< Terug

De rijke man en Lazarus in Lucas 16:19-31

De parabel over berouw of een verkenning van het hiernamaals?

Lucas 16:19-31 volgt gelijk na de discussie die Jezus had met de Farizeeën over enkele kwesties uit de Wet in Lucas 16:14-18. Deze perikoop kan begrepen worden als een illustratie van deze controverse. Het wordt echter vaak opgevat als een onafhankelijk verhaal over de bestemming van het hiernamaals voor Lazarus en de rijke man. Vertelt het ons dan iets speciaals over het individuele lot van het hiernamaals en de plaats van zijn/haar verblijf? Hoe moeten we deze tekst interpreteren?

Laten we eerst eens nader bekijken wat er aan de hand is in deze gelijkenis. Er waren twee mensen, een niet bij naam genoemde rijke man, die in luxe baadde en zijn leven in feestvreugde doorbracht. En we horen over een zeer arme man met de naam Lazarus, die voor de poort van de rijke man lag, terwijl deze laatste in zijn huis feestvierde. De arme man verlangt ernaar te eten van wat er van de tafel van de rijke man valt. Hij was ziek en bedekt met zweren, die door de honden werden afgelikt (16:19-21). Als de twee personages komen te overlijden, wordt hun lot plotseling omgekeerd: de engelen dragen Lazarus weg naar de schoot van Abraham. De rijke man wordt begraven en daalt af naar Hades (16:22-23).

Terwijl de rijke in de vlammen van Hades lijdt, smeekt hij Abraham om Lazarus naar hem toe te sturen om zijn tong met water te verkoelen, opdat hij verlicht zou worden van zijn helse pijn. Echter, zoals Abraham zegt, is dat onmogelijk aangezien het lot van de twee nu veranderd is. Zoals Lazarus zijn akelige dingen heeft ontvangen tijdens zijn aardse leven en nu getroost is, zo zal de rijke man in doodangsten verkeren, omdat hij al alle goede dingen tijdens zijn leven heeft ontvangen. Bovendien is er een grote kloof tussen de twee in hun hiernamaals, die niet overbrugd kan worden (16:24-26).

Tot slot vraagt de rijke man Abraham nog een gunst, of hij Lazarus naar het huis van zijn vader wil sturen om zijn vijf broers te waarschuwen. Dat ze zich niet zo gedragen als hij deed tijdens zijn leven, om zo alle kwellingen te kunnen vermijden (16:27-28). Ook deze gunst wordt afgewezen, omdat zij ook ‘Mozes en de profeten hebben; ze moeten naar hen luisteren’, en ‘als ze niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen ze zich ook laten overtuigen als iemand uit de dood opstaat’ (16:29-31, NBV).

Er zijn enkele parallellen tussen deze gelijkenis in Lucas en andere oude teksten. Het doet bijvoorbeeld denken aan het Egyptische verhaal over Setne Khamwas, de hogepriester van Ptah in Memphis en zijn zoon Si-Osire, dat door de Joden in Alexandrië kon worden opgepakt en naar Judea gebracht. Later is het mogelijk verwerkt in de rabbijnse verhalen over twee rabbijnse onderwijzers en de tollenaar. Het is onduidelijk of de gelijkenis uit Lucas van een buiten-bijbelse legende kwam of daarop gebaseerd is.

Hoe dan ook, diverse elementen in de gelijkenis waren bekende volksmotieven die binnen de mediterrane wereld van het Oude Oosten circuleerden.

Sommige elementen in dit verhaal worden beschouwd als kernpunten die nader onderzocht moeten worden: de ommekeer van het lot van Lazarus en de rijke man, het individuele/collectieve oordeel in het hiernamaals, de plek van Abrahams schoot, en hoe deze zich verhoudt tot de hemel en Hades.

De omkering van het lot

Het thema van de ommekeer van het lot na iemands dood is in veel oude teksten over het laatste oordeel in hiernamaals te vinden. De omkering houdt een verrassingselement in voor hen die macht hadden en waardig geacht werden in hun leven – plots zijn zij los van hun aardse kracht en glorie (bijvoorbeeld Plato, Gorg. 523c; 1 En. 62:14; Test. Jud. 25:4). Dit bevat soms ook een ommekeer tussen arm en rijk, hetgeen impliceert dat hun ongelijkheid in dit leven gecompenseerd zal worden in het hiernamaals (Lucian, Men. 12; 1 En. 94:8-10; 103:5-8).

Er zijn verschillende literaire kenmerken in Lucas 16:19-31 die zo’n wissel van het lot duidelijk maken. Ten eerste heeft de structuur van deze gelijkenis een zekere symmetrie: het is de rijke man die tijdens zijn fysieke leven elke dag feestviert en een banket organiseert. Zijn gastvrijheid strekt zich echter alleen uit tot zijn aardse vrienden, en hij nodigt Lazarus zelfs nooit bij hem thuis uit. Ter contrast geeft Abraham – bekend om zijn gastvrijheid (zie bijvoorbeeld Genesis 18:1-8) – in het hiernamaals de bedelende de eervolste en hoogste plaats, het dichtst bij hemzelf.

Ten tweede toont de gelijkenis de verandering van de ruimtelijke posities van de twee hoofdpersonen in dit verhaal. Aan het begin van het verhaal nam Lazarus een lagere positie in voor de poort van de rijke man, terwijl de rijke man in een hogere positie aan het banket zat. Dit symboliseert de enorme sociale kloof tussen beiden. Dan, wanneer Lazarus naar Abrahams schoot wordt gebracht, wat vermoedelijk de hogere positie is omdat het volgens dit verhaal ver weg is van Hades waar de rijke man zich bevond, moet de laatste opkijken om Lazarus te kunnen zien. Bovendien, zoals ik hieronder zal betogen, impliceert het beeld Abrahams boezem de deelname van Lazarus aan een gezegend banket, dat schijnbaar ergens hoger wordt gehouden dan het aardse banket van de rijke man. Deze sociale ommekeer is zo onverwacht voor de rijke man, dat hij zelfs in het hiernamaals Lazarus probeert te gebruiken, en hem als lager in de sociale rang te behandelen, door aan Abraham te vragen of hij Lazarus langs zijn vaders huis wil sturen.

Zodoende wordt Lazarus, die tijdens zijn aardse leven zoveel honger en dorst had geleden, en daarbij nooit hulp of steun ontvangen had van de rijke man, na zijn dood door de engelen weggevoerd naar de schoot van Abraham, terwijl de rijke man na zijn dood is begraven en naar Hades gaat (16:22-23). Lazarus ontvangt niet alleen troost in het hiernamaals, maar hij ziet ook het lijden van de rijke man. Lucas is niet uniek in zijn aandacht voor het lot van de armen. In de profetische traditie van het Oude Testament is de identificatie van de rechtvaardigen met de armen en de dwazen terug te vinden, en gaat door tot aan de vroeg-Joodse geschriften van de tweede tempelperiode (zie bijvoorbeeld 1 Enoch). Lucas houdt aan deze traditie vast en zet deze voort. Sommige geleerden beweren dat de naam van de bedelaar – die in het Hebreeuws ‘God helpt’ of ‘God heeft geholpen’ betekent – verwijst naar de rechteloze Lazarus en zo een indicatie is van het volle vertrouwen dat hij in God stelt.

Lazarus en de rijke man, Codex Aureus Echternach, 11e eeuw.
Boven: Lazarus aan de poort van de rijke man.
Midden: Lazarus’ ziel wordt door twee engelen opgenomen en Lazarus in Abrahams schoot.
Onder: De ziel van de rijke man wordt door satan naar de hel geleid waar hij gemarteld wordt.

Het oordeel van het individu en het lot in het hiernamaals

Hoewel het idee van de differentiatie/omkering van het lot gemeengoed was in een aantal Grieks-Romeinse en Joodse uiteenzettingen, impliceren sommige ervan een oordeel aan het einde der tijden (bijvoorbeeld 1 Henoch 22; 4 Ezra 7; 2 Bar. 30: 2‐5). Lucas ondersteunt ook het traditionele Joodse concept van het eschatologische oordeel (zie: Lucas 10:12-14; 11:31-2; 14:14; 20:27-40.47; Handelingen 24:15.25), maar hij gebruikt het idee van een individueel oordeel dat een onmiddellijke toegang tot de andere wereld veronderstelt. Dit zien we in de gelijkenis van de rijke man en Lazarus, maar het wordt bijvoorbeeld ook gevonden in het verhaal van Judas’ ondergang (Handelingen 1:25), het verhaal van Stefanus’  dood (Handelingen 7:59-60), en Jezus’ woorden tot de berouwvolle dief aan het kruis (Lucas 23:43).

Hoewel er geen expliciete beschrijving is van een ‘postmortem’ oordeel na de dood in Lucas 16:19-31, wordt het wel in dit verhaal geïmpliceerd, omdat beide personages hun lot in de andere wereld ontvangen. De grote kloof tussen hen symboliseert hun postmortem onderscheid die onmiddellijk na de dood plaatsvindt en de definitieve ommekeer van hun lot (16:25-26). Er is inderdaad geen aanwijzing te vinden van een verder oordeel of enige mogelijkheid om hun lot of de plaatsen die ze in de andere wereld innemen te veranderen. Bovendien wordt in deze gelijkenis het lot onmiddellijk na de dood beleefd, zonder enige tijdelijke toestand te ondergaan tussen de dood en de uiteindelijke bestemming.

Er is hier geen spoor van een oordeel in twee fasen (voorlopig en definitief); het goede of slechte lot is definitief en kan niet worden veranderd.

Al met al, zoals het lot van deze personages tijdens het leven anders was, zo is dat ook in het hiernamaals: ze bevinden zich in verschillende delen van de andere wereld.

Kan iemand het postmortem bestaan van Lazarus (evenals dat van Abraham) associëren met opstanding? Sommige elementen lijken te verwijzen naar de lichamelijkheid van de postmortem toestanden van de rijke man en Lazarus. De eerste is de kwelling in de vlammen en de wens dat Lazarus de tong van de rijke koelt met wat water op de top van zijn vinger (16:24). Terwijl Lazarus dan bij Abraham zit (dit is het meest duidelijk bij het banket, zoals ik hieronder zal laten zien). De lichaamsdelen (vinger en tong) verwijzen echter niet noodzakelijkerwijs naar echte lichamelijkheid. Ze zijn eenvoudig zo afgebeeld om dit verhaal levendiger te maken. Een dergelijk kenmerk is ook te vinden in verschillende Grieks-Romeinse en Joodse teksten waar de zielen van de overledenen enkele lichamelijke en fysieke kenmerken hebben. Het postmortale bestaan van Lazarus wordt dus niet geassocieerd met opstanding, terwijl de uitdrukking ‘als iemand uit de dood opstaat’ in 16:31 verwijst naar de opstanding van Jezus in plaats van te verwijzen naar het lot van Lazarus.

De plaats van de verblijfplaats van de doden

Als Lucas 16:19-31 niet verwijst naar het eschatologische oordeel, betekent dit dan dat de gelijkenis een populaire kijk op de tussenliggende toestand tussen dood en uiteindelijke bestemming weerspiegelt, zoals sommige geleerden beweren? Is Hades bij Lucas slechts een tijdelijke verblijfplaats van de doden (vergelijk Psalm 16:10) vergelijkbaar met Sheol, verdeeld in verschillende secties vergelijkbaar met die in 1 En. 22, waar Lazarus het gezegende deel inneemt dat gereserveerd is voor de rechtvaardigen, terwijl de rijke man verblijft in het deel van Hades, een plaats van geseling en kwelling tot zijn uiteindelijke bestemming? Ervaren ze beiden voorlopige zegen en straf en wachten ze op de opstanding?

Sommigen interpreteren het ‘liggen aan Abrahams hart’ met het paradijs of met een tijdelijke plaats voor de rechtvaardigen in afwachting van het laatste oordeel, dat wil zeggen: een ‘gelukkige kant’ van Hades. Dit idee was al populair in het vroege christendom. Zo beschouwt Hippolytus van Rome (derde eeuw) in zijn De universo Abrahams hart als de verblijfplaats van de rechtvaardigen in Hades in afwachting van het laatste oordeel dat tot eeuwig leven in de hemel zal worden gebracht (Univ. 33; vgl. Tertullianus, An. 7.3; Marcus 4; 34:11-14).

De locatie van Lazarus’ rustplaats is echter verre van duidelijk. De uitdrukking ‘Abrahams schoot’ of ‘Abrahams hart’ komt nergens anders voor bij Lucas, de Handelingen of in de rest van het Nieuwe Testament. Ze komt ook niet voor in de meeste Joodse geschriften, met uitzondering van enkele latere (T. Abr. A 20:14, b Qidd. 72a‐b). Het kan dus niet worden gezien als een specifieke plaats in de andere wereld, maar eerder als een metafoor, die verschillende concepten vertegenwoordigt: (1) een kind dat op de schoot van zijn ouders ligt (vergelijk Johannes 1:18); (2) de nabijheid van een gast tot de gastheer tijdens een banket (liggend naast de gastheer; vergelijk Johannes 13:23; 2 Clem. 4:5); (3) verenigd worden met de voorouders (vergelijk Genesis 15:15).

De eerste twee concepten kunnen worden gecombineerd in Lucas 16:22, hetgeen suggereert dat Lazarus een hechte gemeenschap met Abraham had bij een hemels banket (Lucas 13:28-30). Zo kan Abrahams schoot de aard van de relatie tussen Abraham en Lazarus aangeven in plaats van een exacte geografische locatie: ze bevinden zich in een intieme gemeenschap in een bepaalde gezegende realiteit, waarbij Lazarus een verheven en zeer eervolle plaats inneemt bij de vergadering van de rechtvaardigen. De schoot van Abraham is een metafoor van het banket dat niet in de verre eschatologische toekomst plaatsvindt, maar onmiddellijk na de dood van Lazarus.

Er zijn geen aanwijzingen te vinden van enige verdere verandering van de postmortale bestemming in Lucas 16:19-31 en voor verplaatsing van Lazarus naar zijn andere laatste verblijfplaats in het hiernamaals. Daarom is het onmogelijk om te zeggen of Abrahams schoot ondubbelzinnig aan ‘de gelukkige kant’ van Hades is of niet. Maar het vertegenwoordigt beslist de gezegende realiteit die bestemd is voor de rechtvaardigen.

Verder is de functie van Hades in deze gelijkenis complex. Hier dient het als een plaats van straf voor de goddelozen met zijn kwellingen, vlammen van vuur en dorst (16:24). Terwijl in het Nieuwe Testament Hades gewoonlijk een plaats is van het voorlopige oordeel (1 Henoch 22), het wordt gecontrasteerd met Gehenna als een plaats van laatste straf. Gehenna is echter een zeer zeldzame term voor Lucas-Handelingen (het komt alleen voor in Lucas 12:5) en Lucas kan beide termen gebruiken als ruwe equivalenten van de plaats van straf voor de goddelozen en verschillende opvattingen over Hades combineren in zijn geschriften, als een verblijfplaats van alle doden en de plaats van straf voor de goddelozen. Hades in 16:23 kan daarom worden beschouwd als de plaats van de laatste kwelling.

Conclusies

Men zou kunnen denken dat het belangrijkste punt van Lucas 16:19-31 niet alleen een verheldering is van bepaalde details van het hiernamaals en die andere wereld. In feite zien deze details eruit als enkele populaire opvattingen die werden gedeeld in de oostelijke mediterrane wereld waarvan het jodendom deel uitmaakte. Lucas wilde, uiteraard, dat zijn lezers deze details, evenals de overtuigingen in het hiernamaals en de vergelding ervan, serieus namen.

De belangrijkste boodschap van deze gelijkenis is echter niet een apocalyps over het einde van de wereld of over de geheimen van de andere wereld, maar de aansporing tot berouw met het oog op het komende oordeel. De boodschap is dat de rijkdom van de rijken tijdens het leven gedeeld moet worden met de armen. Zo konden de rijken worden gered (vergelijk Lucas 3:10–14; 12:33; 14:12–14; 16:1–9; 18:22; 19:8). De rijken moeten zich bekeren volgens ‘Mozes en de profeten’, nu ze nog tijd hebben. Bij het oordeel zal het lot van de rijken en de armen veranderen (Lucas 1:52-53; 6:20-26).

De ommekeer van het lot van de rijken en de armen in het hiernamaals is echt en het is een essentieel en centraal punt van dit verhaal.

Terugkerend naar de plek en betekenis van 16:19-31 in het evangelie volgens Lucas. Lucas’ opmerking in 16:14 dat de Farizeeën geldliefhebbers waren moet hiermee in verband worden gebracht. Deze gelijkenis fungeert in zijn directe context als een aansporing aan de Farizeeën om trouw te zijn aan de Wet van Mozes, waaraan zij beweerden te voldoen, en om hun goederen te delen met de behoeftigen en Jezus te aanvaarden als een herrezen Messias (16:31).

Alexey B. Somov is werkzaam bij het Institute for Bible Translation in Moskou.

Literatuur

Joachim Jeremias, The Parables of Jesus, 2nd rev. edn. (New York: Charles Scribner’s Sons, 1972).

Outi Lehtipuu, The Afterlife Imagery in Luke’s Story of the Rich Man and Lazarus (NovTSup 123; Leiden: Brill, 2007).

A.J. Mattill jr., Luke and the Last Things: A Perspective for the Understanding of Lukan Thought (Dillsboro, NC: Western North Carolina Press, 1979).

Alexey B. Somov, Representations of the Afterlife in Luke-Acts (LNTS 556. London. Bloomsbury T&T Clark, 2017).

Alexey B. Somov and Vitaly Voinov, “Translating ‘Abraham’s Bosom’ (Luke 16:22-23) as a Key Metaphor in the Overall Composition of the Parable of the Rich Man and Lazarus.” Catholic Biblical Quarterly 79.4 (2017): 615-633. 


< Terug