< Terug

Profeet, profetie

Geloofstaal & cultuurtaal

Een profeet is voor de gemiddelde Nederlander iemand die de toekomst voorspelt, of die pretendeert dat te kunnen doen. Want, zoals het voorbeeld van een weerprofeet laat zien, de bovennatuurlijke gaven van een profeet worden vaak met de nodige scepsis benaderd. Dat geldt ook voor de profeten die in verschillende religies een rol spelen, zoals Mohammed in de islam.

Christenen denken bij ‘profeet’ eveneens doorgaans aan iemand die uitspraken doet over de toekomst. Voor hen is profetie een bijzondere gave van de Heilige Geest. Achter echte profetie ligt openbaring van God.

Woorden

In het Oude Testament is ‘profeet’ doorgaans de vertaling van het Hebreeuwse navi. Daarnaast worden aanduidingen gebruikt die vertaald worden met ‘ziener’ (zie m.n. 1 Sam. 9:9) of ‘man Gods’ (2 Kon. 5:8).

De Septuagint vertaalt navi met prophètès, waarvan het Nederlandse ‘profeet’ is afgeleid. Een prophètès was iemand die woorden van de godheid vertolkte en aan de mensen doorgaf. Hij werd van de waarzegger onderscheiden. Zijn woorden hoefden niet per se op de toekomst te slaan. In het Nieuwe Testament wordt deze term gebruikt voor profeten die optraden in de christelijke gemeenten (Hand.13:1).

Met ‘profetie’ kan zowel het optreden als de boodschap van profeten bedoeld zijn. Het woord komt regelmatig voor in het Nieuwe Testament (Mat. 13:14; 1 Kor. 12:10), maar zelden in het Oude Testament (Neh. 6:12). In het Oude Testament wordt de boodschap van profeten doorgaans aangeduid met termen als ‘woord van de Here’ en ‘gezicht’ (2 Kon. 10:10; Ob. 1). In 2 Kronieken 9:29 heeft ‘profetie’ betrekking op een door een profeet geschreven geschrift.

Betekenis in context

Oude Testament

Bode van God

In Richteren 6:7-10 stuurt deHere een verder onbekende profeet naar de Israëlieten toe. De profeet begint zijn toespraak met ‘zo zegt de Here’. Deze formule komt in heel veel profetische toespraken voor. Dezelfde uitdrukking werd door boden gebruikt, wanneer zij de woorden van degene die hen gezonden had aan de geadresseerde overbrachten (zie bijv. Gen. 32:4; Num. 22:16; 1 Kon. 20:2v). Daaruit blijkt dat profeten boodschappers van God zijn die zijn woorden aan mensen overbrengen (vgl. in dit verband ook Ex. 7:1v: omdat Aäron voor Mozes het woord voert, wordt hij Mozes’ profeet genoemd!).

In het vervolg van zijn toespraak wijst de profeet op Gods daden en geboden uit het verleden en op Israëls eigen weigering naar God te luisteren. Over de toekomst rept hij met geen woord.

Hofadviseur

Als koning David een tempel wil gaan bouwen, legt hij zijn plan aan de profeet Natan voor. Natan betuigt zijn instemming. Maar ‘s nachts laat de Here hem weten het daar niet mee eens te zijn. De Here zal Zelf een koningshuis voor David bouwen. Pas na Davids dood mag zijn zoon de tempel bouwen (2 Sam. 7).

Natan fungeerde kennelijk als een soort hof-adviseur van David. Hij was profeet, maar wist daarom nog niet direct wat de wil van God was. Pas in de loop van de nacht komt hij daarachter, doordat de Here hem dat onthult. Hoe dat in zijn werk ging, wordt niet verteld. Er staat alleen, zoals zo vaak, dat het woord van de Here naar Natan toekwam (vs. 4).

Namens de Here moet Natan David kritisch aanspreken op zijn voornemen een tempel te bouwen (vs. 5-7). Daarnaast ontvangt David toezeggingen met het oog op de nabije en de verre toekomst (resp. vss. 9-15 en vs. 16). Die toezeggingen zijn geen blauwdruk die altijd zonder enige wijziging verwerkelijkt wordt. Anders dan in vers 10 staat, is Israël in later tijd namelijk wel degelijk door vijanden opgeschrikt en onderdrukt. Kennelijk had die toezegging, zonder dat het uitdrukkelijk vermeld werd, een voorwaardelijk karakter. Onvoorwaardelijk is echter Gods belofte van blijvende trouw aan Davids zoon (vs. 15). Aan Davids dynastie zal geen einde komen (vs. 16). Later zal blijken dat die belofte gerealiseerd wordt in het koningschap van Davids nakomeling Jezus Christus.

Lid van een groep

In 1 Koningen 22 blijkt koning Achab over maar liefst vierhonderd profeten te beschikken. Zij worden als Achabs eigen profeten aangeduid (zie vs. 22v). Mogelijk stonden zij officieel in zijn dienst en werden zij door hem van levensonderhoud voorzien. Daardoor waren zij nog nauwer aan Achabs hof gelieerd dan Natan aan dat van David. Dergelijke hofprofeten kwamen ook buiten Israël voor (vgl. ook 1 Kon. 18:19, over de 850 profeten van de afgoden Baal en Asjera die Achabs vrouw Izebel in leven hield).

In dezelfde tijd treffen wij grote groepen profeten rond Elia en Elisa aan (in de SV aangeduid als ‘zonen’ of ‘kinderen der profeten’). Waaruit hun activiteiten als profeten bestonden, is niet helemaal duidelijk. In elk geval stonden zij niet in dienst van het hof. Eerder verzetten zij zich net als Elia en Elisa tegen de godsdienstpolitiek van Achab.

Ook met betrekking tot de groepen profeten in 1 Samuël 10:5-13 en 19:18-24 blijft veel in nevelen gehuld. Zij werden aangegrepen door de Geest van God en raakten ‘in geestvervoering’ (NBG-51; de SV vertaalt met ‘profeteren’). Toen dit koning Saul overkwam, trok hij zijn kleren uit en lag de hele nacht naakt op de grond (1 Sam. 19:24). Van dergelijk gedrag, dat sterk aan extase doet denken, vind je bij Natan en vele andere profeten geen spoor. Het dichtst in de buurt komt nog Eze-chiël, die jarenlang niet kon spreken (Ez. 3:26v; 24:27; 33:22; vgl. verder Jer. 29:26; Hos. 9:7; Zach. 13:3-6)

Geen beroep

Een opmerkelijke passage is Amos 7:10-17, de confrontatie tussen Amos en Amasja, de priester van Betel. Net als Elia valt Amos de politiek van de koning van Israël aan en heeft hij geen enkele relatie met het hof. Met een beroep op het koninklijke karakter van het heiligdom in Betel verbiedt Amasja Amos daar nog langer als profeet op te treden. Amos antwoordt dat hij helemaal geen profeet is. Hij is een veehouder en kweker van moerbeivijgen. Maar de Here heeft hem de opdracht gegeven tegen Israël te profeteren.

Het zal stellig niet Amos’ bedoeling geweest zijn zich van alle profeten (zoals Natan en Elia) te distantiëren (vgl. Am. 2:nv; 3:7v). Hij haakt in op Amasja’s advies dat hij maar in Juda moet proberen als profeet aan de kost te komen (vs. 12). In reactie däärop zegt Amos dat profeteren bij hem geen kwestie van beroep of broodwinning is. De enige reden waarom hij profeteert, is dat de Here hem dat heeft opgedragen.

Eén tegenover anderen

Dat laatste geldt evenzeer voor Jeremia. Hij zal geen bezwaar gehad hebben tegen de aanduiding ‘profeet’. De Here had hem immers met zoveel woorden als zodanig aangesteld. Wel verzette Jeremia zich tegen die aanstelling met de opmerking dat hij te jong was om als spreker te kunnen optreden (Jer. 1:5v).

Toch trad hij vele jaren als profeet op. Gods bevel was hem te machtig en Gods woord hem te lief (vgl. Jer. 15:16; 20:9).

Uit het verhaal van Jeremia’s roeping komt duidelijk naar voren wat essentieel was voor zijn activiteiten als profeet. De Here Zelf legde hem zijn woorden in de mond. Die woorden moest hij doorgeven en dat niet alleen aan Gods eigen volk (Juda) maar ook aan andere volken (1:5, 9).

Blijkens Jeremia 1:13-16 zou het in die woorden met name gaan om de komst van Gods oordeel vanwege het dienen van andere goden. In de loop van het boek Jeremia wordt steeds duidelijker dat het oordeel onafwendbaar is. In 18:7-10 wordt gewezen op het voorwaardelijke karakter van profetische aankondigingen. In geval van bekering kan de Here afzien van reeds aangekondigd onheil, maar de inwoners van Jeruzalem kunnen zichzelf daarmee niet langer geruststellen. Zij hebben al zo lang geweigerd naar de profeten te luisteren, dat hun stad en hun land nu echt verwoest gaan worden (zie Jer. 25:1-11; 35:1217). Jeremia krijgt dan ook verschillende keren te horen dat hij niet meer voor zijn volk mag bidden (zie 7:16; 11:14; 14:11). En dat terwijl men juist van profeten verwachtte, dat zij voor anderen voorbede deden (zie o.a. Gen. 20:7; 2 Kon. 19:2-4; Jer. 21:2; 42:2-4).

Vanaf het begin wist Jeremia dat hij met tegenstand te maken zou krijgen (Jer. 1:18v). Tot Jeremia’s tegenstanders behoorden ook profeten, waarvan er kennelijk heel wat waren. Zij accepteerden Jeremia’s aankondiging van de verwoesting van de tempel en de stad Jeruzalem niet en spiegelden hun volksgenoten een vredige toekomst voor (Jer. 6:137 26:7-11). Het waren valse profeten. Volgens Jeremia 23:18-22 zijn dat mensen die pretenderen profeten te zijn, maar liegen. Anders dan echte profeten zijn zij niet ingewijd in de geheimen van Gods hemelse overleg. De Hereheeft hen niet gezonden en niet tot hen gesproken.

Het moet voor de mensen in Jeruzalem niet eenvoudig geweest zijn uit te maken wie nu werkelijk een profeet van de Here was en wie niet. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de confrontatie tussen Jeremia en Chananja in Jeremia 28. Chananja’s boodschap dat het binnen twee jaar afgelopen zal zijn met de Babylonische bedreiging staat haaks op die van Jere-mia. Maar ook hij gebruikt de formule ‘zo zegt de Here’ (vs. 11). En hij onderstreept zijn woorden met een symbolische daad die de daad van Jeremia zelf lijkt te overtreffen (vs. 10; voorbeelden van andere symbolische handelingen waarmee de profeten hun woorden kracht bij zetten zijn te vinden in o.a. Jes. 20; Jer. 19:10-13; Ez. 12:1-16). Jeremia is niet direct in staat afdoende aan te tonen dat hij de ware en Chananja een valse profeet is. Hij moet volstaan met de tegenwerping dat zijn eigen onheilsprofetie overeenstemt met wat de profeten vanouds gezegd hebben. Dan gaat hij weg en moet wachten op een nieuw woord van de Here(vgl. ook Jer. 42:7).

Op welke manier Jeremia dat woord van de Here ontving, wordt niet verteld. In Numeri 12:6 zegt de Here dat Hij Zich door middel van dromen en visioenen aan de profeten bekendmaakt. Het visioen als openbaringsmiddel speelt een grote rol bij onder andere Ezechiël en Zacharia. Bij Ezechiël wordt in dat verband regelmatig de Geest genoemd, die de profeet optilt en verplaatst (zie Ez. 3:1214; 8:3; 11:1, 24). Maar ook valse profeten beriepen zich op dromen en visioenen (vgl. Jer. 23:25, 27, 32; Ez. 13:7). Wat dat betreft, bleef dus het woord van de een tegenover dat van de ander staan. Pas na verloop van tijd kon blijken wiens woorden uitkwamen en wie dus echt namens God gesproken had (vgl. Deut. 18:21v; Jer. 28:9, 15-17). Tot die tijd zat er voor de mensen niets anders op dan de boodschap van de profeten met vroegere godsopenbaring te vergelijken (bijv. op het punt of zondige mensen tot bekering werden opgeroepen of niet; vgl. Jer. 23:22).

In Jeremia’s geval bleek zijn gelijk, toen Jeruzalem verwoest en de bevolking in ballingschap gevoerd werd. Ook zijn aankondiging dat de ballingen na 70 jaar weer zouden mogen terugkeren kwam uit (Jer. 29:10; 2 Kron. 36:22). Ondertussen waren zijn profetieën op schrift gesteld, waarmee zijn secretaris Baruch een begin had gemaakt (Jer. 36:3 2). Zo bleven zijn woorden, evenals die van de andere profeten, bewaard en konden vele generaties joden zich erdoor laten leren en bemoedigen.

Nieuwe Testament

Aankondiging van Christus

Op de drempel van de nieuwtestamentische tijd wordt de priester Zacharias vervuld met de Heilige Geest en begint te profeteren (Luc. 1:67). Dat houdt allereerst in, dat hij God looft om de redding die Hij zijn volk brengt door de geboorte van Johannes en de aanstaande geboorte van het kind van Maria (vss. 68-75). Deze redding was aangekondigd door de oudtestamentische profeten. Of liever: door de Here Zelf, want Hij was het die door de mond van de profeten sprak (vs. 70). Verder onthult Zacharias wat zijn zoon Johannes in de nabije toekomst gaat doen. Johannes zal zelf een profeet zijn. Hij zal de weg klaarmaken voor de komst van de Here en Gods volk de kennis van Gods verlossing bijbrengen (vss. 76-79). Johannes maakte dat waar door de mensen te verkondigen dat Gods oordeel voor de deur stond en hen op te roepen tot bekering (Luc. 3; vgl. ook 1:15-17). Vele mensen erkenden, dat hij een profeet was (Mat. 14:5; Mar. 11:32; Luc. 20:6). Jezus Zelf zei dat Johannes meer dan een profeet was; hijwas ‘Elia, die komen zou’ (Mat. 11:14; vgl. ook 17:10-13; Mal. 4:5).

Zacharias’ overtuiging dat de oudtestamentische profeten gesproken hebben over de komst en het werk van Jezus Christus is kenmerkend voor heel het Nieuwe Testament. Jezus Zelf wijst de Emmaüsgangers erop, dat de profeten al gezegd hebben dat Hij alleen langs de weg van lijden kon binnengaan in zijn heerlijkheid. Vervolgens legt Hij hun alles uit wat bij ‘Mozes en al de profeten’ op Hem betrekking heeft (Luc. 24:25-27). Daarbij fungeert ‘profeten’ als aanduiding van een aantal boeken van het Oude Testament (vgl. o.a. Mat. 5:17; 22:40; Luc. 16:29; Hand. 13:15). Matteüs wijst keer op keer de vervulling van de profetie aan in wat Jezus doet en wat Hem overkomt (o.a. Mat. 2:14-17, 23; 21:4v). Volgens Petrus spraken de profeten over de genade die voor de nieuwtestamentische gemeente bestemd was. Daarbij vroegen zij zich af, op welke tijd hun woorden zouden slaan. De Geest van Christus sprak door hen en getuigde van tevoren van wat Christus overkomen zou (1 Petr. 1:10-12). Omdat het de Geest was die de profeten dreef, mogen mensen de profetische geschriften van het Oude Testament niet naar eigen believen uitleggen. Uitleggers dienen zich te houden aan de bedoeling van de Geest, zoals die uit het geheel van de Schrift naar voren komt (2 Petr. 1:20v).

De profeet

Nadat Jezus met behulp van vijf broden en twee vissen duizenden mensen te eten gegeven had, zeiden zij: ‘Deze is waarlijk de profeet, die in de wereld komen zou’ (Joh. 6:14). Kennelijk verwachtten zij aan het einde van de tijd een bijzondere profeet. Sommigen dachten, dat in Jezus een van de oude profeten was opgestaan (Luc. 9:8, 19), anderen hielden Hem in meer algemene zin voor een profeet (zie bijv. Mat. 21:46; Mar. 6:15). Daarbij speelden zijn wonderen een minstens zo belangrijke rol als zijn optreden als prediker (zie Luc. 7:11-17; 24:19).

Jezus duidde Zichzelf alleen impliciet als profeet aan (Mat. 13:57; Luc. 4:24; 13:33). Verschillende kenmerken van de profeten zijn echter duidelijk op Hem van toepassing, zoals de zalving met Gods Geest en de verkondiging van woorden van God, ook over de toekomst (zie bijv. Luc. 3:22; 4:187 Mat. 24). In Handelingen 3:22 en 23 haalt Petrus Mozes’ belofte uit Deuteronomium 18 aan: de Here zal een profeet doen opstaan, naar wie men moet luisteren op straffe des doods. Volgens de gebruikelijke interpretatie van deze passage wil Petrus zeggen dat Jezus die beloofde profeet is.

Gave van de Geest

Niet alleen van de oudtestamentische profeten en van Johannes de Doper en Jezus Christus geldt dat zij door de Geest van God in staat gesteld werden tot profetisch optreden. Ook leden van de nieuwtestamentische gemeenten, zowel mannen als vrouwen, deelden in de bijzondere geestesgave van de profetie (zie o.a. Hand. 13:1; 21:9; Rom. 12:6v; 1 Kor. 12:810; Ef. 4:11).

Paulus schrijft uitvoerig over deze gave in 1 Korintiërs 14. Hij contrasteert de profetie met het spreken in tongen. In tegenstelling tot profetie is tongentaal zonder uitleg niet verstaanbaar. Daarom kan de gemeente wel door profetie opgebouwd, vermaand en bemoedigd worden, maar niet door spreken in tongen (vs. 2-5). Door profetie wordt duidelijk wat er in ongelovigen leeft en worden zij tot aanbidding van God gebracht (vs. 24v). Tijdens de bijeenkomsten van de gemeente kunnen verschillende profeten tegelijk aanwezig zijn. Als profeten zijn zij niet boven alle kritiek verheven: de anderen moeten hun woorden beoordelen. Een profeet kan plotseling een openbaring krijgen. In dat geval moet degene die op dat moment aan het woord is even wachten en voorrang geven aan de nieuwe openbaring (vs. 29-33).

Uit Paulus’ woorden wordt niet duidelijk of de profeten in Korinte ook onthullingen over de toekomst deden. Dergelijke profeten waren er wel in de nieuwtestamentische gemeenten. Te denken valt aan Agabus in Handelingen 11:27 en 28 en 21:10 en 11, maar ook aan Johannes op Patmos (zie o.a. Op. 1:3; 10:11; 22:7, 9). Aan de andere kant wordt ook van ‘profeteren’ gesproken als het niet speciaal of helemaal niet om uitspraken over de toekomst gaat. In zijn toespraak op het pinksterfeest haalt Petrus de profetie van Joël aan: uw zonen en uw dochters zullen profeteren’ (Hand. 2:17). Dat gebeurde volgens Petrus op datzelfde moment (vs. 16). Maar op dat moment gaven de volgelingen van Jezus geen onthullingen over de toekomst. Zij spraken in allerlei talen over de grote daden die God verricht had (vs. 4-11). Kennelijk was dat voor Petrus voldoende om te spreken van de vervulling van Joëls profetie.

Doelt Paulus in 1 Korintiërs 14 op een geestesgave met een blijvend karakter? Christenen denken daar verschillend over. Zij zijn het erover eens, dat Mozes’ wens ‘och, ware het gehele volk des Heren profeten’ (Num. 11:29) in de nieuwtestamentische tijd in vervulling is gegaan. Profetie is een blijvende gave in de nieuwtestamentische gemeente. Dat geldt in elk geval voor profetie als het spreken over Gods grote daden (vgl. Hand. 2). Maar geldt het ook voor het ontvangen van rechtstreekse openbaringen, zoals in 1 Korintiërs 14?

Paulus zegt dat die vorm van profetie eens geen rol meer zal spelen (1 Kor. 13:8), maar hij geeft nergens expliciet aan wanneer dat precies het geval zal zijn. Hij roept op naar deze gave te streven (1 Kor. 14:1; vgl. ook 1 Tess.5:20: ‘veracht de profetieën niet). Aan de andere kant worden de nieuwtestamentische profeten samen met de apostelen genoemd als het fundament waarop de gemeente gebouwd wordt (Ef. 2:20; vgl. ook 3:5; 4:11). Als zodanig staan zij aan het begin van de nieuwtestamentische kerk. God heeft Zichzelf in Jezus Christus uitgesproken als nooit tevoren (vgl. Hebr. 1:1). Daarvan hebben de apostelen getuigd. Het resultaat daarvan is te vinden in het Nieuwe Testament. Als profetische openbaringen nog voorkomen in de nieuwtestamentische gemeente zullen zij altijd beoordeeld moeten worden in het licht van de apostolische geschriften van het Nieuwe Testament.

Kern

Veel profetie in de Bijbel heeft betrekking op de toekomst. Het Nieuwe Testament laat zien dat de oudtestamentische profeten spraken over het toekomstige werk van Jezus Christus. Het is dus begrijpelijk dat ‘profetie’ vaak als ‘spreken over de toekomst’ wordt opgevat. Toch blijkt zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament, dat ‘profetie’ in de Bijbel een bredere betekenis heeft. Essentieel voor de echte profeten van God is, dat God tot hen gesproken heeft en dat zij zijn woorden aan de mensen doorgeven. Zij zijn dus woordvoerders van God op aarde.

Mensen konden zich ook ten onrechte als boden van God voordoen. Bovendien waren er profeten van andere goden. Echt en onecht konden niet zomaar van elkaar onderscheiden worden. Beslissingen daarover raakten ten diepste je eigen geloof. De enige manier om eruit te komen was een zorgvuldige vergelijking van de boodschap van de profeten met de reeds eerder gegeven woorden van

God.

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: belofte, droom, evangelie, gave, Geest, openbaring, verkondigen, vervulling, woord.

< Terug