< Terug

Kwaad op God – over oerwoede en verlangen

In het verlangen om één te worden met God, om God volledig te beminnen en volledig door God bemind te worden, kan een ‘oerwoede’ ontstaan. Mystici hebben ervaren dat God hen rechtstreeks aanraakt. Het verlangen blijft, maar ook komt er een vrede: de vrede die alle verstand te boven gaat. Er rest nog één grens: die van het lichaam.

Er was een tijd dat mijn omgang met God ingrijpend veranderde. Ik begon een dagboek bij te houden, om mijzelf te begrijpen. Meer en meer werd het schrijven een gesprek met God. Dit is een stukje hieruit.

Is dit wat Je wilt, mij zo murw maken dat ik uit louter vermoeidheid alles wel goed vind? Wil Je me zo passief? ‘Sterven aan de eigen wil’, zo heet deze fase volgens het mystieke handboek. Maar ik wil Je niet willoos beminnen. Als Je ons eerst in stukken scheurt en versplintert in duizend fragmenten, alleen al door Je presentie, dan is het niet moeilijk om ‘ja’ te krijgen. Forget it.

Op eigen voeten loop ik Je tegemoet of anders maar niet. Hoe kan overgave Jou rechtdoen als de wil is uitgeschakeld; als er wanhoop achter zit? Je ontneemt me mijn vrijheid als Je me niet duidelijk maakt wat er hier gebeurt en me niet voldoende sterkt om Je te kunnen verdragen. En dan ben Jij niet wie je bent, niet God. Dan blijf Je maar alleen in dit universum van Je.

Ik ben ontzettend kwaad. Ik voel me zo bedrogen dat dít is wat het betekent om Jou lief te hebben. Alles nam Je me af tot ik niets meer wenste dan Jou en nu blijkt dat onmogelijk. Onmogelijk dat een mens God zou beminnen. Onmogelijk dat een mens Jou zou ontvangen. Ik wil dat Jij Jezelf kunt zijn bij mij. Maar dat zelf van Jou is te groot, te onbevattelijk. Je zoekt het maar uit.

Ondertussen ben ik er wat meer van gaan begrijpen.

Oerwoede, een razende begeerte, een innerlijke storm.
(beeld: Enrique, Pixabay)

Orewoet

Op weg naar de vrede die voortkomt uit de eenheid met God, is woede een vaak voorkomend verschijnsel. De mystieke traditie heeft daar een eigen woord voor: orewoet, ofwel oerwoede. Niet zomaar een beetje kwaadheid dus, maar oerwoede, een razende begeerte, een innerlijke storm. Die wordt veroorzaakt omdat je niet mét, en niet zonder God kunt. Of omdat je doorkrijgt dat je nooit een toereikend antwoord kunt geven op de liefde die God geeft – en dat is onverdraaglijk voor de ziel.

De Zuid-Nederlandse mysticus Ruusbroec (1293-1381) omschrijft het in zijn boek Geestelijke bruiloft zo:

‘Als men God niet kan verkrijgen en Hem evenmin kan ontberen, dan ontspringt uit deze twee in sommige mensen een ‘orewoet’ of zielenstorm en een inwendige en uitwendige onstuimige ongedurigheid. Zolang de mens in deze zielenstorm verkeert kan geen schepsel in hemel op aarde hem dienstig zijn tot zijn rust of wat dan ook. In deze zielenstorm worden soms ingegeven of toegesproken verheven en nuttige woorden, en bijzonder onderricht vernomen.’

Oerwoede is een typisch kenmerk van de minnemystiek: een weg met God die zich vooral kenmerkt door de liefde, meestal ‘minne’ genoemd. Minne is niet alleen een woord voor liefde. In de eerste plaats is minne een andere naam voor Christus. Hijzelf is de Minne in eigen persoon. De storm van deze begeerte in de liefde is dus eigenlijk een werking van Christus zelf, in het liefdesvermogen van de mens. Daarom is het buitensporig, mateloos. Ons verlangen naar en liefde voor God wordt onder spanning gezet doordat er iets grenzeloos binnendringt en ons buiten onze eigen grenzen meeneemt in God. Dat veroorzaakt een storm in de ziel die nergens door te bedaren is.

De Zuid-Nederlandse mystica Hadewijch, die in de 13e eeuw leefde, vertelt in haar zevende visioen:

‘Mijn hart en mijn aderen en al mijn leden schokten en beefden van begeerte. Het verging me zoals zo vaak: zo verwoed en vreselijk was het me te moede dat ik meende, dat als ik mijn Geliefde geen voldoening kon schenken en mijn geliefde mijn begeerte niet vervulde, ik dan van verwoedheid zou sterven en stervende nog zou woeden.’

En de eveneens Zuid-Nederlandse mystica Beatrijs van Nazareth (1200-1268), wier teksten een grote invloed hadden op Ruusbroec, vertelt:

‘Soms gebeurt het ook dat de minne hevig in de ziel verwekt wordt, en stormachtig verrijst met grote onstuimigheid en razende hartstocht, alsof ze het hart zou gaan breken, en de ziel uit zichzelf trekken en, boven zichzelf uit, in het daadwerkelijke meewerken aan de minne en het tekortschieten in de minne. (…) Zoals een verslindend vuur alles in zich trekt dat het kan verteren en overweldigen, zo ervaart ze de minne die innerlijk verwoed bezig is, genadeloos, mateloos, alles naar zich toe trekkend en verterend.’

Haar biograaf zegt zelfs dat het leek op ‘een soort waanzin door gepassioneerde bezetenheid’.

Een andere Nederlandse mystica, Alijt Bake (1415-1455), die in Utrecht woonde, noteert iets dergelijks:

‘Ik viel neer in de schoot van onze Heer en smolt volledig weg van minne in God. Deze trek was zo machtig en zo sterk naar binnen gericht, dat hij al mijn krachten en mijn gehele verstand te boven ging in God, om de afgrond van zijn immense liefde te ervaren.

Dit gaat allemaal niet over een soort hysterische emotie, al lijken de beschrijvingen er soms wel wat op. Dit zijn nuchtere mensen die altijd ook gewaardeerde begeleiders waren van anderen op hun geestelijke weg. De oerwoede heeft te maken met het mateloze van God dat niet door een mens te verdragen is.’

Een storm in de ziel die nergens door te bedaren is.
(beeld: Peggychoucair, Pixabay)

Zonder middel

De meeste mensen beleven iets van God via bemiddeling, door middel van iets anders. Ze worden geraakt in de kerk, door de liturgie, door bijbel, muziek, woord, of door de natuur, in de liefde van mensen, in het lot van armen, het lijden van de wereld. Daarin zien ze afspiegelingen van het goddelijke, op die manier komt God, of Christus hen dichtbij. God perkt zichzelf als het ware in, zodat wij Hem ontvangen kunnen. Hij past zich aan onze beperktheid aan en zo kunnen we iets beleven van de omgang met God.

Maar mystici ervaren God rechtstreeks; niet persé omdat ze dat nu zo graag willen, maar omdat ze worden aangeraakt. De omgang met God doorbreekt alle grenzen van hun eigen denken, voelen en willen. Dat wordt ervaren en erkend, maar tegelijk wordt het verlangen niet losgelaten. Of beter gezegd: het verlangen laat hén niet los. Ze blijven hevig verlangen naar eenwording met God. Ze willen nú opgenomen worden in de liefdesgemeenschap die God is: Vader, Zoon en Heilige Geest. Dat is ook het verlangen van God zelf. Er zit niet veel anders op dan hem zijn gang maar te laten gaan, zoals de blinde mysticus Jean de Saint Samson (1571-1636) aanraadt:

‘Met betrekking tot de inspanningen, vervoeringen, onstuimigheden en verschillende verrukkingen, als ook tot de extases die God door zichzelf bewerkt in zijn veelgeliefde bruid, moet je hem zijn gang laten gaan. Hij is de meester in de volle en gehele genieting van zijn voortreffelijk domein, zodat er voor de zo geliefde en geliefkoosde bruid van zijn Majesteit niets anders opzit dan het te verduren en te doorstaan, tegen welke prijs ook.’

De meeste mensen beleven iets van God door middel van iets anders: liturgie, muziek, de natuur.
(beeld: Ri Butov, Pixabay)

Prijs

Verduren tot welke prijs dan ook. Die prijs is het openbreken van alle houvasten en zekerheden die wij zelf creëren, van alles wat wij tot ons eigen zelf rekenen. God past niet in ons beperkte bestaan. ‘Ik moet me van mijzelf ontdoen om binnen te treden in God’, zegt de schrijver van het boekje van de kleine Prins, De Saint-Exupéry. Maar dat lukt ons niet zelf. Er zit niets anders op dan dat wij eruit getrokken worden, door de machtige kracht van de Minne, door de orewoet, de razende begeerte die openbreekt en meesleurt.

God wil bemind worden, niet alleen met het verstand, of met het gevoel, maar ook met alle lichamelijke kracht. Er zit een zinnelijk element in het verlangen, omdat de hele mens van God wil houden, met huid en haar. Hoe kan dat anders als het over de totale en volmaakte liefde gaat? Ook het zinnelijke wil meedoen in de opgang naar God-die-Geest is. Met alles in je willen wat niet mogelijk is, dat is orewoet.

Ruusbroec omschrijft het als een strijd tussen twee geesten: die van ons en die van de Heilige Geest. In het beperkte van ons dringt iets onbeperkts binnen en neemt de ziel mee naar God. Dat scheurt het hele bestaan open. We raken gewond – maar ook God wordt geraakt. Hier ontstaat het wederkerige dat de liefde eist: beiden zijn evenzeer van elkaar doordrongen.

In deze storm van minne strijden twee geesten: de Geest van God en onze menselijke geest. God neigt zich door de Heilige Geest tot in ons binnenste, en daar worden wij door zijn minne geraakt. En onze geest – door Gods werking en ons minnend vermogen – dringt door tot bij God, en neigt zich tot zijn binnenste, en hierdoor wordt God geraakt. Uit deze twee bewegingen ontspringt de minnestrijd: in het diepste ontmoeten en in het innigste bezoeken wordt elke geest door minne gewond.

Het leven stroomt uit de hand van God, waarom nog met mijzelf bezig zijn?
(beeld: José Manuel de Laá, Pixabay)

Vrede?

Gelukkig brengt deze ‘storm van minne’ ook een goddelijke vorming met zich mee. Nieuwe inzichten worden gegeven. Gods verlangen hoeft niet langer ‘te passen’. De vrede die alle verstand te boven gaat, werd steeds vaker mijn deel. Het leven stroomt uit de hand van God, waarom nog met mijzelf bezig zijn? Al blijft er nog steeds een spanning tussen het altijd grenzeloze verlangen en de begrenzingen van mijn leven. De laatste grens, de laatste menselijke beperktheid: het lichaam, kan niet doorbroken worden behalve door te sterven. Beatrijs zegt het zo: ‘De ziel wil wonen in het land van de Godsliefde. Ze wil genietend één zijn met haar Geliefde. Maar in dit oord van ballingschap is dat uitgesloten.’

Marianne Vonkeman is emeritus predikant, redactielid van Herademing en beheert de website www.sporenvangod.nl.


< Terug