< Terug

De dood van de dood in Openbaring

In de visioenen van de ziener Johannes, beschreven in het boek Openbaring, tuimelen de karakters over elkaar heen. Het is een moeilijk boek, maar ook een boek dat tot de verbeelding spreekt. Letterlijk, want weinig bijbelboeken hebben zoveel effect gehad op de christelijke iconografie.

Dat de beelden uit dit boek ook in de 21e eeuw nog krachtig zijn, blijkt wel uit de beelden van vier ruiters te paard die Jason DeCaires Taylor in 2015 in de Thames plaatste (zie een afbeelding ervan: hier). Met dit kunstwerk protesteerde hij tegen de verwoesting van het milieu: hij plaatste de ruiters uit Openbaring 6 tegenover The City in London.

Het angstaanjagende tafereel uit Openbaring 6 vindt zijn climax in de beschrijving van de vierde ruiter:

Toen zag ik een vaalgeel paard. De ruiter heette Dood, en Dodenrijk vergezelde hem. Zij kregen verlof om op een vierde deel van de aarde dood en verderf te zaaien, door middel van het zwaard, hongersnood, dodelijke ziekten en wilde dieren.

De verschrikkingen die mensen ook in de eerste eeuw al meemaakten – geweld, honger, dodelijke ziekten en bedreigende dieren – zijn in het Nederland van de 21e eeuw dan wellicht gereduceerd geweld en dodelijke ziekten, maar niettemin zijn zij herkenbaar gebleken gedurende heel de geschiedenis. In het inktzwarte scenario van Openbaring maken zij dus deel uit van Gods plan voor de schepping. God slaat de schepping op allerlei manieren en de verbeelding daarvan in dit visioen is wel bij uitstek de vierde ruiter. Het is een beeld dat gedurende de covid-pandemie opnieuw kracht kreeg. Een artikel dat de auteur dezes hierover schreef werd in enkele maanden tijd meer dan 47.000 keer gedownload en gelezen (47.056, stand van zaken 16 mei 2022).

Vanwege de grote zeggingskracht, maar ook het hier en daar angstaanjagende karakter van het boek Openbaring is het goed eens in kaart te brengen hoe Johannes spreekt over de dood en dan vooral over het einde van de dood: de dood van de dood.

Jezus als degene die macht heeft over de dood

De visioenen van Johannes zijn onder te verdelen in een openingshoofdstuk (Openbaring 1), twee hoofdstukken waarin Jezus aan Johannes brieven dicteert voor zeven groepen van volgelingen in Klein-Azië (Openbaring 2-3) en vervolgens een wirwar aan visioenen (Openbaring 4-20), die uitlopen op een beschrijving van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde (Openbaring 21-22).

Het slot (22:6-21) sluit het boek af op een manier die we kennen uit apostolische brieven van bijvoorbeeld Paulus. Daarmee zijn we dan terug bij het begin, want ook de opening van het boek doet denken aan de manier waarop Paulus zijn brieven opent (1:4-6).

Johannes opent zijn boek en beschrijft hoe hij ‘op de dag van de Heer’ in vervoering raakte (1:10). Hij hoorde een stem achter zich, die hem gebood alles wat hij zou zien op te schrijven in een boek en dat te sturen aan de gemeenten van Jezus in Efeze, Smyrna, Pergamum, Tyatira, Sardes, Filadelfia en Laodicea (1:11). Hij draait zich om en wordt bevangen door schrik, want hij ziet een goddelijke figuur van wie voor de lezers of hoorders (boeken werden in de oudheid voorgelezen!) direct duidelijk is dat het gaat om Jezus.

Het zal geen toeval zijn dat Johannes zijn eigen reactie ook in termen van de dood beschrijft: ‘Toen ik hem zag viel ik als dood voor zijn voeten neer’ (1:17a). Jezus daarentegen richt hem op en stelt zichzelf voor: ‘Wees niet bang. Ik ben de eerste en de laatste. Ik ben degene die leeft; Ik was dood, maar Ik leef, nu en tot in eeuwigheid. Ik heb de sleutels van de dood en van het dodenrijk’ (1:17b-18).

Deze eerste woordenwisseling van Jezus met Johannes maakt direct duidelijk dat Jezus in Openbaring de Opgestane Heer is, die in hemelse heerlijkheid regeert. Zijn eigen lot wordt gekenmerkt door zijn dood en opstanding – klaarblijkelijk dankt hij zijn hemelse heerlijkheid daaraan. De uitdrukking waarmee Jezus’ macht beschreven wordt is de metafoor van de sleutels van de Dood en het Dodenrijk.

Opmerkelijk is dat in latere rabbijnse teksten het motief van sleutels eveneens te vinden is. In sommige teksten heeft God drie sleutels in handen die Hij niet afstaat aan zijn engelen: de sleutels van de regen, van geboorte en van de opstanding van doden. Het lijkt erop dat de ziener Johannes van deze laatste metafoor op de hoogte was en deze toepast op Jezus (Bronnen: bTaan 2a; GenRab 73.3; DeutRab 7.6; MidrPs 78.5; vgl. ook TgNeof Gen 30:22; verwijzingen uit Aune, Revelation, ad loc.).

Het openingsvisioen schildert Jezus dus direct als degene die namens God macht heeft over hemel en aarde, ja zelfs over de dood en het dodenrijk. Vervolgens dicteert Jezus zeven brieven aan Johannes die hij moet richten aan de zeven bovengenoemde gemeenten in Klein-Azië. Deze brieven lijken kennis van de lokale situatie in elk van de zeven gemeenschappen te weerspiegelen en bieden geen zevenvoudige herhaling aan, maar gaan ieder specifiek op de lokale situatie in.

De brief aan Smyrna (2:8-11) is voor het thema van deze bijdrage in het bijzonder interessant. Jezus stelt zichzelf hier voor als ‘de eerste en de laatste, die dood was en nu leeft’ (2:8). Het eerste deel van deze zin komt in drie varianten in totaal zevenmaal voor in Openbaring: de alfa en de omega, de eerste en de laatste, het begin en het einde – 1:8 (alfa & omega), 17 (eerste & laatste); 2:8 (eerste & laatste); 21:6 (alfa & omega, begin & einde) en 22:13 (alfa & omega, eerste & laatste, begin & einde). Dat deze formule in totaal zeven keer voorkomt aan het begin en het einde van het boek is duidelijk een signaal van zorgvuldige compositie. Jezus wordt dus gezien als de hemelse Heer, die namens God regeert en ook macht over de dood heeft.

In de slotwoorden van de brief aan Smyrna wordt het belang van trouw tot in de dood onderstreept:

Wees trouw tot in de dood, dan zal ik u als lauwerkrans het leven geven. Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt. Wie overwint zal van de tweede dood geen schade ondervinden.

(Openbaring 2:10-11)

Jezus’ macht over de dood moet de gelovigen dus geruststellen: als zij tot aan de dood toe trouw blijven, zal hun het leven ten deel vallen. Het is duidelijk dat in Openbaring een theologie van martelaarschap een belangrijk onderdeel van de boodschap is. Over die ‘tweede dood’ straks meer.

De dood van enkele belangrijke figuren in Openbaring

Openbaring lijkt af en toe een aaneenschakeling van angstaanjagende apocalyptische horror. Met name de vier ruiters uit hoofdstuk 6 lijken bedoeld om te verbeelden hoe God dood en verwoesting over de aarde zal doen razen. Het eerste paard is een wit paard dat de overwinning tegemoet gaat. Dat klinkt nog wel sympathiek. Het tweede paard heeft duidelijk een minder prettig karakter. Het is vuurrood en heeft als opdracht de vrede uit de wereld te verdrijven. Het brengt dus dood en verderf. Het derde paard is zwart en krijgt een weegschaal mee: symbool voor het hardhandig rechtzetten van misstanden.

Dan komt het vierde paard en dit vormt de climax:

Toen zag ik een vaalgeel paard. De ruiter heette Dood, en Dodenrijk vergezelde hem. Zij kregen verlof om op een vierde deel van de aarde dood en verderf te zaaien, door middel van het zwaard, hongersnood, dodelijke ziekten en wilde dieren.

(Openbaring 6:8)

De vier paarden hebben in de loop van de kunstgeschiedenis de nodige kunstenaars geïnspireerd en een van de beroemdste afbeeldingen die deze scene heeft opgeleverd is in 1498 gemaakt door Albrecht Dürer. De paarden komen briesend van het blad van de gravure af en met name het vierde paard jaagt zelfs nu nog de toeschouwer angst aan.

Houtsnede, De vier apocalyptische ruiters, gemaakt door Albrecht Dürer.
Albrecht Dürer, De vier apocalyptische ruiters. Houtsnede, 1498.

In 8:1 verbreekt het Lam het zevende zegel, het slot van het eerste septet in het boek (6:1-8:5). Bij het begin van het tweede septet, dat van de bazuinen (8:6–11:19), valt de aarde opnieuw ten prooi aan dood en verderf. De eerste vier bazuinen brengen allerlei kosmische rampen en na het tweede bazuin vindt maar liefst een derde van alle wezens in de zee de dood (8:9). En ook in het derde septet, de zeven schalen van Gods toorn, lossen rampen, dood en geweld elkaar af (15:1–16:21). De apocalyptische verschrikkingen zijn zelfs zó erg, dat mensen ‘de dood zoeken, maar hem niet vinden. Ze zullen naar de dood verlangen, maar de dood vlucht van hen weg’ (9:6). De kosmos is er dus in deze visioenen zó slecht aan toe, dat mensen zullen wensen te sterven en de dood als verlossing zullen verwelkomen.

Tussen het bazuinen zes en zeven beschrijft Openbaring een visioen waarin twee getuigen optreden en profeteren. Ze worden beschreven als in staat de hemel te sluiten en water in bloed te veranderen (11:6). Het eerste punt verwijst zonder twijfel naar 1 Koningen 17:1, waar Elia precies dit doet: de hemel sluiten. En het tweede punt is een verwijzing naar de Exodus cyclus, waar Mozes met Aäron het water van de Nijl in bloed verandert (Exodus 7:20).  De beide getuigen hebben dus de trekken van Elia en Mozes, die – juist in deze volgorde – ook genoemd worden als gericht op Jezus in het verhaal van de transfiguratie in Marcus 9:2-13. De praktijk van twee getuigen ligt ten grondslag aan het uitzenden van leerlingen door Jezus in paren van twee (Marcus 6:7-13; Matteüs 10; Lucas 9 en 10), maar waarschijnlijk ook aan het optreden van Paulus met telkens een of twee anderen (verwijzingen).

Het lijkt hierbij te gaan om een oud halachisch principe, dat uiteindelijk terug gaat op Deuteronomium 19:15 en Numeri 35:30, waar over een doodstraf gezegd wordt dat een zaak pas vaststaat indien erover getuigd is door twee of drie mensen. De twee getuigen profeteren gedurende 42 maanden, 1.260 dagen. Dit is een termijn die teruggaat op wat Daniël aanduidt als ‘een tijd, tijden en een halve tijd’ (ref.), een ‘eschatologische halve jaarweek’.

Het gaat om een periode waarvan de omvang in de periodisering van de geschiedenis is vastgelegd. De getuigen sterven vervolgens in de stad die aangeduid wordt als Sodom of Egypte. De ziener voegt toe dat dat bovendien de stad is ‘waar ook hun Heer gekruisigd is’ (11:8). De gestorven profeten worden na drie-en-een-halve dag tot leven gewekt door ‘een levensgeest uit God’ (11:11) en vervolgens worden zij in de hemel opgenomen.

De beschrijving van de twee getuigen lijkt aldus een beschrijving van het lot van de volgelingen van Jezus. Zij dienen het martelaarschap niet te ontlopen, maar het te accepteren. Uiteindelijk wekt God hen namelijk tot leven, conform de woorden van Jezus in 2:10-11. Deze typering van martelaarschap als onderdeel van de navolging van Jezus komt terug in 12:11. Het is bewijs dat de imitatio Christi, dus de navolging van Christus, aan het einde van de eerste eeuw ook martelaarschap kon omvatten.

De tweede dood en het einde van de dood

Het is opvallend dat de twee getuigen van hoofdstuk 11 gedood worden door ‘het beest dat uit de onderaardse diepte opstijgt’ (11:7). Dit beest komt terug in hoofdstuk 13. Hoofdstuk 12 bevat een visioen waarin een draak een barende vrouw belaagt. De vrouw geeft het leven aan een kind, een zoon, van wie gezegd wordt dat hij ‘alle volken met een ijzeren herdersstaf zal hoeden’ (12:5). Deze woorden zijn een verwijzing naar Psalm 2:9, een verwijzing die we ook aantreffen in 2:27 en 19:15. In alle drie de gevallen gaat het erom duidelijk te maken dat de persoon die hier beschreven wordt, de Messias is. Jezus dus.

De genoemde verwijzing maakt duidelijk dat in de beeldtaal van Openbaring 12 de geboorte van het kind de komst van de Messias verbeeldt. Met de komst van de Messias breekt er een strijd uit in de hemel en wordt de draak, de oude slang van Genesis 1, op aarde geworpen. Hij woedt op aarde, juist omdat hij dat in de hemel niet meer kan. Hiermee biedt Openbaring een misschien wonderlijke, maar wel glasheldere theodicee: het woeden van de duivel op aarde wordt veroorzaakt doordat Michaël hem uit de hemel geworpen heeft. De duivel gaat dus te keer, juist omdat hij al verslagen is in de hemel. Dat woeden is dus geen weerlegging van de overwinning van God, maar bewijs ervan!

In hoofdstuk 13 volgt dan de beschrijving van de twee beesten die de duivel bijstaan. Deze duivelse triniteit maakt de volgelingen van Jezus het leven moeilijk en veroorzaakt de situatie die Openbaring schetst als repressie.

In de laatste hoofdstukken beschrijft Openbaring dan uiteindelijk de turbulenties van de eindtijd. Babylon zal ten val komen, omdat dat overeenkomt met het oordeel van God (18:8). De hoofdstukken 19 en 20 schilderen de kosmische oorlog van het einde der tijden. Jezus treedt daarbij op als een generaal die zijn legers aanvoert en de beschrijving van de strijd is uiterst gewelddadig.

Het scenario is een samenstelling van diverse scenario’s over de eindtijd uit profetische geschriften van het Oude Testament, waarbij met name Ezechiël 38 van grote invloed geweest is.

De daar genoemde Gog van Magog wordt in Openbaring 20:8 tot Gog én Magog.

Deze eindstrijd brengt ook het laatste oordeel en dat laatste oordeel is tweeledig. Enerzijds is er dood en vernietiging voor alle tegenkrachten. De duivel en zijn helpers – het beest en de valse profeet – verdwijnen in een poel van vuur en zwavel waar ze voor eeuwig gestraft zullen worden (20:10). Na het openen van het boek van het leven (20:12) worden de levenden en de doden geoordeeld naar hun daden (vers 13) en de veroordeelden verdwijnen in dezelfde vuurpoel als de dood en het dodenrijk. Openbaring voegt het voor de zekerheid nog even toe: ‘Dit is de tweede dood: de vuurpoel’ (20:14).

Anderzijds zijn er de mensen die deel hebben aan de opstanding. De martelaren en de rechtschapen doden worden opgewekt om duizend jaar lang met de Messias te heersen over de aarden. Dit is het millennium dat voorafgaat aan de tweede dood van de vuurpoel.

Dit scenario in Openbaring lijkt een soort fusie van twee vormen van traditionele joodse eschatologie. Er is in veel vroeg-joodse teksten sprake van een messiaans rijk waarin de Messias regeert namens God, samen met zijn volk, de getrouwen. Daarnaast zijn er teksten die een kosmische interventie beschrijven, waarbij de aarde vervangen zal worden door een nieuw aarde. In Openbaring lijken deze twee elkaar tegensprekende scenario’s samengebracht te zijn tot één, nogal ingewikkelde verwachting voor de eindtijd. Hierin worden doden die veroordeeld moeten worden aan het einde ten leven opgewekt, om vervolgens alsnog de tweede dood toe te vallen. En helemaal bijzonder is het te zien dat alle tegenstanders tegen God en Jezus, zijn Messias, ook in de vuurpoel van die tweede dood zullen verdwijnen. Zelfs de dood en het dodenrijk gaan erin onder.

Epiloog

Het boek Openbaring schetst in extreem beeldende taal hoe God de geschiedenis beheerst, hoe Hij de mensheid zal doen straffen met dood en verderf en hoe Hij uiteindelijk voor zijn heiligen, de uitverkorenen, een eeuwig leven zal doen aanbreken.

Hoofdstuk 21 beschrijft de komst van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waarin God onder de mensen zal wonen en de tranen van de ogen van zijn mensen zal wissen. ‘Er zal geen dood meer zijn, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn, want wat er eerst was is voorbij’ (21:4).

De beeldtaal van dit boek stelt ons voor allerlei problemen. Hoe letterlijk moeten we het geweld nemen dat hier beschreven wordt? Kun je wel uit de voeten met een God die zijn eigen schepping zo genadeloos hard aanpakt? Zet dit boek niet aan tot gewelddadig en gevaarlijk gedrag? Sektarisch als het is naar de inhoud is vooral het einde, waarin de dood van de dood beschreven wordt en het aanbreken van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, een hartenkreet van de ziener: hij verlangt intens naar het aanbreken van de nieuwe tijd, waarin alle geweld en ellende van de huidige tijd verdwenen zullen zijn. Het is vooral die hartenkreet die maakt dat hoofdstuk 21 nog altijd tot de verbeelding spreekt. Alleen is dat hoofdstuk in het geheel van deze apocalyps niet los verkrijgbaar. Het geweld van de voorgaande hoofdstukken hoort erbij. Misschien moet je je wel met moeite door de hoofdstukken 19 en 20 heen worstelen om de diepe existentiële zucht naar vrede uit hoofdstuk 21 te herkennen.

Bert Jan Lietaert Peerbolte is hoogleraar Nieuwe Testament aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Literatuur

– David E. Aune, Revelation, 3 delen (Word Biblical Commentary; Grand Rapids: Zondervan, 1991, 1998, 1998).

– Alberdina Houtman, Magda Misset-van de Weg, ‘The Fate of the Wicked: Second Death in Early Jewish and Christian Texts’, in: Alberdina Houtman, Albert de Jong, Magda Misset-van de Weg (red.), Empsychoi Logoi Religious Innovations in Antiquity: Studies in Honour of Pieter Willem van der Horst (AJEC 73; Leiden, Boston: Brill, 2008), 405-424.

– Bert Jan Lietaert Peerbolte, ‘The Book of Revelation: Plagues as Part of the Eschatological Human Condition’, Journal for the Study of the New Testament 44 (2021), 75-92.

– Natasha O’Hear, Anthony O’Hear, Picturing the Apocalypse: The Book of Revelation in the Arts over Two Millennia (Oxford: Oxford University Press, 2015).


< Terug