceeën is niet de enige die in die tijd gevoerd werd over dit onderwerp. Ook binnen de Bijbel zelf vindt men dus verschillen van inzicht. Het slot van het boek Prediker getuigt daar eveneens van. Er is namelijk nog een soort leeswijzer aan de woorden van Prediker toegevoegd. Daarin wordt de lezer gewaarschuwd: lezing van al die relativerende woorden van Prediker mogen niet afleiden van de hoofdzaak:

12 En tot slot, mijn zoon, nog deze waarschuwing: er komt geen einde aan het aantal boeken dat geschreven wordt, en veel lezen mat het lichaam af. 13 Alles wat je hebt gehoord komt hierop neer: heb ontzag voor God en leef zijn geboden na. Dat geldt voor ieder mens, 14 want God oordeelt over elke daad, ook over de verborgen daden, zowel over de goede als de slechte.

(Prediker 12:12-14)

Juist hierin wordt nog eens verwezen naar Gods oordeel. Hier komt het dicht bij de verwachting van een laatste oordeel. Het is zeer de vraag of Prediker zelf blij geweest zou zijn met deze toevoeging, die niet lijkt te rijmen met zijn herhaalde aansporing te genieten van het leven zolang het nog kan. Angst voor het oordeel draagt daar niet aan bij.

Uit deze inleiding op het thema leven na de dood in het Oude Testament blijkt wel dat we hier te maken hebben met een onderwerp waarbij het niet eenvoudig zal zijn de Bijbelse visie te formuleren. Voor wie van de Bijbel hoger, goddelijk gegeven inzicht verwacht is dit moeilijk te accepteren. Het kan leiden tot krampachtige pogingen om teksten die elkaar tegenspreken toch op één lijn te krijgen. Daar doe je de Bijbel geen recht mee, hoe goedbedoeld of goedgelovig men ook te werk gaat. Het is vruchtbaarder ervan uit te gaan dat de bijbelschrijvers kinderen van hun tijd waren en met de ideeën en voorstellingen uit hun cultuur hun geloof en verwachtingen vormgaven. Daarbij – zo zal uit het vervolg duidelijk gemaakt worden – gaat het in het Oude Testament klaarblijkelijk niet om precies aan te geven hoe het hiernamaals er uitziet, maar veeleer om duidelijk te maken in hoeverre de relatie van de mens met God helpt om te gaan met het besef dat je eens zult moeten sterven. Het zet je aan het denken over de vraagstelling. De vraag waarop geantwoord wordt is niet: is er leven na de dood? En ook niet: hoe ziet het leven na de dood eruit? Dat wil niet zeggen dat er niet over de dood nagedacht wordt. Genesis 3 vertelt ons waar de dood vandaan komt en wat dat zegt over de mensen en hun relatie met God.

Het ontstaan van de dood

In het Mesopotamische epos van Gilgamesh wordt het verhaal verteld van de vergeefse speurtocht naar de onsterfelijkheid. Gilgamesh gaat daarin te rade bij Ut-napishtim die samen met zijn vrouw de zondvloed overleefde en daarvoor beloond dan wel schadeloos gesteld werd met onsterfelijkheid. Hij vertelt Gilgamesh dat dit de uitzondering op de regel blijft. Een plausibele reden daarvoor geeft hij niet en wat betreft het ontstaan van de dood blijft het bij de simpele constatering dat de goden dit nu eenmaal zo geregeld hebben.

Toen de Goden de mens schiepen,
hebben zij de Dood als zijn lot vastgesteld.
Jij, je spande je zozeer in,
en wat heb je bereikt?
Met al jouw inspanningen
heb jij slechts jezelf uitgeput;
jouw vlees is verstorven door de zorgen.
Zo breng jij het einde van jouw dagen dichterbij!
Een mensenleven wordt immers afgebroken,
als een rietstengel in het rietveld;
de knappe jongen en het mooie meisje
beminnen elkaar een ogenblik,
en de Dood rukt hen weg!
Niemand ziet de Dood;
niemand ziet het gelaat van de Dood;
niemand hoort de stem van de Dood,
de wrede Dood, die de mensen neermaait.
(…)
De Anunaki, de Grote Goden, hielden ooit een beraad;
Mametum, die de lotsbestemmingen uitvaardigt,
besliste met hen het lot;
Leven en Dood stelden zij vast,
maar het ogenblik van de Dood deelden zij niet mee.

(Gilgamesh epos X. 295-322; vertaling Herman Vanstiphout)

In Genesis 2-3 wordt een ander beeld van het ontstaan van de dood. Daarbij heeft de mens veel meer inbreng, al blijft het wel de vraag wie nu uiteindelijk verantwoordelijk is. Het is om te beginnen natuurlijk vreemd dat in het voorafgaande verhaal over de schepping de indruk gewekt wordt dat er nog geen dood was. De mensen krijgen de opdracht ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde’ (Genesis 1:28). Maar dat kan toch niet onbeperkt voortgaan? Volgens de Mesopotamische versies van de zondvloed in de mythe van Atramchasis is de overbevolking en het daaraan gepaarde lawaai voor de goden reden om de mensheid te vernietigen dan wel in te tomen. Zo denigrerend – alsof de goden iets bij de schepping over het hoofd hadden gezien – wordt er in Genesis niet over God gesproken.

Er blijkt in het verhaal over het ontstaan van de dood vooral diep te zijn nagedacht over wat ook in het Gilgamesh epos wordt genoemd: de dood als principieel onderscheid tussen God en mens. De onbevangen lezer heeft dat niet gelijk door wanneer God aan de mens het verbod oplegt: ‘Van alle bomen in de tuin mag je eten, maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven’ (Genesis 2:16b-17). De slang – niet voor niets ‘het sluwst van alle in het wild leven dieren’ – heeft echter goed gezien dat hier meer aan de hand is. Hij maakt duidelijk aan de vrouw dat God hier een belangrijke grens heeft gesteld.

1 Van alle in het wild levende dieren die de HEER God gemaakt had, was de slang het sluwst. Dit dier vroeg aan de vrouw: ‘Heeft God werkelijk gezegd dat jullie van geen enkele boom in de tuin mogen eten?’ 2 ‘We mogen de vruchten van alle bomen eten’, antwoordde de vrouw, 3 ‘behalve die van de boom in het midden van de tuin. God heeft ons verboden van de vruchten van die boom te eten of ze zelfs maar aan te raken; doen we dat toch, dan zullen we sterven’. 4 ‘Jullie zullen helemaal niet sterven’, zei de slang. 5 ‘Integendeel, God weet dat jullie de ogen zullen opengaan zodra je daarvan eet, en dat jullie dan als God zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad’.

(Genesis 3:1-5)

Vervolgens leren we ‘de mens en zijn vrouw’ (en daarmee in feite onszelf) kennen als mensen die geneigd zijn grenzen te overschrijden. Ze eten van de vrucht met alle gevolgen van dien. De slang krijgt gelijk: hun ogen worden geopend. Maar ook God houdt zich aan zijn woord: de mens moet sterven. Dus in zoverre had de slang de mensen misleid, behalve dan dat ze niet terstond dood neervielen. Het lijkt erop dat de slang de oorspronkelijke plannen van God heeft doorkruist en Hem nu tot een ongewenste actie dwingt:

22 Toen zei de HEER God: ‘Nu is de mens aan Ons gelijk geworden, nu heeft hij kennis van goed en kwaad. Nu wil Ik voorkomen dat hij ook vruchten van de levensboom plukt, want als hij die zou eten, zou hij eeuwig leven’. 23 Daarom stuurde Hij de mens weg uit de tuin van Eden om de aarde waaruit hij was genomen te gaan bewerken. 24 En nadat Hij hem had weggejaagd, plaatste Hij ten oosten van de tuin van Eden de cherubs en het heen en weer flitsende, vlammende zwaard. Zij moesten de weg naar de levensboom bewaken.

(Genesis 3:22-24; NBV21)

Het heeft iets vreemds waar het gaat om de verhouding tussen God en mens. Aan de ene kant wordt gesteld dat de mens aan God gelijk is, aan de andere kant wordt het verschil benadrukt zoals dat ook gebeurt in het Gilgamesh epos: mensen gaan dood, God niet. Het verschil tussen God en mens wordt nog eens versterkt doordat de mens nu ook de nabijheid tot God in de tuin van Eden ontzegd wordt. Ze kunnen niet meer bij de levensboom en samen wandelen met God lijkt er ook niet meer in te zitten.

Zo is het bijzondere van het Bijbelse verhaal over het ontstaan van de dood de combinatie van nabijheid en distantie tussen God en mens. God leek er helemaal niet op uit te zijn afstand te scheppen tussen Hem en de mens. Wanneer de mens echter te dichtbij wil komen, moet God wel ingrijpen.

Dat is iets wat later ook weer gebeurt als de mensen een toren willen bouwen die tot de hemel reikt (Genesis 11:4). God ziet zich genoodzaakt af te dwalen om de mensen weer op het juiste spoor te zetten: niet omhoog, maar de wijde mensenwereld in.

De omgekeerde beweging was er volgens het merkwaardige verhaal in Genesis 6:1-4 ook: godenzonen die zich verbonden met mensendochters. Ook dat was niet de bedoeling. God bevestigt daarom nog maar eens het verschil tussen het goddelijke en menselijke: ‘Mijn levensgeest mag niet voor altijd in de mens blijven, hij is immers niets dan vlees; hij mag niet langer dan honderdtwintig jaar leven’ (Genesis 6:3).

Nu lijkt honderdtwintig jaar heel wat voor een mens, maar als je het vergelijkt met de leeftijd die de mannen volgens het voorafgaande hoofdstuk bereikten is het een flinke beperking. Adam bereikte de gezegende leeftijd van 930 jaar. Metuselach spande de troon met maar liefst 969 jaar. Men werd dus bijna duizend jaar oud. Dat was dan ook wel de uiterste grens. Het is namelijk opnieuw de grens tussen God en mens. De psalmist geeft dat zo ook aan:

U bent, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid.
3 U doet de sterveling terugkeren tot stof
en zegt: ‘Keer terug, mensenkind.’
4 Duizend jaar zijn in uw ogen
als de dag van gisteren die voorbij is,
niet meer dan een wake in de nacht.

(Psalm 90:2b-4)

In diezelfde lijst met mannen van bijna duizend jaar is er een opmerkelijke uitzondering. Henoch haalt nog niet eens de vierhonderd:

21 Toen Henoch 65 jaar was, verwekte hij Metuselach. 22 Na de geboorte van Metuselach leefde Henoch nog 300 jaar, in verbondenheid met God. Hij verwekte zonen en dochters. 23 In totaal leefde hij 365 jaar. 24 Henoch leefde in verbondenheid met God. Op een dag was hij er niet meer, doordat God hem wegnam.

(Genesis 5:21-24; NBV21)

Het verschil in kwantiteit wordt gecompenseerd door de grotere kwaliteit van leven. Henoch leefde minder lang, maar veel intenser. Hij leefde ‘in verbondenheid met God’. Het Hebreeuwse werkwoord kan ook vertaald worden met ‘wandelen’ en wordt bijvoorbeeld ook gebruikt voor God die wandelt in de tuin van Eden (Genesis 3:8). Juist die associatie is hier op zijn plaats. Het leven van Henoch was precies zoals God dat ooit voor de mens bedoeld had. En in dat ideaal hoort de dood niet thuis. Er wordt dan ook niet verteld dat Henoch doodgaat. Wat er precies met hem gebeurd is, blijft voor ons mensen verborgen. Daar ligt namelijk juist weer die grens tussen God en mens.

Dat is ook een groot verschil met bijvoorbeeld de cultuur van het oude Egypte met zijn uitgebreide beschrijvingen van het leven na de dood en alle daarop gebaseerde maatregelen die getroffen werden om daar goed terecht te komen. De terughoudendheid van het Oude Testament in deze kan men zien als een bewuste reactie daartegen: een mens moet zijn grenzen kennen. Tegelijkertijd wordt er in zo’n tekst over Henoch ook hoop gewekt. Het ideaal van een overwinning op de dood lijkt niet geheel te zijn vervlogen. Net als Henoch moet je het dan wel helemaal bij God zoeken.

Zo’n zoeker is Asaf die in Psalm 73 aan het woord is. Hij zoekt hartstochtelijk naar een oplossing van het probleem dat het kwaad juist vaak goede mensen treft. Hij vindt een eerste antwoord als hij constateert dat ‘het einde’ van de boosdoener ‘een verschrikking’ is (vers 19). Belangrijker nog is de positieve tegenhanger die hij voor zichzelf ontdekt:

21 Zolang ik verbitterd was,
gekwetst vanbinnen,
22 dom en dwaas,
was ik bij U als een redeloos dier.
23 Maar nu weet ik mij altijd bij U,
U houdt mij aan de hand
24 en leidt mij volgens uw plan.
Dan neemt U mij weg, met eer bekleed.
25 Wie buiten U heb ik in de hemel?
Naast U wens ik geen ander op aarde.
26 Al bezwijkt mijn hart en vergaat mijn lichaam,
de rots van mijn bestaan, al wat ik heb,
is God, nu en altijd.

(Psalm 73:21-26)

Het is opvallend dat Asaf hier, net zoals we eerder zagen bij Prediker, een vergelijking maakt tussen mens en dier. In beide gevallen geldt dat het verschil is dat de mens weet dat hij moet sterven. Maar terwijl Prediker stelt dat het wat betreft de dood verder weinig uitmaakt, ziet Asaf hier nu juist het grote onderscheid. De mens weet waar hij het zoeken moet: bij God.

Anders dan Prediker benadrukt hij de nauwe relatie met God. Asaf schetst van zichzelf en zijn relatie tot God een beeld zoals dat van Henoch: van zijn kant zegt hij dat hij altijd bij God is en van God zegt hij dat God hem zal ‘wegnemen’. Of dat een vorm van hemelse zaligheid is, wordt niet met zoveel woorden gezegd. Op zijn eigen manier is dit Godsvertrouwen wel grensoverschrijdend: de dood lijkt te worden gerelativeerd.

Ezechiël 37. Het dal van dorre doodsbeenderen. Muurschildering, 245 n.Chr. Nationaal Museum Damascus.

Is er dan in het Oude Testament toch hoop op een leven na de dood dat meer is dan een schimmig voortbestaan in de Sheol? Het beste antwoord geeft Ezechiël wanneer hem bij het aanschouwen van een visioen van een dal vol dorre doodsbeenderen gevraagd wordt of die beenderen weer tot leven kunnen komen: ‘HEER, mijn God, dat weet U alleen’ (Ezechiël 37:3). Beter dan om te blijven speculeren over deze zaak is het voor de mens om zich bezig te houden met de vraag naar de kwaliteit van het leven vóór de dood. Het ware leven is leven zoals Henoch: wandelen met God. Wie weet waar dat op uitloopt?

Klaas Spronk is hoogleraar Oude Testament aan de Protestantse Theologische Universiteit Amsterdam en hoofdredacteur van Schrift.


< Terug