< Terug

Droom, visioen

Geloofstaal & cultuurtaal

Het visioen speelt in onze westerse cultuur nauwelijks een rol. Het komt hoogstens in moderne (vooral niet-christelijke) spirituele literatuur voor, als een aanduiding van bovenaardse boodschappen. Wanneer mensen ‘visionair’ genoemd worden, wordt daarmee gezegd dat zij een ‘visie’ hebben. Bij deze visie gaat het dan meestal om een utopie, een ideale voorstelling. In de geloofstaal dient het voornamelijk om beeldende, niet-aardse werkelijkheden te beschrijven, zoals die in de bijbelboeken Ezechiël, Zacharia, Daniël en Openbaring ter sprake komen. In het moderne spraakgebruik is de ‘droom’, naast het eigenlijke verschijnsel van in slapende toestand waargenomen beelden en gebeurtenissen, ook aanduiding van een (bijna) volmaakte werkelijkheid, een utopie: ‘droomhuis’, ‘een droom gaat in vervulling’. Vergelijk Martin Luther Kings ‘I have a dream’. Een dergelijke toestand wordt voor normale stervelingen als eigenlijk onbereikbaar ervaren: ‘Het leek haast een droom.’ Voor de voorhanden werkelijkheid worden dromen meestal niet als betrouwbare duiding ervaren: ‘dromen zijn bedrog’. De geloofstaal onderscheidt zich hier niet van de cultuurtaal.

Woorden

‘Visioen’ of ‘gezicht’ staat voor het Hebreeuwse chazon, chazoet, chizzajon, machazl of marl. In het Grieks worden de woorden horasis en optasia gebruikt. Etymologisch hebben al deze woorden met ‘zien’ te maken. Een met dromen verwante toestand wordt beschreven met het woord ekstasis, ‘(zins)verrukking’. In Het Boek en de NBV wordt vooral het begrip ‘visioen’ gebezigd.

‘Droom’ staat voor het Hebreeuwse chalom en het Griekse onar en enupnion.

Betekenis in context

Oude Testament

(On)werkelijk

In een droom gebeuren dingen die niet ‘kunnen’. Korenschoven buigen zich niet voor elkaar, evenmin als hemellichamen (Gen. 37); magere koeien verslinden geen dikke koeien en dunne korenaren geen vette korenaren (Gen. 41), enzovoort. Tussen dromen en dewerkelijkheid van alledag ligt bovendien de grens van waken en slapen. Na het ontwaken blijft van het gedroomde vaak nog slechts een vage herinnering. Daarom kunnen dromen en gezichten tot een zinnebeeld voor onwerkelijkheid worden: ‘En als een droom, een nachtgezicht, zal de menigte van al de volken worden, die ten strijde trokken tegen de Vuurhaard, ja, allen die hem en zijn verschansingen bestreden, en die hem in het nauw brachten. En het zal zijn, zoals wanneer een hongerige droomt, dat hij eet, maar als hij ontwaakt, is hij nog onverzadigd; en zoals wanneer een dorstige droomt, dat hij drinkt, maar als hij ontwaakt, is hij nog uitgeput en dorstig; zo zal het zijn met de menigte van alle volken, die tegen de berg Sion ten strijde trekken’ (Jes. 29:7-8). Deze opvatting over dromen als duidelijk voorbeeld van onwerkelijkheid vinden we behalve bij de profeet Jesaja nog in de wijsheidsliteratuur (Job 20:8; Pred. 5:2, 6; vgl. Ps. 73:20). Het contrast tussen droom en werkelijkheid kan ook als positief ervaren worden: ‘Toen de Here de gevangenen van Sion deed wederkeren, waren wij als degenen die dromen’ (Ps. 126:1). Hier is de werkelijkheid zelf onwerkelijk als een droom.

Droom als communicatie

Omdat de droom een ander werkelijkheidsgehalte heeft dan de wereld zoals wij die in wakende toestand waarnemen, geldt de droom in veel bijbelse teksten als een ge-eigende vorm waarin God zijn wil aan mensen kenbaar maakt. Zo geeft God door middel van een droom aan mensen in een concrete situatie een waarschuwing of sturing om hen de juiste beslissing te doen nemen (Gen. 20:3, 6; Gen. 31:24). ‘God spreekt op één wijze, of op twee, maar men let daar niet op. In een droom, in een nachtgezicht, wanneer diepe slaap op de mensen valt, in sluimering op de legerstede – dan opent Hij het oor der mensen, en drukt het zegel op de vermaningen, tot hen gericht, om de mens van zijn doen af te brengen, om hoogmoed van de man te weren, om zijn ziel van de groeve te redden, zijn leven, dat het niet omkome door de spies'(Job 33:14-18).

Ook in een meer algemene zin kan God zijn wil in een droom of visoen aan mensen kenbaar maken (Gen. 35:5-10), om hen te bemoedigen (Gen. 15:1; 28:10-19; 31:10-11), een vraag ter beslissing voor te leggen (1 Kon. 3:5, 15) of ook om hen angst in te boezemen: ‘Wanneer ik denk: Mijn bed zal mij troost brengen, mijn legerstede mijn klacht verlichten, dan verschrikt Gij mij door dromen en beangstigt mij door gezichten’ (Job 7:13-14); hier gaat het om wat wij een nachtmerrie noemen. Wat hun strekking en betekenis betreft, zijn al deze dromen voor hun ontvanger zondermeer duidelijk. Zij behoeven geen uitleg. In veel gevallen maakt God in dromen de toekomst bekend. Die toekomst staat vast en kan door mensen niet meer beïnvloed worden. Daarbij zijn de ontvangers van deze dromen vaak wel onrustig, omdat de betekenis van hun dromen onduidelijk is; zonder uitleg kan de strekking ervan niet begrepen worden. Hier ligt de verdienste van de grote droomuitleggers Jozef (Gen. 40-41) en Daniël (Dan. 2, 4, 8). De uitlegger kan zelf ook een heiden zijn, zoals in Richteren 7:13-15, waar de droom en zijn uitleg er met name toe dienen de in het geheim meeluisterende Gideon een hart onder de riem te steken.

Profetie en apocalyptiek

Vanuit deze relatie tussen dromen en visioenen en de toekomst wordt begrijpelijk dat de droom en het visioen op veel plaatsen als de typische weg worden beschouwd waarlangs God zijn wil aan zijn profeten bekend maakt (Num. 12:6; Hos. 12:11). Dat geldt evenzeervoor de heidense profeet Bileam (Num. 24:4, 16) als voor de bijbelse profeten (Samuël, 1 Sam. 3; Nathan, 2 Sam. 7). De profeet kon daarom volgens 1 Samuël 9:9 in vroeger tijd eenvoudigweg ‘ziener’ genoemd worden. In de opschriften van de boeken Jesaja en Eze-chiël staat het begrip ‘gezicht’ samenvattend voor alle door deze profeten ontvangen boodschappen (vgl. 2 Kron. 32:32). In het boek Jeremia (23; vgl. 29:8) schijnen dromen daarentegen vooral bij onbetrouwbare profeten te horen. Voor de hoorders is er de zware taak, tussen ware en ‘valse’ profeten, tussen betrouwbare en leugenachtige dromen te onderscheiden (Deut. 13:1; Jer. 23:32; Zach. 10:2).

Voor een verre toekomst verwacht Joël 2:28 dat de grenzen tussen profeten en niet-profeten zullen wegvallen: ‘Daarna zal het geschieden, dat Ik mijn Geest zal uitstorten op al wat leeft, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen; uw jongelingen zullen gezichten zien’. De verandering in de omgang van God met de mensen zal zo volkomen zijn, dat ook andere belangrijke verschillen – oud en jong, man en vrouw – geen rol meer zullen spelen. Van visioenen of ‘gezichten’ is vooral sprake bij de profeten Bileam (Num. 24), Jesaja en Ezechiël. Van Amos (7-9) en Zacharia (1-5) kennen we ook een aantal visioenen, zonder dat hier het begrip als zodanig gebruikt wordt (wel het werkwoord ‘zien’, vgl. ook 1 Kon. 21:19). Een wezenlijk verschil tussen dromen en visioenen is niet aanwijsbaar, ook niet in die zin dat in een visioen meer nadruk zou liggen op het visuele aspect, terwijl in een droom meer ruimte zou zijn voor het gesproken woord. Het is mogelijk, maar niet zeker of noodzakelijk, dat visioenen in wakende toestand ontvangen werden.

Wanneer wij naar de verdeling van de overgeleverde dromen en visioenen kijken, valt op dat het genre vooral in de sfeer van de apo-calyptiek zeer geliefd is, zonder dat het er overigens mee samenvalt. Over Gods heerlijke toekomst kan slechts in beelden gesproken worden. Door hun tegelijk ont- en verhullend beeldkarakter houden de dromen en visioenen hen die zich van God afkeren in onwetendheid, terwijl ze – eenmaal ontsluierd – juist door hun plastische boodschap voor hen die God trouw blijven een sterke bemoediging betekenen. Daar waar de geschiedenis een apocalyptisch karakter krijgt, drukken schilders zich ook graag in visionaire beelden uit, zoals Hiëronymus Bosch en Salvador Dal!

Nieuwe Testament

In het Nieuwe Testament wordt in het Evangelie van Matteüs (1:20; 2:12-13; 2:19; 2:22, 27:19) herhaaldelijk over dromen gesproken. Het zijn middelen waarmee God mensen ertoe beweegt, zijn plan uit te voeren.

Na zijn opstanding verschijnt Christus aan zijn leerlingen, veel later ook aan Paulus. Lucas duidt deze laatste verschijning in Handelingen 26:19 als een ‘hemels gezicht’ aan; hij denkt blijkbaar niet aan een werkelijke verschijning maar aan een visionaire ervaring. Paulus zelf spreekt in 1 Korintiërs 15:58 met dezelfde woorden over Christus’ verschijning aan de andere apostelen als over die aan hemzelf; dat wijst er op dat hij deze verschijning als een werkelijk gebeuren ervaren heeft. Waarschijnlijk wil Lucas duidelijk maken dat de hemelvaart van Christus een wezenlijke overgang betekende, zodat zijn verschijning aan Paulus niet meer van dezelfde orde kon zijn als die aan de andere apostelen.

Door de dood en opstanding van Christus is het heil dat God voor Israël bereid heeft, ook voor de niet-joden toegankelijk geworden.

Toch hebben de apostelen uit zichzelf niet goed de stap durven zetten om zich nu ook tot de heidenen te wenden. Hier was het nodig dat God Zelf hen een ‘duwtje’ gaf. Wij lezen zowel over Petrus als over Paulus dat zij door God eerst in zinsvervoering, dat wil zeggen in een andere (waarneming van de) werkelijkheid gebracht werden voordat zij de vrijmoedigheid hadden om met heidenen over het heil van God te spreken (Hand. 10:10; 11:5; 22:17).

Naar aanleiding van het Pinkstergebeuren citeert Petrus de belofte van Joël over de werking van Gods Geest in het eind van de tijd (Hand. 2:17); deze belofte is met deze uitstorting van de Geest in vervulling gegaan. Het betekent dat de gewone levensverhoudingen ingrijpend veranderd zijn. Niet alleen wordt voor de gelovigen de werkelijkheid (door dromen en visioenen) geopend voor een nieuwe dimensie van bestaan; ook natuurlijke verschillen als leeftijd en geslacht spelen geen rol meer. Door hun deel krijgen aan Jezus Christus zijn de gelovigen immers opgenomen in een nieuwe levenswerkelijkheid waarin verschillen die aan de levensontplooiing van mensen in de weg staan, weggevallen zijn (vgl. Gal. 3:28). Vanuit deze nieuwe oorsprong van hun leven mogen de gelovigen naar een toekomst toe ‘dromen’ waarin het wegvallen van deze verschillen werkelijkheid wordt. Zulke dromen zijn niet onwerkelijk want zij zijn verankerd in de werkelijkheid van God.

Paulus maakt er aanspraak op dat hij visioenen heeft geschouwd (2 Kor. 12:1). Hij is zodoende als profeet gelegitimeerd. Hij brengt deze bijzondere kwaliteit ter verdediging van zichzelf ter sprake, maar ervaart dit als een nederlaag. Eigenlijk zou zijn boodschap op zich voldoende moeten zijn om hem als door Christus gezonden apostel te legitimeren.

In het apocalyptisch gekleurde boek Openbaring vinden we beschrijvingen van talrijke visioenen. Ook in het Nieuwe Testament gaan apocalyptiek en visioen hand in hand. In hun beeldtaal maken deze visioenen veelvuldig gebruik van de visioenen in het Oude Testament, vooral die in het boek Daniël. De voor het onderwijs van Jezus zo karakteristieke gelijkenissen hebben met de dromen en visioenen gemeenschappelijk, dat ook zij werkelijkheden van God in beelden uitdrukken. Aan de ene kant brengen zij deze werkelijkheden daardoor dichter bij de mensen, aan de andere kant verbergen zij juist dat wat zij ter sprake brengen: zij zijn er op aangewezen om uitgelegd te worden.

Kern

God maakt Zich in deze wereld kenbaar, maar wat Hij van Zichzelf meedeelt, is toch niet zonder meer toegankelijk: dromen moeten uitgelegd worden (en ook dat uitleggen is een gave van God, Dan. 2:27-28), visioenen eveneens; hier zijn het in de regel engelen die als uitlegger van het geschouwde fungeren (Zach. 1-5; Dan. 7; Op. 7, 10, 11, 17, 19, 21, 22). Daarmee is iets benoemd dat structureel bij het spreken van en over God hoort. God kan ter sprake gebracht worden, en de dingen die in de wereld gebeuren vragen er ook om dat God daarbij ter sprake gebracht wordt. Tegelijk onttrekt God Zich eraan, in menselijke woorden en beelden vastgelegd te worden. Om die reden kan al het menselijk spreken over God nooit ‘sluitend’ of ‘dwingend’ worden. En toch gaat het in dit spreken wérkelijk over God. Deze dubbelheid wordt in dromen en visioenen als het ware tastbaar: zij kunnen voor menselijk beleven haarscherp zijn, terwijl zij door hun aard toch aan onze alledaagse werkelijkheid onttrokken zijn.

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: openbaring, profeet, verschijning, gelijkenis, zien.

< Terug