< Terug

Jezus na Pasen: anders gezien

In alle vier de evangeliën in het Nieuwe Testament vinden we berichten waarin Jezus verschijnt na zijn dood aan het kruis, begrafenis en de daaropvolgende opwekking/opstanding/verrijzenis. Hij heeft zich, steeds op eigen initiatief, te zien gegeven. Bij het antwoord op de vragen: aan wie, waar, hoe vaak en hoe, zijn de verhalen bepaald niet eensluidend. Wel echter als het gaat over de vraag: waarom?

Bij het evangelie volgens Marcus moet vooraf nog een opmerking worden geplaatst. Hij is de enige evangelist bij wie oorspronkelijk geen verschijningsverhaal te lezen was. In zijn zestiende en laatste hoofdstuk zijn de verzen 9-20 later (in de tweede eeuw) toegevoegd en in die toevoeging herkennen we gegevens uit de evangeliën van de drie andere evangelisten in het Nieuwe Testament.

Aan wie en waarom heeft Jezus zich getoond?

Paulus was nogal stellig toen hij schreef: ‘Hij is verschenen aan Kefas en vervolgens aan de twaalf’ (1 Korintiërs 15:5). Hij zegt weliswaar niet dat Jezus als eerste aan Petrus verscheen, maar het blijft opvallend dat hij geen vrouw(en) noemt, terwijl de evangeliën dat zeer nadrukkelijk wel doen. Bij Marcus en Johannes is Maria van Magdala de eerste getuige, bij Matteüs is sprake van twee Maria’s en bij Lucas van twee Maria’s en een Johanna, waarbij hij dan ook nog de overige vrouwen noemt die bij hen waren (Lucas 24:10).

Als je deze verschillen historisch benadert, dan loop je vast, terwijl de vraag naar een mogelijke betekenis van deze verschillen in mijn ogen wel zinvol is. Het gaat hier niet om waarheidsgetrouwe verslagen, maar om een (zeker zo belangrijke) literaire, toekomstgerichte duiding van de werkelijkheid. Daarbij speelt een reëel historische achtergrond wel een belangrijke rol.

In de tijd van het Nieuwe Testament mochten vrouwen in een rechtszaak niet getuigen, behalve als het een geval van dood betrof. De omkering die we in de evangeliën lezen is tekenend: Er wordt hier immers niet getuigd over een dode, maar juist over de levende en daarmee staat de geloofwaardigheid van het getuigenis op het spel. Dat zien we allereerst bij Jezus’ leerlingen, maar uiteindelijk ligt de vraag naar geloofwaardigheid evenzeer en zeker niet minder ook bij de lezers. Bij Jezus’ leerlingen is eerst sprake van twijfel (Matteüs 28:17 en Lucas 24:38.41) en ongeloof (Marcus 16:11.13; Lucas 24:10-11; Johannes 20:25) en ook voor de lezers vandaag ligt er nog steeds de vraag of zij de vrouw(en) serieus kunnen en willen nemen. Doen zij dat, dan zullen zij ook op hun beurt weer getuigen van hun levende Heer.

Dat laatste, een zendingsmotief, is de dragende grond van alle verschijningsverhalen; Jezus leeft en dat verhaal moet de wereld in, de wereld over; de hele wereld zal weten van dat verhaal. Belangrijker dan de verschijningen zelf is dus blijkbaar dat wat er tastbaar uit is voortgevloeid: het apostolisch kerygma.

Waar, hoe vaak en hoe heeft Jezus zich getoond?

Volgens Matteüs liet Jezus zich zien in Galilea (28:16-20), volgens Lucas bij en in Jeruzalem (Lucas 24:13-53), terwijl Johannes beide tradities combineert. Hij spreekt van verschijningen in Jeruzalem en later ook in Galilea. In Matteüs verschijnt hij twee keer, in Marcus drie keer, in Lucas weer twee keer en in Johannes ten slotte niet minder dan vier keer.

Alleen bij Matteüs is sprake van directe herkenning: ‘toen ze Hem zagen wierpen ze zich in aanbidding voor Hem neer, al twijfelden sommigen’ (Matteüs 28:17). De twijfel door sommigen wordt door Matteüs niet nader ingevuld, maar het lijkt erop dat ze Jezus van Nazaret hebben gezien en herkend, maar nog wel betwijfelen of hij ook de Christus is. Bij Lucas en Johannes is het anders. Daar wordt betwijfeld of de mens die verschijnt wel Jezus van Nazaret is. Ze denken eerst een geest, een spook of een schaduw te zien. Of meer concreet: een vreemdeling (bij de Emmaüsgangers in Lucas), de tuinman (Maria van Magdala in Johannes) of een onbekende (toen de leerlingen weer waren gaan vissen).

Alleen als hij zich toont als de gekruisigde (omdat hij zijn wonden toont) is er herkenning, maar al met al is het nogal verwarrend: geest, spook, schaduw, gekruisigde, onbekende, vreemdeling, tuinman. De verschijningen liggen bepaald niet op één lijn. Noch bij de verschijnende, noch bij degenen aan wie hij verschenen is. Daarom is het niet vreemd dat we juist in de tweede-eeuwse toevoeging aan Marcus lezen: ‘Daarna verscheen Hij in een andere gedaante aan twee van hen toen ze buiten de stad waren’ (Marcus 16:12).

We herkennen de verwijzing naar de Emmaüsgangers, maar met de toevoeging ‘in een andere gedaante’ is het gras voor de voeten van de zich verbazende lezer weggemaaid. De toevoeging doet immers vermoeden dat het zo dus ook bedoeld was. Een belangrijke sleutel voor het verstaan van de verschijningsverhalen is niet op de eerste plaats dat en wat er gezien wordt, maar hoe er gezien wordt. De verschijning aan Maria van Magdala in het Johannesevangelie spreekt daarbij boekdelen.

Een kwestie van zien

In Johannes 20:1-18 is er zeven keer sprake van ‘zien’, terwijl Johannes voor ‘zien’ in het Grieks drie verschillende woorden gebruikt. Volgen we het verhaal met het oog daarop, dan wordt duidelijk waarom het gaat. Maria van Magdala is op weg naar het graf van Jezus. Daar aangekomen ziet zij dat de steen voor de opening van het graf was weggenomen. Dit ‘zien’ zou je gewoon zien kunnen noemen. Het is zoiets als gewaarworden. Johannes gebruikt daarvoor in het Grieks het woord blepoo. Nadat Maria dit gezien heeft haastte zij zich naar Simon Petrus en de andere leerling (Johannes) om hun te melden wat ze gezien heeft. Door de twee worden er geen vragen gesteld. Zij haastten zich op hun beurt naar het graf om dat wat Maria heeft gezegd zelf te zien. Hier gebruikt Johannes voor ‘zien’ een ander woord (theoreoo) en dat betekent zoiets als beschouwen, inspecteren. Kijken of het waar is. Ze geloven Maria niet op haar blauwe ogen. Eerst zien en dan geloven.

Bij de andere leerling begint er dan toch iets te dagen. We lezen: ‘Hij zag het en geloofde’ (20:9). En weer heeft Johannes hier een ander woord voor ‘zien’ gebruikt: (oraoo), te begrijpen als: zien, beleven, inzien, begrijpen. Helaas hebben we hier te maken met een slechte vertaling. De tempus van het werkwoord (de werkwoordstijd) is een zogeheten incoatieve aoristus en die duidt op het begin van een handeling of situatie. Daarom had de vertaling moeten luiden: ‘hij begon te zien en te geloven’. Hij is er nog niet, getuige ook het feit dat hij weer naar huis ging (20:10).

Maria daarentegen blijft bij het graf en ziet daar twee engelen met wie ze een kort gesprek heeft. Als ze zich dan omdraait, ziet ze Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. Ze denkt dat hij de tuinman is.

Schilderij 'Jezus gezien als tuinman'. Rembrandt, 1638. Buckingham Palace, Londen.
Jezus gezien als tuinman. Rembrandt, 1638. Buckingham Palace, Londen.

Ze herkent hem pas als Jezus haar met haar naam aanspreekt: Maria! Met die herkenning is zij kroongetuige van de opstanding geworden; apostola apostolorum. Ze gaat naar de leerlingen en zegt: ‘Ik heb de Heer gezien!’ (20:18). Met het gebruik van het Griekse ‘oraoo’ te lezen als: Ik heb beleefd dat hij het was. Ik heb begrepen dat hij het was. Ik heb ingezien dat hij het was.

Zo maakt de evangelist Johannes in zijn tekst gaandeweg duidelijk dat het ene zien het andere niet is. Het zien van de Heer die leeft is iets anders dan gewaarworden of beschouwen. Het is begrijpend inzien.

Als dit al duidelijk wordt door kort stil te staan bij deze tekst van Johannes, dan is het evident dat iedere verschijningstekst in de context van het evangelie waarin die staat een nauwkeurige lezing verdient.

Identificatie

In dit artikel is nog van belang te benadrukken dat er (zoals eerder al aangeduid) onderscheiden perspectieven zijn in de verschijningen. Het ene perspectief is de herkenning van de gekende Jezus van Nazaret in de verschijnende en het andere perspectief is de erkenning dat hij de Christus is.

Als Maria in Johannes zegt: ‘Ik heb de Heer gezien’, dan raakt ze aan beide perspectieven. In het vervolg van Johannes (de verschijning aan de leerlingen en Tomas) zal het eerste perspectief meer aandacht krijgen, zonder dat het tweede wordt vergeten. Als Jezus eerst aan de leerlingen en daarna ook aan Tomas verschijnt, dan wenst hij hun vrede toe en toont hij hun ongevraagd zijn handen en zijn zijde (20:19-20.27).

Hier gaat het nadrukkelijk om identificatie. Het is de gekruisigde die verschijnt. Hij is dezelfde. Paulus benadrukt dat sterk als hij zegt: ‘Wij verkondigen een gekruisigde Christus’ (1 Korintiërs 1:23). Zo gaat het eerste perspectief (de herkenning van Jezus van Nazaret) over in het tweede (hij is de Christus). Tomas zegt het als hij de wonden van de kruisigde gezien heeft: ‘Mijn Heer, mijn God’ (20:28). In Lucas wordt de identificatie gegeven door twee mannen in stralende gewaden bij het graf:

Herinner je wat Hij jullie gezegd heeft toen Hij nog in Galilea was: de Mensenzoon moest worden uitgeleverd aan zondaars en moest gekruisigd worden en op de derde dag opstaan.
(Lucas 24:6-7)

De verschijning als gekruisigde is dus van wezenlijk belang. Maar zeker zo belangrijk is ook dat Jezus zich kenbaar maakt in wat hij zegt en doet. Bij de Emmaüsgangers gaan de ogen open als hij het brood neemt, het zegengebed uitspreekt en het deelt (Lucas 24:30-31). Bij Johannes vindt de eerste herkenning plaats als Maria zichzelf gekend weet doordat Jezus haar zo nadrukkelijk bij haar naam noemt. Ook het gegeven dat hij zijn leerlingen (zowel in Lucas als Johannes) expliciet vrede toewenst is voor de identificatie van belang.

Bij de nawerking van Jezus na Pasen is de belangrijkste rol weggelegd voor de Jezus die zichzelf heeft geïdentificeerd met de geringsten.

Nawerking

Lev Nikolajewitsj (Leo) Tolstoi bewerkte aan het eind van de negentiende eeuw een van oorsprong Frans, door Ruben Saillens geschreven, kerstverhaal over een schoenmaker in Marseille: Père Martin. Vandaag is het verhaal vooral bekend als ‘Vadertje Panov’.

Panov is schoenmaker in een klein Russisch dorpje. Als hij op kerstavond zit te lezen over Jezus die geboren werd, dommelt hij weg en hoort in zijn droom een stem: ‘Morgen kom ik bij je, maar ik zeg mijn naam niet’. Was het Jezus? Vol spanning zal Panov de hele dag voor het raam staan. Terwijl hij een straatveger koffie aanbiedt, een arme vrouw en haar kind helpt en een bedelaar te eten geeft, vraagt hij zich af waar Jezus toch blijft. ’s Avonds beseft hij Jezus zelf heeft ontmoet in de verschijning van de door leed getekende mensen die hij hielp. Op de laatste bladzijde staat als verwijzing Matteüs 25:40 vermeld.

Dezelfde gedachte kwam ik als kind tegen in het kleutervertelboek voor de bijbelse geschiedenis van Anne de Vries. Deze kinderbijbel (de achtste druk uit 1960) is mij nooit voorgelezen, ik las het zelf. Niemand wees mij op het bijzondere van de verhalen of de illustraties (van Tj. Bottema) daarbij. Maar ik weet nog dat een van de laatste illustraties grote indruk op mij maakte. We zien Jezus als een bedelaar. Of beter, we zien een bedelaar in wie Jezus zich, voor wie het wil zien, kenbaar maakt.

kunstwerk 'In de bedelaar zien we Jezus'. Tjeerd Bottema (1884-1978).
In de bedelaar zien we Jezus. Tjeerd Bottema (1884-1978).

Met nog drie andere illustraties lijkt het of Bottema zich heeft laten inspireren door Tolstoj of misschien wel door de werken van barmhartigheid die we kennen van de Meester van Alkmaar. Als de hongerige te eten wordt gegeven, de dorstige te drinken, de naakten worden gekleed, de zieken en de gevangenen worden bezocht, dan is dat aan Jezus gedaan:

Ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan hebben voor een van de geringsten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor Mij gedaan.
(Matteüs 25:40)

Noem het een niet aflatende of doorgaande identificatie. En dat kun je zien. Of niet.

Gerard van Broekhuizen is theoloog en kunstenaar.


< Terug