< Terug

Geest, Heilige Geest

Geloofstaal & cultuurtaal

Van alle christelijke feestdagen is Pinksteren – het feest van de uitstorting van de Heilige Geest – wel het minst bekende en in ieder geval meest onbegrepen feest dat de christelijke kerk viert. Het wordt in de praktijk vaak in verband gebracht met een of twee vrije dagen in het voorjaar, zonder dat men op de hoogte is van de inhoud en de betekenis ervan. ‘Geest’ kent men hooguit nog als een grappige of angstaanjagende spookverschijning in een tekenfilm of een thriller of uit (vaak aan de Bijbel ontleende) uitdrukkingen als ‘de geest krijgen’ (zich ergens enthousiast voor inzetten), ‘de geest geven’ of ‘met tegenwoordigheid van geest handelen’.

Er is onder gelovigen soms ook een zekere huiver om over het werk van Gods Geest te spreken. Men ervaart het als ongrijpbaar, associeert het soms met ervaringen die de controle over zichzelf doen verliezen en een ongemakkelijk gevoel oproepen. In de kerkgeschiedenis zijn het vaak bewegingen aan de rand van de officiële kerk of daarbuiten geweest, die een bijzondere nadruk op de werking van Gods Geest legden. Volgens de overtuiging van velen stond het werk van de Heilige Geest dan ook vaak op gespannen voet met de officiële kerkelijke leer en praktijk. En hoewel er in onze tijd sprake is van een kentering – een herwaardering van het werk van de Heilige Geest vanuit de charismatische beweging – blijkt het onderwerp als zodanig nog steeds aanleiding te zijn tot grote verdeeldheid. En dat terwijl het volgens Paulus juist kenmerkend is voor de werking van Gods Geest dat die eenheid bewerkt (1 Kor. 12:12-13).

Woorden

Het woord ‘Geest/geest’ in onze bijbelvertalingen gaat terug op het Hebreeuwse roeach en het Griekse pneuma. De betekenis van beide woorden kan variëren van ‘wind, adem en levensadem’ tot ‘geest’ in verschillende betekenisnuances.

Roeach heeft de betekenis ‘wind’ in onder andere Genesis 3:8 en 1 Koningen 18:45. In deze betekenis wordt het soms overdrachtelijk betrokken op ‘leegheid, zinloosheid’ (Pr. 5:15 ‘zich voor wind aftobben’). Met name de oostenwind, die een verzengende hitte uit de woestijn aanvoert, wordt in het Oude Testament nogal eens in verband gebracht met het oordeel van God (Ps. 48:8; Jer. 18:17; Ez. 17:10; Hos. 13:15; Jona 4:8). In het Nieuwe Testament heeft pneuma de betekenis ‘wind’ alleen in Johannes 3:8a en in Hebreeën 1:7, een aanhaling uit de Griekse vertaling van Psalm 104:4 (‘die zijn engelen maakt tot winden’).

In de betekenis ‘adem’ heeft roeach betrekking op het (uit)ademen van lucht door levende wezens, de adem die vitaal is om te kunnen leven (Ps. 146:4). Ook ademen wordt wel in verband gebracht met het oordeel van God (Job 4:9; Jes. 11:4). In aansluiting hierop wordt in 2 Tessalonicenzen 2:8 gezegd dat Christus de wetteloze zal ombrengen ‘met de adem (pneuma) van zijn mond’ (d.w.z. door eenvoudigweg te ademen!).

Het Hebreeuwse en Griekse woordgebruik stemmen ook buiten de Bijbel tot op grote hoogte met elkaar overeen. Zoals uit de verschillende moderne vertalingen al wel blijkt, is het in tal van teksten moeilijk of zelfs onmogelijk om vast te stellen of er sprake is vangeest (de menselijke geest) of van Geest (de Heilige Geest) of van geest in nog een andere zin van het woord.

Betekenis in context

Levensadem, levensgeest

In de Bijbel heeft het woord ‘geest’ in de eerste plaats betrekking op dat wat het lichaam tot een levend organisme maakt, de levensadem of de levensgeest: ‘het lichaam zonder geest is dood’ (Jak. 2:26); ‘de geest is het die levend maakt, het vlees helpt niets’ (Joh. 6:63, een tekst die doorgaans op de Heilige Geest betrokken wordt – ‘de Geest is het die levend maakt… ‘ – en dan hetzelfde principe overdrachtelijk uitdrukt). In Openbaring 13:15 is sprake van een beeld, waaraan een ‘(levens)-geest’ werd gegeven, zodat het een bezield wezen werd, een demonische karikatuur van de schepping van de mens in Genesis 2:7. Wanneer de geest het lichaam verlaat, treedt de dood in. Een ook buiten de Bijbel gangbare uitdrukking daarvoor is ‘de geest geven’ of ‘de geest overgeven’ (bijv. Hand. 7:59). In een unieke zin wordt van Jezus gezegd dat hij zijn levensgeest overgeeft aan de Vader (Mat. 27:50; Luc. 23:46; Joh. 19:30, met in het Grieks steeds een ander werkwoord; vgl. Ps. 31:6). Wanneer anderzijds iemand uit de doden wordt opgewekt, kan gezegd worden dat zijn of haar ‘(levens)geest terugkeert’, zoals bijvoorbeeld bij het dochtertje van Jaïrus (Luc. 8:55). Zo wordt ook van de twee getuigen in Openbaring 11 gezegd dat er in hen ‘een (levens)geest uit God’ kwam, waardoor zij weer tot leven kwamen (Op. 11:11).

De menselijke geest

In nauwe aansluiting op de zojuist genoemde betekenis kan ‘geest’ in de tweede plaats meer algemeen de immateriële kant van de mens aanduiden, zijn innerlijk, de bron van denken, willen en voelen, datgene waardoor hij bestuurd en tot handelen aangezet wordt, of zoals 2 Korintiërs 2:11 het zegt, ‘des mensen eigen geest’ (onderscheiden van Gods Geest). Van Jezus wordt op een gegeven moment gezegd dat Hij ‘in zijn geest’ verbolgen (Joh. 11:33) en ontroerd was (Joh. 13:21), van Paulus wordt gezegd dat ‘zijn geest in hem geprikkeld werd’ bij het zien van de vele afgodsbeelden in Athene (Hand. 17:16). Als zodanig kan het staan naast en onderscheiden worden van de buitenkant van de mens, ‘het lichaam’ (sooma) of ‘het vlees’ (sarx). Zo zegt Paulus tegen zijn lezers dat hij bij hen aanwezig is ‘naar de geest’ – wij zouden zeggen ‘in gedachten’ – hoewel afwezig ‘naar het lichaam’ (1 Kor. 5:3) of, wat op hetzelfde neerkomt, afwezig ‘naar het vlees’ (Kol. 2:7). Behalve van ‘lichaam’ wordt ‘geest’ soms ook onderscheiden van ‘verstand’ (nous), zoals het geval is in 1 Korintiërs 14:14-16, waar ‘bidden en psalmzingen met het verstand’ en ‘bidden en psalmzingen met de (menselijke) geest’ twee afzonderlijke manieren van bidden en zingen aangeven.

Lichaam en geest vormen samen de mens. De oproep om heilig te zijn ‘naar lichaam en geest’ (1 Kor. 7:34) is dan ook een appèl om ‘geheel en al’ heilig te zijn. In die zin zullen we ook 1 Tessalonicenzen 5:23 moeten verstaan, waar de driedeling ‘geest, ziel en lichaam’ een omschrijving is van de mens in zijn totaliteit, niet een opdeling van de mens in drie afzonderlijke compartimenten (zie: ziel). De uitdrukking ‘bezoedeling van het vlees en van de geest’ (2 Kor. 7:1) is dienovereenkomstig op te vatten als een bezoedeling van de héle mens, niet een bezoedeling van (maar) twee afzonderlijke levensterreinen. In meer overdrachtelijke zin wordt ‘geest’ gebruikt in de zin van ‘innerlijke gesteldheid, gezindheid, opstelling’, een manier van spreken die frequent in het Oude Testamentwordt aangetroffen, bijvoorbeeld in uitdrukkingen als ‘nederig van geest’ (Spr. 16:19) en ‘verslagen van geest’ (Jes. 66:2). Ook in het Nieuwe Testament treffen we deze overdrachtelijke manier van spreken aan, bijvoorbeeld in de uitspraak: ‘de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak’ (Mat. 26:41; Mar. 14:38) en in uitdrukkingen als ‘een geest van zachtmoedigheid’ (1 Kor. 4:21; Gal. 6:1), ‘een geest van lafhartigheid’ (2 Tim. 1:7), en ‘een zachtmoedige en stille geest’ (1 Petr. 3:4). In Handelingen 18:25 wordt Apollos omschreven als iemand die ‘vurig van geest’ was (vgl. Rom. 12:11). Johannes de Doper trad op ‘in de geest en de kracht van Elia’ (Luc. 1:17). Gelovigen worden opgeroepen vernieuwd te worden ‘in/door de geest van hun denken’ (Ef. 4:23). Ook is er sprake van ‘de geest van de wereld’ (1 Kor. 2:12), dat wil zeggen: de gezindheid van de wereld.

Hoewel ‘geest’ in de meeste gevallen aanduiding is van een aspect van het mens-zijn (de menselijke geest onderscheiden van het lichaam), kan het soms ook – in overeenstemming met een Hebreeuwse manier van spreken – aanduiding zijn van de mens als geheel. Het woord ‘geest’ is dan min of meer uitwisselbaar met het persoonlijk voornaamwoord (ik, jij, hij, enz.). Bijvoorbeeld: ‘mijn geest heeft zich verblijd over God, mijn Heiland’ (Luc. 1:47) wil zoveel zeggen als ‘ik heb me verblijd over God, mijn Heiland’; ‘zij hebben mijn geest en de uwe verkwikt’ (1 Kor. 16:18) wil zeggen ‘zij hebben mij en u (ons) verkwikt’; en de zegenbede ‘de genade van onze Here Jezus Christus zij met uw geest’ (bijv. Gal. 6:18) komt neer op ‘zijn genade zij met u’ (vgl. Rom. 16:20, 24; 1 Kor. 16:23 enz.).

Geest, geestelijk wezen

In de derde plaats kan het woord ‘geest’ betrekking hebben op een onzichtbaar wezen, een geestelijk wezen, dat zich onderscheidt van het zichtbare, het aardse, het menselijke. Zo wordt van God Zelf gezegd dat Hij ‘Geest’ is (Joh. 4:24a) en derhalve aanbeden moet worden ‘in Geest en waarheid’, een wijze van aanbidden die past bij het wezen van God als de Hoog Verhevene, die het aardse en menselijke ver overstijgt en niet gebonden is aan een bepaalde plaats.

Verder wordt het begrip ‘geest’ betrokken op geestelijke wezens in het algemeen, of ze nu goed zijn of slecht. Het kan concreet betrekking hebben op engelen (Hebr. 1:4) – in Hebreeën 1:14 worden ze ‘dienende geesten’ genoemd – maar ook op andere geestelijke wezens, zoals in Handelingen 23:8-9, waar engelen en geesten kennelijk onderscheiden worden (de Sadduceeën geloven in het bestaan van ‘engel noch geest’ en vs. 9 ‘een geest … of een engel’). Waarschijnlijk wordt daarbij gedacht aan het voortbestaan van de mens na zijn dood als geest. Dit is ook het geval in Hebreeën 12:23, waar sprake is van ‘de geesten der rechtvaardigen, die de voleinding bereikt hebben’. Bij de verschijning van Jezus na zijn opstanding menen de discipelen aanvankelijk een ‘geest’ (in de zin van een spook) te zien (Luc. 24:37).

Vaak is het woord echter aanduiding van uitgesproken slechte geestelijke wezens, boze geesten of demonen. Zo’n wezen kan zonder nadere omschrijving worden aangeduid als ‘geest (Mar. 9:20; Luc. 9:39; 10:29 enz.), waarmee dan wel een bóze geest wordt bedoeld. Het uitdrijven van boze geesten door Jezus (en bij volmacht door zijn discipelen, bijv. Mat. 10:1; Mar. 6:7) is een teken van de nabijheid van het Koninkrijk van God en van de ophanden zijnde nederlaag van de satan (Mat.12:28).

De Geest van God, de Heilige Geest

In de vierde plaats wordt het woord gebruiktter aanduiding van de Geest van God, de Heilige Geest. Hij wordt, in aansluiting op het oudtestamentische spraakgebruik, ‘de Geest van God’ (bijv. Mat. 3:18; 12:28; Rom. 8:14) of ‘de Geest des Heren’ (bijv. Luc. 4_18=Jes. 61:1) genoemd, of ook ‘de Geest van de levende God’ (2 Kor. 3:3). In de meeste gevallen wordt Hij echter aangeduid als ‘de Geest’ zonder meer of – zo nog het meest – als ‘de Heilige Geest’. De Geest wordt verder ‘de Geest der waarheid’ (Joh. 14:17; 16:13) en ‘de Geest des levens’ (Rom. 8:2) genoemd. In Johannes 1416 wordt Hij beschreven als de ‘(andere) pleitbezorger’ (Grieks: paraklètos; in SV en NBG-51 in navolging van Luther vertaald met Trooster). Door deze pleitbezorger zet Jezus na zijn heengaan uit deze wereld als de verhoogde Christus zijn werk op aarde voort (Joh. 14:16, 26; 15:26; 16:7).

Soms wordt de Heilige Geest uitdrukkelijk ‘de Geest van Jezus’ (Hand. 16:7) of ‘de Geest van Christus’ (Rom. 8:9c; 1 Petr. 1:11) genoemd. In een enkel geval wordt de oudtestamentische aanduiding ‘de Geest des Heren’ zelfs regelrecht betrokken op de Geest van Jezus (bijv. 2 Kor. 3:17b; Filp. 1:19), daarmee de eenheid en eensgezindheid van Jezus met God de Vader aangevend. In Romeinen 8:9 worden de Geest van God en de Geest van Christus in één adem genoemd. Ook vinden we formuleringen waarin beiden (Vader en Zoon) met de Geest in verband worden gebracht, zoals ‘de Geest van Hem die Jezus (uit de doden) heeft opgewekt’ (Rom. 8:11), en ‘de Geest van zijn (= Gods) Zoon’ (Gal. 4:6). Bij uitdrukkingen als ‘de belofte van de (Heilige) Geest’ (Hand. 2:33; Gal. 3:14) en ‘de gave (enkelvoud) van de Heilige Geest’ (Hand. 2:38; 10:45) gaat het niet om een belofte door de Geest gedaan of om een gave door de Geest gegeven, maar is het de Heilige Geest zelf die beloofd en gegeven wordt (vgl. bijv. Hand. 10:45 met 10:47). Overigens treffen we in een aantal gevallen een duidelijke woordspeling aan met de betekenis ‘wind’, die het woord pneuma in ander verband vaak heeft (bijv. Joh. 3:8; 20:22; vgl. Hand. 2:2-4).

De Heilige Geest in het Oude Verbond

Het werk van de Geest is in het Oude Testament en het Nieuwe Testament principieel gelijk, met dien verstande dat in het Nieuwe Testament de beperkingen die er waren, zijn opgeheven (zoals in Joël 2:28-32 al wordt aangekondigd; zie ook Num. 11:29). In het Oude Testament maakt de Geest mensen bekwaam om hun door God opgedragen taak uit te voeren (bijv. Ex. 31:3; 35:31), om te profeteren (bijv. Num. 24:2-3), om leiding te geven (bijv. Ri. 3:10) enzovoort. De Geest was slechts werkzaam in enkelingen of in exclusieve groepen, in de geestelijke en politieke leiders zoals richters, profeten, priesters en koningen, en dan slechts tijdelijk en incidenteel. In Numeri 11:24-29, een representatief voorbeeld van de werking van Gods Geest in het Oude Testament, lezen we dat de Here een deel van de Geest die op Mozes rust op de oudsten legt; het gevolg is, dat zij gedurende enige tijd gaan profeteren (vs. 25 ‘doch daarna niet meer’; zie ook 1 Sam. 10:6-12). Koning David ontvangt bij zijn zalving door Samuël de Geest van de Here die hem aangrijpt en toerust tot zijn taak (1 Sam. 16:13). Mensen kunnen de Heilige Geest ook in de weg staan en bedroeven (vgl. Jes. 63:10). In Psalm 51 belijdt diezelfde David zijn schuld tegenover God en mensen en bidt hij om vergeving en vernieuwing. Hij smeekt dat God hem niet zal verwerpen door zijn Geest van hem weg te nemen.

De Heilige Geest in het leven vanJezus

Op basis van Joël 2:28-32 en andere oudtestamentische profetieën (Jes. 32:15; 44:3; Ez. 37:14; Zach. 12:10) verwachtte men een uitstorting van Gods Geest in de eindtijd, een doop ‘met (de Heilige) Geest (en vuur)’, zoals Johannesde Doper het aankondigt (Mat. 3:11; Mar. 1:8; Luc. 3:16; Joh. 1:33). Johannes wijst daarbij concreet op Jezus als de Doper met de Geest. Al rond de geboorte van Jezus, zoals die wordt beschreven in Lucas 1-2, zien we een opmerkelijke toename van de activiteit van de Heilige Geest, een voorbereiding van wat later (met Pinksteren) zou gebeuren. Nog voor de geboorte van Johannes de Doper wordt aangekondigd dat hij ‘met de Heilige Geest vervuld zal worden’ (Luc. 1:15). Zijn moeder Eli-sabet werd vervuld met de Heilige Geest (Luc. 1:41), zijn vader Zacharias evenzo (Luc. 1:67). Johannes groeide op in de kracht van de Heilige Geest (Luc. 1:80). De Geest ‘rustte’ op Simeon (Luc. 2:25), sprak tot hem (Luc. 2:26) en leidde hem naar de plaats waar hij moest zijn (Luc. 2:27).

De Heilige Geest speelt een belangrijke rol in het leven van Jezus. Hij werd geboren ‘uit de Heilige Geest’ (Mat. 1:18, 20; Luc. 1:35). Toen Hij door Johannes in de Jordaan gedoopt werd, daalde de Geest op Hem neer (Mat. 3:16; Mar. 1:10; Luc. 3:22; Joh. 1:32). Johannes kondigt aan dat Jezus degene is die de ‘doop met Geest en vuur’ realiseert (o.a. Luc. 3:16). De Geest stuurt Jezus de woestijn in om verzocht te worden (Mat. 4:1; Mar. 1:12; Luc. 4:1). Op Jezus ‘rust’ de Geest desHeren(Luc. 4_18=Jes. 61:1). De wonderen die Hij doet, met name het uitdrijven van boze geesten, zijn het werk van Gods Geest in Hem (Mat. 12:28; vgl. ook Hand. 10:38).

Na zijn opstanding uit de doden kondigt Jezus met een symbolische handeling (door te blazen!) de komst van de Heilige Geest aan en draagt Hij zijn discipelen op de Geest te ontvangen (Joh. 20:22); in Lucas 24:49 en Handelingen 1:4 zegt Hij dat de ‘belofte van de Vader’ niet lang daarna gerealiseerd zal worden. Op de eerste Pinksterdag, vijftig dagen na de opstanding, wordt de Geest uitgestort over de verzamelde gelovigen (Hand. 2:1-4).

De Heilige Geest in het Nieuwe Verbond na Tink-steren

Ook in het Nieuwe Testament is er nog sprake van een periode ‘waarin de Geest er nog niet was’, dat wil zeggen: nog niet uitgestort was (Joh. 7:39). Met Pinksteren droeg Jezus de Geest die op Hem rustte over op zijn gemeente (Hand. 2:33). Vanaf dat moment openbaart de Geest Zich niet meer incidenteel, maar is Hij ‘tot in eeuwigheid’ bij de gelovigen (Joh.14:16).

Vooral in het boek Handelingen wordt uitvoerig beschreven hoe de Heilige Geest zichtbaar en tastbaar werkzaam is in het leven van de gelovigen. Er worden tal van uitdrukkingen gebruikt om dit onder woorden te brengen: er is sprake van ‘met de Heilige Geest gedoopt worden’ (Hand. 1:5), ‘met de Heilige Geest vervuld worden’ (Hand. 2:4) en ‘de Heilige Geest ontvangen’ (Hand. 2:38). De Heilige Geest ‘komt’ over iemand (Hand. 1:8; 19:6), wordt over mensen ‘uitgestort’ (Hand. 2:1718; 10:45), ‘valt’ op mensen (Hand. 10:44; 11:15) en wordt hen ‘gegeven’ (Hand. 15:8). Soms ontvangt men de Geest door handoplegging (Hand. 8:17vv; 19:6), soms ook spontaan, zoals in het geval van Cornelius (Hand. 10:44vv), of door er gewoon om te bidden (Luc. 11:13). In het boek Handelingen is de Geest steeds actief in een missionaire context: de nadruk ligt daarbij niet zozeer op het innerlijk werk van de Geest in het individu, maar vooral op de voortgang en realisering van Gods plan in de heilsgeschiedenis. De Geest stelt alle leden van de gemeente in staat Gods grote daden te verkondigen in Israël en onder alle volken (Hand. 2:4, 6-11, 16-17). In Johannes 15:27-28 wordt de Geest de Getuige genoemd, die in een vijandige wereld van Jezus zal getuigen door de dienst van Jezus’ leerlingen. Als een openbare aanklager confronteert Hij de wereld met Gods waarheid zodat de mensen ontmaskerd worden in hun ongeloof (Joh.16:8-11). Voor de volgelingen van de Here is de Geest de gids die hen de weg wijst naar de volle waarheid (16:13-15).

God spreekt door zijn Geest. Dienovereenkomstig kan gezegd worden dat de Geest ‘spreekt’ (bijv. Hand. 8:29; 13:2; 1 Tim. 4:1; Op. 2:7, 11 enz.), ‘getuigt’ (Hand. 20:23) of ‘mede-getuigt’ (Rom. 8:16) enzovoort. In het bijzonder spreekt God door zijn Geest in de Heilige Schrift. De Geest maakt hierbij gebruik van mensen (vgl. het ‘bij monde van onze vader David’ in Hand. 4:25, waar Ps. 2:1-2 wordt aangehaald) of, zoals 2 Petrus 1:21 het van de oudtestamentische profetieën meer in het algemeen zegt, ‘mensen hebben, door de Heilige Geest gedreven, van Godswege gesproken’. Gods Geest woont in de gelovigen (Rom. 8:9), zij zijn ‘uit de Geest geboren’ (Joh. 3:5-6), ze zijn met Hem verzegeld, als was Hij een zegel (Ef. 1:13; 4:30) en Hij is hen als ‘onderpand’ gegeven van wat nog komen gaat (2 Kor. 1:22; 5:5; Ef. 1:14). De Geest maakt dat het leven van de gelovigen vrucht draagt (Gal. 5:22) en geeft gaven aan de gemeente (1 Kor. 12-14). Op beslissende momenten grijpt Hij in (Hand. 16:6, 7) en spreekt Hij tot en door vervolgde gelovigen (Mat. 10:18; Mar. 13:11).

Op tal van plaatsen wordt de Geest beschreven als een persoon met wie de relatie verstoord kan worden. Men kan Hem bedriegen (Hand. 5:3), verzoeken (Hand. 5:9), zich tegen Hem verzetten (Hand. 7:51), Hem bedroeven (Ef. 4:30), Hem (als een vuur) uitdoven (1 Tess. 5:9), of Hem zelfs lasteren (Mat. 12:31-32; Mar. 3:29), een zonde waarvoor geen vergeving bestaat.

Kern

In de Bijbel is de Heilige Geest meestal aanduiding van God Zelf, God zoals Hij Zich openbaart en in mensen werkt. Daarbij is een duidelijke voortgang te constateren: aanvankelijk werkt de Geest in enkelingen, vaak met een bijzondere positie, en incidenteel. Na de uitstorting van de Heilige Geest op de eerste Pinksterdag zijn deze beperkingen opgeheven en is de Geest er voor heel het volk van God. Op een aantal plaatsen neemt Hij een meer zelfstandige plaats in naast de Vader en de Zoon, bijvoorbeeld in Matteüs 28:19, waar de opdracht gegeven wordt om te dopen ‘in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest’ (zie ook de zegenbede in 2 Kor.13:13).

Bovenal is de Geest degene die van Jezus getuigt, Hem op een heel persoonlijke manier doet leren kennen, gemeenschap bewerkt en gelovigen één maakt. Hij geeft nieuw elan en schenkt geestelijke gaven aan zijn kinderen ‘tot opbouw van het lichaam van Christus’, de gemeente.

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: doop, duivel, eenheid, engel, gave, mens, opstanding, ziel.

< Terug