< Terug

Opstanding uit de doden als apocalyptisch motief in Daniël 12

De verwachting dat er aan het einde der tijden een opstanding uit de doden is voor alle trouwe gelovigen, is gebaseerd op passages uit het Nieuwe Testament (onder andere Lucas 14:14; 20:35; Johannes 5:29; Handelingen 24:15), zoals elders in dit nummer te lezen valt. In het Oude Testament verblijven de doden over het algemeen in een schimmenrijk (sheool) waar het niet eens mogelijk was God te prijzen. Toch lijken er in het Oude Testament enkele aanzetten te zijn tot de gedachte dat er een leven na de dood zal zijn. Het is beter om aan de voorzichtige kant te blijven en te stellen dat er passages zijn die zo gelezen kunnen worden en later ook zo uitgelegd zijn, maar in de samenhang van de bijbelboeken waarin ze voorkomen waarschijnlijk anders gelezen moeten worden. Dat geldt bijvoorbeeld voor passages in Job 14:14, Psalmen 16:9-10; 73:23-26, Jesaja 26:19, Ezechiël 37 en Hosea 13:14.

Daniël 12:1-4 is een ander geval en duidelijk een unieke passage in dit verband. In het Oude Testament is het waarschijnlijk de enige tekst die expliciet over een leven na de dood spreekt en een dergelijk leven ook daadwerkelijk bedoelt en niet op een overdrachtelijke wijze op een verder leven na de dood zinspeelt. Omdat er in Daniël een tweede passage relevant is voor ons thema, Daniël 7:9-10.13-14, en deze mogelijk samenhangt met de passage uit Daniël 12, wordt ook deze tekst hieronder kort besproken.

Het boek Daniël in de Hebreeuwse Bijbel

Wel bekend is dat het boek Daniël een combinatie is van verhalen over Judeeërs in de diaspora aan het hof van verschillende buitenlandse vorsten (hoofdstuk 1-6) en visioenen over het aflopen van de wereldgeschiedenis (hoofdstuk 7-12). Het is frappant dat niet hoofdstuk 12, maar het verhaal over de drie metgezellen van Daniël die volgens hoofdstuk 3 uit de brandende oven van de Babylonische koning Nebukadnezar gered worden in de eerste eeuwen van onze jaartelling regelmatig is opgevat en afgebeeld als een symbolisering van de opstanding. Hoewel het boek Daniël gesitueerd wordt aan het hof van Babylonische, Medische en Perzische koningen, dateert het in de huidige vorm waarschijnlijk uit ongeveer 165 voor Christus. Deze datering kan afgeleid worden uit sommige details in de visioenen van hoofdstuk 7-12 die opvallend precies de dramatische gebeurtenissen lijken te weerspiegelen tijdens de gewelddadige interventies in Jeruzalem door de Seleucidische koning Antiochus IV Epiphanes (175-164 voor Christus, zie de beschrijvingen in 1 Makkabeeën 1 en 2 Makkabeeën 5-7).

Daniëls visioenen werden aan hem geopenbaard in de tijd van de Babylonische, Medische en Perzische wereldrijken, maar de inhoud van de visioenen spitst zich toe op een vierde wereldrijk van de Grieken, gesticht door Alexander de Grote en later uiteengevallen onder de generaals die Alexander opvolgden (waaronder de Seleucieden, de opvolgers van generaal en later koning Seleucus I).

Daniël 7:9-14

Hoofdstuk 7 vertelt dat Daniël in het eerste jaar van de Babylonische koning Belsassar in zijn slaap vier dieren uit zee zag opkomen. Het visioen wordt weergegeven in 7:2-14 en een uitleg ervan volgt in 7:15-27. De vier dieren zijn waarschijnlijk aan Hosea 13:7-8 ontleend en zij symboliseren vier wereldrijken die elkaar opvolgen. De beschrijving van het uiterlijk en de daden van deze dieren impliceert een beeld van de geschiedenis dat van kwaad tot erger gaat.

Het kwaad balt zich samen in de figuur van de elfde hoorn van het vierde dier (7:7b-8.11a.20-22.24-25). Die elfde hoorn wordt vaak als een verhulde verwijzing naar de eerder genoemde Seleucidische koning Antiochus IV opgevat, die een slachting in Jeruzalem aanrichtte en de offercultus in de tempel van Jeruzalem tot een heidense cultus omvormde. Het visioen duidt niet alleen aan dat de heerschappij van het vierde dier en de elfde hoorn vernietigd zal worden, maar ook dat daaropvolgend heerschappij verleend zal worden aan een figuur die op een mens lijkt. Dat gebeurt in een soort hemelse troonzaal en dat zou kunnen betekenen dat degene aan wie dit eeuwigdurende rijk verleend wordt is opgestaan uit de dood (7:9-10.13-14).

Daniël 7:9-14 beschrijft in feite een nieuwe scène in het visioen over de vier dieren. Er is een in een wit kleed gehulde oude wijze persoon die op zijn ontzagwekkende troon plaatsneemt en een hemels gerechtshof gaat voorzitten dat de boeken opent. Deze zitting leidt tot het doden en verbranden van de elfde hoorn van het vierde dier uit zee. De andere dieren kunnen nog een tijd voortbestaan (7:11-12). Vervolgens verschijnt er een mensgelijke:

(13) In mijn nachtelijke visioenen zag ik [Daniël] dat er met de wolken van de hemel iemand kwam die eruitzag als een mens. Hij naderde de oude wijze en werd voor hem geleid. (14) Hem werden macht, eer en het koningschap verleend, en alle volken en naties, welke taal zij ook spraken, dienden hem. Zijn heerschappij was een eeuwige heerschappij die nooit ten einde zou komen, zijn koningschap zou nooit te gronde gaan.

(Daniël 7:13-14; NBV 2004)

De wijze oude van dagen symboliseert God, die een hemels gerechtshof voorzit. De figuur die op een mens gelijkt wordt in het Nieuwe Testament de Mensenzoon genoemd, die Jezus in verschillende uitspraken noemt, en waarin hij indirect verwijst naar zichzelf (bijvoorbeeld Marcus 8:31; 14:62). De grote vraag is waar deze op een mens lijkende figuur vandaan komt, wanneer hij voor de oude wijze in de troonzaal geleid wordt. Is het een hemelse figuur die met macht bekleed wordt en vervolgens naar de aarde komt en daar een eeuwig rijk van vrede sticht? Of is het een rechtvaardige mens, iemand die heeft moeten lijden en een gewelddadige dood gestorven is?

Dat laatste zou in lijn zijn met opvattingen over lijdende rechtvaardigen en martelaarsfiguren die in verschillende Joodse bronnen uit deze periode voorkomen. Dan zou deze mensgelijke in de hemel zoals een martelaar door God gerehabiliteerd worden, herleven en bovendien met heerschappij bekleed worden. Dit zou een soort opstanding ten leven voor een speciale categorie van rechtschapen mensen impliceren. In de wijsheidsliteratuur wordt het lot van rechtvaardigen beschreven die ten onrechte moeten lijden en vervolgd worden, soms zelfs tot de dood aan toe. Zij moeten lijden maar mogen ook de hoop koesteren op onsterfelijkheid bij God (bijvoorbeeld Wijsheid van Salomo 3:1-9).

De moeder en haar zeven zonen die Antiochus IV op gruwelijke wijze laat dood martelen, zoals in 2 Makkabeeën 7 beschreven wordt, spreken ook de hoop uit dat zij een postume beloning voor hun lijden mogen ontvangen. Die beloning wordt voorgesteld als een opstanding in de vorm van een herschepping ten leven, waarbij God analoog aan de schepping van Adam en Eva volgens Genesis 2 voor altijd nieuw leven inblaast in deze martelaren (2 Makkabeeën 7:9.11.14.22-23.27-29.36). Het is goed mogelijk dat een dergelijke herschepping voorondersteld wordt in die enkele verzen over de mensgelijke in Daniël 7, maar de eerlijkheid gebiedt op te merken dat dit dus niet met zoveel woorden gezegd wordt.

Michael als de zielenweger. Gebaseerd op teksten uit Daniël en Openbaring (Apocalyps). Detail van de muurschildering (het laatste oordeel) in de St Jan de Doper kerk te Echteld. 15e eeuw.
(Foto: GvB.)

Daniël 12:1-4

De korte maar lastig te interpreteren passage in Daniël 12:1-4 sluit het lange laatste visioen van Daniël 10 en 11 af. Tijdens een laatste en meest hevige periode van verdrukking zal de aartsengel Michaël verschijnen als beschermengel van Gods volk (12:1), mogelijk ook als een pleitbezorger van de mensen of als uitvoerder van het beoogde vonnis van de mensen. De tijd van verdrukking valt samen met het hoogtepunt van het kwaad op aarde, de geschiedenis moet daar doorheen zodat een definitieve ommekeer ten goede kan plaatsvinden (vergelijk Daniël 7:8.19-26; 8:8-14.17.19.21-25; 11:21-45).

In aansluiting bij hoofdstuk 7 wordt er in 12:1-4 verwezen naar een hemels boek, dat hier waarschijnlijk het boek van het leven aanduidt (Jesaja 4:3; Openbaring 20:15) waarin degenen opgeschreven staan die mogen opstaan. In Daniël 12 gaat het om een opstanding van twee groepen mensen aan het einde van de geschiedenis. Degenen die in het boek genoteerd staan, worden gered en zij staan op. Hun vijanden, de andere groep, zal voor altijd gestraft worden:

(1) In die tijd zal Michaël opstaan, de grote vorst, die de kinderen van je volk ter zijde staat. Het zal een tijd van verdrukking zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan. In die tijd zal je volk worden gered: allen die in het boek zijn opgetekend. (2) Velen van hen die slapen in de aarde, in het stof, zullen ontwaken, sommigen om eeuwig te leven, anderen om voor eeuwig te worden veracht en verafschuwd. (3) De verlichten zullen stralen als het fonkelende hemelgewelf, en degenen die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren, voor altijd en eeuwig. (4) Maar houd deze woorden geheim, Daniël, en verzegel het boek tot de eindtijd. Velen zullen op zoek gaan en de kennis zal toenemen.

(12:1-4; NBV 2004)

De passage spreekt duidelijk van een tweedeling van de mensheid waarbij een deel beloond wordt met het eeuwig leven en een ander deel bestraft. Het gaat daarbij waarschijnlijk niet om een opstanding van alle mensen die gestorven zijn. Vers 2 verbeeldt een opstanding van ‘velen (rabbiem in het Hebreeuws) … die slapen’.

Het beeld van het slapen is een metafoor voor het in een toestand van dood verkeren. Soms wordt dit vers als een uitspraak over een dubbele eeuwige opstanding uitgelegd, als het uiteindelijke lot van twee verschillende groepen die tot de ‘velen’ behoren.

Een andere uitleg verbindt de opstandingspassage in Daniël 12:1-4 met verzen uit het visioen in hoofdstuk 11 (11:32-35) die de onderdrukking van de slechte koning van het noorden beschrijven. Daniël 12:1-4 lijkt naar deze verzen te verwijzen (zie ook ‘velen’ in 11:33 en 12:2-3; en ‘de verlichten’, maskiliem in het Hebreeuws, in 11:33, 35; 12:3). In dat geval zou Daniël 12:2-3 de postume beloning aanduiden van een beperkte groep, ‘de verlichten’, dat wil zeggen: degenen die wijs zijn, die waarschijnlijk identiek zijn met ‘degenen die velen tot gerechtigheid hebben gebracht’.

Deze groep wordt in Daniël 11:32-35 genoemd en zij worden een tijd lang ‘te vuur en te zwaard bestreden, gevangengezet en beroofd’ (12:33). Dat betekent waarschijnlijk dat zij zouden lijden en sterven tijdens de vervolging van de koning van het noorden en als martelaren moeten worden beschouwd. Daniël 11:35 zegt over hen dat sommigen van hen zullen vallen om gezuiverd, gelouterd en gereinigd te worden. Volgens deze lezing zou het dan in 12:2-3 zoals in Daniël 7 om een opstanding kunnen gaan zoals van de martelaren die stierven tijdens de vervolging van Antiochus IV, een opstanding als beloning voor het leiden van de ‘velen’ tot gerechtigheid tijdens een laatste periode van lijden, die fungeerde als een fase van zuivering voordat de verlossing aan het einde der tijden zou aanbreken. De vijanden van de verlichten worden voor eeuwig bestraft.

Het is niet zo makkelijk om te bepalen hoe we de opstanding ten leven moeten voorstellen in Daniël 12. Vanaf de tweede eeuw voor Christus komen er in het jodendom verschillende visies op het hiernamaals voor. We zagen al dat de martelaarsverhalen in 2 Makkabeeën de verwachting uitspreken dat de martelaren een opstanding beleven als een totale herschepping door God. Een andere opvatting gaat uit van de onsterfelijkheid van de ziel, waarbij het lichaam vergaat.

Daniël 12 lijkt te verwijzen naar een astrale vorm van leven na de dood, waarbij mensen na hun dood voortbestaan in de sterrenhemel of in een ster veranderen. Dat is een voorstelling die we kennen uit de Grieks-Romeinse wereld. De tenhemelopneming van Mozes, een Joodse apocalyptische tekst uit de eerste eeuw na Christus, sluit daar mogelijk bij aan en beschrijft kort hoe het volk Israël bij het einde der tijden voor altijd door God naar de hemel verplaatst wordt, terwijl de vijanden uit de andere volken gestraft worden (As. Mos. 10:8-10).

Uit een precieze lezing van Daniël 12 blijkt echter dat het niet gaat om een opstanding tussen de hemellichamen, zoals sommige latere interpretaties van de passage veronderstellen. De tekst impliceert een vergelijking: ‘De verlichten zullen stralen als het fonkelende hemelgewelf, en degenen die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren, voor altijd en eeuwig’ [cursivering JEvH].

Dit houdt in dat de selecte groep van wijze mensen die anderen tot gerechtigheid hebben gebracht, de ‘verlichten’ in de NBV-vertaling, op een evidente wijze zullen herleven, zoals hemellichamen die oplichten. Waar dat echter gebeurt, blijft in het midden. Sommigen leggen in dit opzicht een verband tussen Daniël 7 en 12 en betogen dat de passages in samenhang betekenen dat deze groep door God beloond zal worden met een opstanding die inhoudt dat zij aan het einde der tijden deel mogen hebben aan Gods koninkrijk van vrede op aarde. Dat kan maar is bepaald niet zeker en wanneer dit verband niet gelegd mag worden, moeten we helaas vaststellen dat de plaats en de wijze waarop de opstanding ten leven in Daniël 12 niet verduidelijkt worden.

Opstanding uit de doden

Waar komt de voorstelling van een opstanding uit de doden vandaan?

Het korte antwoord op deze vraag is, dat reeds aanwezige lijnen in het Oude Testament doorgetrokken en verbonden worden met voorstellingen uit andere culturen waarmee de groep die het boek Daniël op schrift gesteld heeft in contact was gekomen.

De aan het begin van dit artikel genoemde passages uit de Psalmen drukken het verlangen uit om voortdurend in de aanwezigheid van God te verblijven. Ezechiël 37 en andere teksten spreken de verwachting uit dat het gehele volk Israël gered zal worden, en die redding wordt dan op een gegeven moment als een opstanding uit de dood voorgesteld, zoals in de tenhemelopneming van Mozes. Het Joodse apocalyptische werk Ethiopische Henoch, dat deels ouder is dan het boek Daniël, verwacht een opstanding uit het dodenrijk aan het eind der tijden op een dag van oordeel. Dit betekent voor sommigen een opstanding ten leven en voor anderen zoals in Daniël 12 als straf (Eth. Hen. 22; 27).

De auteur of redacteur van Daniël was waarschijnlijk bekend met overleveringen over Henoch die in zijn tijd gecirculeerd hebben. De overlevering dat Henoch zelf door God opgenomen was in de hemel, zoals Genesis 5:24 en Hebreeënbrief 11:5 vermelden, kan daarbij ook een rol gespeeld hebben. Het een en ander maakt het waarschijnlijk dat de opstanding uit de doden een voorstelling was die wel bekend was in apocalyptische kringen. Die voorstelling was al eerder ingeburgerd in de Perzische godsdienst en ook bekend uit de Griekse cultuur waarin de onsterfelijkheid in de wereld van de sterren bekend was. Kennis van deze niet-Joodse voorstellingen kan een stimulans geweest zijn om reeds bestaande bijbelse ideeën uit te werken vanuit het perspectief van het hiernamaals.

Ten slotte zullen extreme historische omstandigheden waarbij een onverdiend lijden niet meer tijdens het leven rechtgezet kon worden ook een belangrijke aanleiding gevormd hebben tot de verwachting van een rechtvaardiging na de dood.

Jan Willem van Henten is hoogleraar Religiewetenschappen Universiteit van Amsterdam en buitengewoon hoogleraar Oude en Nieuwe Testament, Stellenbosch University.


< Terug