< Terug

Gebed, bidden, smeken, verhoren

Geloofstaal & cultuurtaal

‘Bidden’ is persoonlijk of in groepsverband eerbiedig spreken met God om iets te vragen, om te danken of om te loven. In het gewone spraakgebruik wordt bidden het meest vereenzelvigd met ‘vragen’ en niet met ‘danken’ of ‘loven’. Het gebed komt in allerlei godsdiensten voor en krijgt daarom in onze maatschappij vaak een heel algemene invulling, maar in de Bijbel is bidden spreken met de God van Israël, de Vader van Jezus Christus. Dit bidden is meer dan mediteren of een zelfgesprek; de gelovige weet dat God het gebed wenst en er ook naar luistert. In onze cultuur, waarin mensen weinig van God ervaren, wordt het belang van het gebed vaak onderschat. Veel mensen lijden onder de aanvechting of het wel zin heeft te bidden: welke garantie is er dat het gebed wordt gehoord, dat er antwoord komt? Men spreekt wel van de ‘crisis van het gebed’ in de huidige samenleving.

Woorden

Het Oude Testament heeft geen woord dat alle aspecten van het gebed omvat, maar gebruikt diverse uitdrukkingen. Vooral het werkwoord hitpalleel en het afgeleide zelfstandig naamwoord tefilla worden gebruikt. Verder komen uitdrukkingen voor als ‘Gods aangezicht zoeken’, ‘roepen’, ‘vragen’ (sjaal) en ‘om genade smeken’ (hitchanneen). In het Nieuwe Testament is proseuchesthai de meest gebruikte algemene term. Het woord aitein gaat meer in de richting van een smeekbede en proskunein impliceert verering en gehoorzaamheid. Lof en dank brengen in het gebed wordt aanduid door eucharistein.

Betekenis in context

Oude Testament

Aspecten van het gebed in de psalmen

Het gebed is communicatie met de God van Israël, de Here. Het is een van de meest fundamentele uitingen van de godsdienst en raakt de diepste gevoelens en motieven. Bidden is een menselijke activiteit, die wordt gedragen door de overtuiging dat de persoonlijke, machtige en benaderbare God het gebed wil. De oorsprong van het gebed (‘het zoeken van Gods aangezicht’) ligt bij God Zelf. David zegt in Psalm 27: ‘Van Uwentwege zegt mijn hart: Zoekt mijn aangezicht’ (vs. 8). Hij brengt dit in praktijk en vraagt of God zijn aangezicht niet wil verbergen (vs. 9). Het verlangen om met God te spreken komt tot uiting in de volgende woorden: ‘Hoor, Here, hoe ik luide roep, wees mij genadig en antwoord mij’ (vs. 7). Deze psalm bevat ook een belijdenis wie God is: ‘De Here is mijn licht en mijn heil, voor wie zou ik vrezen?’ (vs. 1). Omdat God hem steeds beschermt (vs. 5), is hij verheugd. ‘daarom wil ik … offeren offers met geschal, ik wil zingen, ja psalmzingen de Here’ (vs. 6). De psalm bevat vragen en verzoeken, die mede gebaseerd zijn op Gods trouw in het verleden: ‘Gij waart mijn hulp; verwerp mij niet en verlaat mij niet’ (vs. 9). David spreekt over de persoonlijke relatie met God en gebruikt uitdrukkingen als ‘uw knecht’ en ‘God van mijn heil’ (vs. 9). Het lied begint en eindigt met een uiting van geloofsvertrouwen: ‘De Here is mijns levens veste, voor wie zou ik vrezen?’ (vs. 1), ‘al verheft zich een krijgtegen mij, nochtans blijf ik vertrouwen’ (vs. 3). De laatste regels zijn: ‘Wacht op de Here, wees sterk, uw hart zij onversaagd; ja wacht op de Here’ (vs. 14). Daarbij heeft het wachten niet de betekenis van ‘afwachten’, maar van ‘verwachten’. Deze psalm bevat veel elementen die naar oudtestamentische overtuiging in het gebed een plaats behoren te krijgen.

In de psalmen staan heel wat gebeden. In feite is het Israëls gebedenboek, al worden de gebeden als liederen gezongen. De dichters hebben de sterke overtuiging dat God de gebeden hoort: ‘Hoorder van het gebed’ (65:3; 66:19). Er is echter ook de mogelijkheid dat God toornig is op zijn volk en daarom niet verhoort (Jes. 1:15). Ongehoorzaamheid, liefdeloosheid en onrecht zijn verhinderingen voor het gebed (66:18). Het is aangrijpend wanneer Gods toorn ervaren wordt (32:4 en 80:5). Soms, in uiterste gevallen, mag een profeet niet meer bidden voor het volk (Jer. 11:14 en 7:16). Het kan nodig zijn, zowel persoonlijk als collectief, om schuld te belijden (51:6 en 79:8). De bidder is zich echter niet altijd bewust van een bepaalde zonde en dan kan de ervaring van Gods afwezigheid, die zich uit in tegenslagen, zeer pijnlijk zijn. Asaf begrijpt zijn levensomstandigheden niet en tobt over de voorspoed van de goddelozen. In zijn gebed belijdt hij zijn ongelovige houding en geeft hij aan hoe belangrijk het is te letten op ieders toekomstige lot (Ps. 73:16-24). In vergelijking met het Nieuwe Testament is er een belangrijk verschil in de houding tegenover de vijanden: de Israëliet bidt niet voor, maar tegen zijn vijanden. Met de beden om wraak in de psalmen hebben christenen veel moeite, hoezeer zij zich met de psalmen in het algemeen ook verwant voelen. Te bedenken is echter wel dat ook het Nieuwe Testament de wraak van God over de godde-lozen kent (1 Kor. 16:22; Op. 6:10).

Voorbeelden van gebed in andere oudtestamentische boeken

Het eerste gebed wordt in Genesis 4:26 genoemd: ‘Toen begon men de naam des Heren aan te roepen’. Eerder hebben mensen met God gesproken nadat Hij het initiatief nam en hen aansprak (3:8-19 en 4:6-15), maar voortaan gaan mensen door het gebed (‘aanroepen van de naam’) ook spreken met God wanneer die afwezig lijkt. Samen met de offers die al in 4:3-5 genoemd zijn, houdt dit aanroepen van de naam een cultusdaad in. Ook wordt hier het fundament genoemd van het ware gebed: het kennen van de goddelijke naam. In de woestijntijd klaagt het volk over de situatie en overweegt naar Egypte terug te keren. Daarom geeft God te kennen het volk te willen uitroeien. Mozes’ voorbede in Numeri 14:13-19 doet een beroep op Gods eigenschappen en op de wijze waarop Hij bekendstaat. Mozes geeft het argument dat de Egyptenaren zullen denken dat God dit volk niet naar het beloofde land kon brengen. Hij vraagt of de kracht des Heren zich groot zal betonen. Vervolgens beschrijft hij de Here als ‘lankmoedig en groot van goedertierenheid, vergevende ongerechtigheid en overtreding, hoewel Hij zeker niet ongestraft laat’. Dit is kenmerkend voor de voorbede.

Hanna bidt in de tabernakel en geeft later aan Eli de volgende omschrijving: ‘Ik heb mijn hart uitgestort voor het aangezicht van de Here’ (1 Sam. 1:15; vgl. Ps. 62:9).

Salomo’s gebed in 1 Koningen 8:22-53 opent met het noemen van de daden die God verricht heeft. De bede klinkt dat de Here zal houden wat Hij gesproken heeft, dat de dynastie erfelijk is, mits men gehoorzaam is. Dan belijdt Salomo dat de hemel der hemelen God niet kan bevatten, ‘hoeveel te min (minder) dit huis dat ik gebouwd heb’ (vs. 27). Vervolgens wordt gevraagd of God wil luisteren naar het gebed, ‘zodat uw ogen nachten dag geopend zijn over dit huis, de plaats waarvan Gij gezegd hebt: mijn naam zal aldaar zijn’ (vs. 29). Daarna worden allerlei problemen genoemd die zich in de toekomst kunnen voordoen, zoals droogte en verslagen worden door de vijanden. Salomo bepleit vergeving van zonden en ontferming, telkens wanneer in deze tempel gebeden wordt.

Koning Josafat begint in 2 Kronieken 20:6-12 eerst met de aanbidding en lofprijzing, en geeft daarna zijn persoonlijke problemen aan. Zo komen de problemen in een hoger perspectief te staan.

Het boek Daniël bevat diverse gebeden, waaronder de schuldbelijdenis in 9:4-19. Daniël beschrijft God als rechtvaardig, genadig en vergevend; het contrast met de beschrijving van de bidder en zijn volk is groot, want zij hebben gezondigd. Maar er klinkt een beroep op de naam van God: ‘O Here, hoor! O Here, vergeef! O Here, merk op! Treed handelend op; toef niet om uwszelfswil, mijn God, want uw naam is uitgeroepen over uw stad en over uw volk’ (vs. 19).

Tijd, plaats en houding bij het gebed

Er is geen voorgeschreven tijd voor het gebed. Gebeden worden opgezonden in de avond (Ps. 4), ten tijde van het avondoffer (Ezra 9:5) en ‘s morgens (Ps. 5). Een psalmist beschrijft dat hij ‘s avonds, ‘s morgens en ‘s middags tot God roept (55:17-18) of ‘dag en nacht’ (88:1-2). Daniël bidt driemaal per dag in zijn huis(Dan. 6:11).

Het gebed wordt niet beperkt tot een speciale plaats, maar kan overal plaatsvinden. Toch wordt er soms expres in het heiligdom gebeden. Jesaja 56:7 noemt de tempel een ‘bedehuis’.

De gebruikelijke gebedshouding is om te knielen voor de Here (Ps. 95:6), al of niet vergezeld van het uitspreiden of het opheffen van de handen (1 Kon. 8:54-55 en Ezra 9:5). Een andere gebedshouding is het staan voor de Here (1 Sam. 1:26; 1 Kon. 8:22).

Nieuwe Testament

In het jodendom is het Achttiengebed het hoofdgebed geworden; het is bekend uit de tijd net na het Nieuwe Testament, maar moet al eerder bekend zijn geweest. Het bestaat uit achttien gebeden. Hiernaast kent het jodendom tafelgebeden. Voor het eten wordt de Schepper geprezen door middel van een lofprijzing. Ook in het Nieuwe Testament bemerken we dit; Jezus spreekt de lofprijzing uit voor het eten (de NBV vertaalt ‘het zegengebed’ in Mar. 6:41). Dit is ten onrechte wel opgevat als het zegenen van het eten (zo de SV in Mat. 14:19) of als een zegen vragen over het eten. Daarnaast is het vrije gebed bekend (bijv. Luc. 18:10-14).

Jezus en het gebed

Dikwijls zoekt Jezus de eenzaamheid om te bidden (bijv. Mar. 1:35; 6:12). In vertrouwen geeft Hij Zich over aan de Vader en onderwerpt zijn eigen wil aan die van Hem (Mat.26:42).

Meermalen lezen we dat Hij vurig bidt voor de zijnen (Luc. 22:31-32 en Joh. 17). Ook als de verhoogde Here doet Hij na zijn hemelvaart voorbede voor zijn volk (Hebr. 7:25).

Jezus geeft in Matteüs 6:5-15 en Lucas 11:1-13 onderwijs over het gebed. Hij wil niet dat er gebeden wordt met uiterlijk vertoon op de hoeken van de straat, maar dat zijn discipelen in het verborgene zullen bidden. Daarbij is geen omhaal van woorden nodig, omdat de hemelse Vader al weet wat de bidder nodig heeft. Als voorbeeld van een gebed geeft Hij het ‘Onze Vader’, dat het meest bekende christelijke gebed is geworden. Dit gebed begint met een vertrouwelijke uitspraak (persoonlijker dan in het jodendom gebruikelijkwas), waarbij God als ‘Onze Vader’ aangesproken wordt en de relatie direct naar voren komt.

Na deze aanspraak worden er drie beden genoemd die op God betrekking hebben: zijn naam, zijn Koninkrijk en zijn wil. De bede om heiliging van de naam van God betekent een gebed dat iedereen de naam van God zal erkennen en groot zal maken. Vervolgens wordt gevraagd om de komst van het Koninkrijk van God. Dat Koninkrijk is in Jezus al aanwezig (Mat. 10:7) en er wordt gevraagd of de Vader dit Koninkrijk wil bevestigen en steeds duidelijker wil tonen. Daarna komt een bede over de wil van God. Deze wil wordt in de hemel gedaan door gehoorzame engelen, maar op aarde wordt die wil vaak genegeerd en zijn mensen ongehoorzaam. Nu wordt gevraagd of de wil van God op aarde zó gedaan zal worden als in de hemel reeds het geval is. Daarbij gaat het niet over een verborgen wil van God, maar over zijn geopenbaarde wil dat mensen tot geloof zullen komen en overeenkomstig zullen leven. Deze bede gaat niet over het onderkennen van Gods wil in een persoonlijke situatie, maar over de volvoering van die wil.

Hierna komen drie beden die betrekking hebben op de persoonlijke situatie van de bidder: dagelijks brood, vergeving en verzoekingen. De bede gaat niet slechts over ‘mijn dagelijks brood’, maar noemt ook de behoefte van anderen. De nadruk ligt op vandaag en de discipel behoeft zich geen zorgen te maken voor de toekomst (Mat. 6:25-34). Daarna volgt de bede om vergeving van schulden, waarmee zonden bedoeld worden. Deze bede benoemt ook de houding tegenover anderen: het is nodig elkaar als medemensen te vergeven wanneer we bidden om vergeving door God (vgl. Mat. 18:23-35). Vervolgens komt de vraag of de Vader ons niet in verzoeking wil leiden, maar ons wil verlossen van de boze. God kan mensen wel op de proef stellen, maar verzoeking komt van de kant van de duivel en heeft een negatief doel (Jak. 1:2-15).

Het is opvallend dat in dit gebed de uitdrukking ‘om Jezus’ wil’ of ‘in Jezus’ naam’ nog ontbreekt. In Johannes 14-16 blijkt dit uiterst belangrijk te zijn voor de toekomst: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, als gij de Vader om iets bidt, zal Hij het u geven in mijn naam. Tot nog toe hebt gij niet om iets gebeden in mijn naam. Te dien dage zult gij in mijn naam bidden’ (16:23-26).

De gelovigen en het gebed

De christenen gaan in hun bidden in het spoor van Jezus. Zij bidden om de voortgang van Gods Koninkrijk en om alles, wat zij als burgers van dat Rijk nodig hebben. Een kenmerk van de eerste christengemeente is dat men volhardt in de gebeden (Hand. 2:42). Het bidden is ook een loven en prijzen, eventueel in een andere taal. Ook de voorbede neemt een grote plaats in. Paulus begint bijna al zijn brieven met de vermelding van zijn gebeden en dankzeggingen voor de gemeenten. De voorbede voor elkaar kan ook de vorm aannemen van bidden onder handoplegging, tot vervulling met de Heilige Geest (Hand. 8:1517) of ter genezing (‘over hem een gebed uitspreken’ in Jak. 5:14).

Romeinen 8:26 noemt de Heilige Geest als degene die voor ons pleit met onuitsprekelijke verzuchtingen. Daarin komt Hij onze zwakheid te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren. De gebeden van de heiligen stijgen als reukwerk op voor God (Op. 8:3).

Verhoring

Het Nieuwe Testament spreekt herhaaldelijk over verhoring van gebeden (Joh. 14-16; 1 Joh. 3:22). De dringende verzoeken worden gehoord en verhoord door God. Deze zekerheidhoudt het gebed levend. In Matteüs 7:8 staat: ‘een ieder die bidt, ontvangt’. Daarom: ‘Bidt en u zal gegeven worden’ (vs. 7). De uiteindelijke fundering wordt gegeven in zulke passages als 6:8 en 7:9-11. God is de Vader die liefheeft, meer dan een aardse vader zijn kinderen kan liefhebben. Hij geeft wat nodig is. Gods vaderlijke goedheid en liefde vormen de basis van de zekerheid van de gelovigen ten aanzien van hun gebeden. Daarbij voegt Jezus het belang van het bidden in zijn naam (Joh. 16:23-27).

Het Nieuwe Testament maakt ook duidelijk dat ons gebed een oprecht en waarachtig gebed moet zijn. De gebeden behoren te passen bij wie God wezenlijk is, en moeten overeenkomstig zijn wil zijn (1 Joh. 5:14), zodat ze de komst van zijn Rijk dienen. Iets vragen van God betekent Hem vragen om iets dat recht en goed is. Het ware gebed komt voort uit geloof dat niet twijfelt aan Gods macht en bereidheid (Jak. 1:5-8). Door de zekerheid van het geloof kan de bidder geloven dat hij reeds heeft ontvangen op het moment van vragen (Mar. 11:24). De persoonlijke relatie met God is hiervoor belangrijk (zijn woorden moeten in ons blijven; Joh. 15:7) en we moeten doen wat Hij van ons vraagt (1 Joh. 3:22). In dat kader past het dat niet al onze wensen vervuld worden (2 Kor. 12:7-9). Ook is het mogelijk dat gebeden door zonde belemmerd worden (1 Petr. 3:7).

Kern

Gebed is een persoonlijk spreken met God, gebaseerd op zijn eigen openbaring. Het mag met vertrouwen plaatsvinden, want de hemelse Vader weet wat wij nodig hebben. Bidden houdt niet slechts een vragen in, maar ook een danken en prijzen. Christenen mogen bidden in de wetenschap dat Jezus in de hemel voor hen bidt en dat de Heilige Geest in hen bidt. Hun gebed, zowel persoonlijk als gezamenlijk in de gemeente, wordt gedaan in Jezus’ naam. Het gebed behoort gericht te zijn op Gods Koninkrijk, maar ook de kleinste persoonlijke zaken mogen aan de orde gesteld worden.

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: geloof, God, Koninkrijk van God, loven, lied, gave.

< Terug