< Terug

Trouw

Geloofstaal en cultuurtaal

Trouw moet blijken. Het is meer dan een gezindheid. De omgang tussen mensen – breder nog: tussen al wat leeft – kan geen voortgang hebben zonder daadwerkelijke trouw. Juist omdat trouw zo kostbaar is, is het ook uitermate kwetsbaar. Verwante woorden als loyaliteit en integriteit staan onder druk in onze cultuur. In alle kringen en verbanden lopen de scheuren vanwege gebrek aan trouw, vertrouwen. Waar de trouw ontbreekt, slaat de chaos toe, is de ondergang nabij. Trouw is wezenlijk voor de omgang tussen God en mensen. Op de weg van het geloof – dat zelf een vorm van vertrouwen is – wordt de trouw verstaan als een afgeleide van de trouw van God. Het hart van vertrouwen is trouw. Het hart van de trouw is God. In deBijbel wordt die trouw van God, die ons vertrouwen op Hem, dus ook onze trouw oproept en gaande houdt, in alle toonaarden bezongen. Rabbijnen maken de kanttekening dat het Hebreeuwse emet, dat ook en vooral trouw betekent, bestaat uit de eerste, middelste en laatste letter van het alfabet. Het omvat dus alles wat gezegd kan worden.

Woorden

In het Hebreeuws komen vooral de woorden emet en emoena in aanmerking, in afgeleide zin ook chesed, ‘goedheid’, ‘goedertierenheid’, ‘liefde’ en woorden die samenhangen met kun, ‘standvastig zijn’ en chazaq, ‘sterk, bestendig zijn’. In de NBG-51 is ‘trouw’ als zelfstandig en bijvoeglijk naamwoord de vertaling van respectievelijk de Griekse woorden pistis – vaak vertaald door ‘geloof’, ‘vertrouwen’ – en pistos. De vertaling ‘trouw’ heeft vooral de notie ‘loyaliteit’ in zich. Een enkele maal is ‘trouw’ de vertaling van gnisios (Filp. 4:3). Het werkwoord prosmenein wordt vertaald door ‘trouw blijven’ (Hand. 11:23). Het ene woordje trouw heeft dus een brede uitwaaiering in andere woorden.

Betekenis in context

Oude Testament

Trouw van mensen

Bij trouw is te denken aan een werkelijkheid waarop we staat kunnen maken en kunnen bouwen. Als zodanig is in het kader van waarachtigheid, betrouwbaarheid sprake van trouw. Een duidelijk voorbeeld is de rechtspraak, waarin het bij uitstek gaat om zuivere verhoudingen. Een beschuldiging dient waar, door en door betrouwbaar te zijn (Deut. 22:20). De integriteit van de getuige dient vast te staan: ‘Een betrouwbaar getuige is een redder van levens'(Spr. 14:25). Het was (en is) letterlijk van levensbelang omdat het woord van getuigen beslissend was/is voor oordeel of vrijspraak, in toegespitste vorm: dood of leven. Ook dit is een van de heilzame regels van de betrouwbare, bevrijdende God (Ex. 20:16). Het ‘gewone’ leven moet doortrokken zijn van trouw, die in God verankerd is. Zo voelt David zich van Godswege geroepen op grond van het verbond met Jonatan trouw te zijn, dat wil zeggen: loyaal aan Mefiboset, de nakomeling van Saul. Deze loyale welwillendheid vertaalt zich concreet in teruggave van het familiebezit en eerherstel in de vorm van een vorstelijke behandeling (2 Sam. 9).

Vooral in de relatie tot God wordt van mensen verwacht dat zij, ondanks alles (Ps. 51:7), trouw zijn tot in de kern van hun bestaan (Ps. 51:8), dat zij in Gods waarheid wandelen (Ps. 25:5; 86:11). Deze levenswijze werkt aanstekelijk. De keerzijde is de (aan)klacht van God als reactie op de ontrouw van mensen, het verzet tegen zijn genadig bestel: ‘Hoort het woord des Heren, gij Israëlieten, want de He-re heeft een rechtsgeding met de bewoners van het land, omdat er geen trouw, geen liefde en geen kennis Gods is in het land’ (Hos. 4:1).

De trouw van God

God is geheel en al betrouwbaar. Hij heeft zijn volk uit Egypte bevrijd ‘opdat gij zoudt weten, dat de Here, uw God, de enige God is, de trouwe God, die het verbond en de goedertierenheid houdt jegens wie Hem liefhebben…’ (Deut. 7:9). Zijn verordeningen zijn betrouwbaar (Ps. 19:10; 111:7; 119:161). Veelzeggend, ook ten aanzien van de krans van woorden, is Psalm 40. David verkondigt de blijde mare van Gods gerechtigheid in een grote gemeente: ‘Uw gerechtigheid verberg ik niet in mijn hart, van uw trouw en uw heil spreek ik, uw goedertierenheid en uw waarheid verheel ik niet voor een grote gemeente. Gij, Here, onthoud mij uw erbarming niet;uw goedertierenheid en uw waarheid mogen mij bestendig bewaren’ (Ps. 40:11-12). Te denken is ook aan Psalm 89. De dichter bezingt de trouw en de goedheid van de Here, de God van het verbond, jegens Israël en vooral jegens het huis van David (vs. 2, 9, 15, 25). Ook al laat God de overtredingen van Davids nakomelingen niet ongestraft, toch zal Hij zijn trouw niet verloochenen. De Here blijft vasthouden aan zijn belofte jegens Davids huis. Daarop valt de dichter terug bij het zien van de rampen die Davids huis getroffen hebben. God heeft de koning verworpen in zijn toorn, klaagt hij (vs. 39-46). Dit klaaglied mondt uit in een bewogen appèl op Gods trouw: ‘Waar zijn, o Here , uw vroegere gunstbewijzen, die Gij in uw trouw aan David hebt gezworen?’ (vs. 50).

De trouw van God is zó omvattend dat we zelfs in de dood geborgen zijn bij Hem, die schuilplaats, beschuttende rots, sterke vesting is: ‘In uw hand beveel ik mijn geest; Gij verlost mij, Here, getrouwe God’ (Ps. 31:6).

Nieuwe Testament

Gods trouw

De trouw van God is zichtbaar, tastbaar geworden in die Ene, Jezus Christus, die voor allen is gekomen. Met het oog op Hem bezingen Maria en Zacharias in hun lofzang de ver-bondstrouw van de Here jegens Israël met woorden, verankerd in het Oude Testament: ‘En heilig is zijn naam en zijn barmhartigheid van geslacht tot geslacht, voor wie Hem vrezen’ (Luc. 1:50; zie Ps. 103:17); ‘Hij heeft zich Israël, zijn knecht, aangetrokken, om te gedenken aan barmhartigheid’ (Luc. 1:54; zie Ps. 98:3); ‘Om barmhartigheid te betonen aan onze vaderen de zijn heilig verbond te gedenken’ (Luc. 1:72; zie Mi. 7:20).

De trouw van mensen is van eminent belang, maar fundamenteel, doorslaggevend is en blijft de trouw van God. Daarom kan de apostel schrijven dat de trouw bij velen ver te zoeken is, maar hij vervolgt: ‘Wél getrouw is de Here, die u sterken zal en u bewaren voor de boze. En wij vertrouwen in de Here van u, dat gij, hetgeen wij u bevelen, niet alleen doet, maar ook zult doen’ (2 Tess. 3:3-4). Veelzeggend is het geding dat God met zijn volk Israel heeft: ‘Als sommigen ontrouw geworden zijn, zal dan hun ontrouw de trouw Gods teniet doen? Volstrekt niet!’ (Rom. 3:3).

Trouw in het leven van mensen

De door de Here betoonde trouw weerspiegelt zich in het leven van mensen. Als dit niet het geval is, klinken scherpe verwijten. Met een verwijzing naar Hosea 6:6 houdt Jezus de Farizeeën voor: ‘Barmhartigheid wil Ik en geen offerande’ (Mat. 9:13; 12:7). De offerdienst wordt krachteloos, ongeloofwaardig als deze niet gepaard gaat met een bepaalde, door God gewilde wijze van leven en samenleven. Dan wordt het gewichtigste deel van de wet verwaarloosd: het oordeel, de barmhartigheid en de trouw (Mat. 23:23).

In gelijkenissen worden mensen ten voorbeeld gesteld die trouw zijn: als slaaf (Mat. 24:45), als rentmeester (Luc. 12:42). In de hier betoonde trouw gaat het om de waakzame en werkzame verwachting van de wederkomst van de Heer. De keerzijde daarvan vormt het trouweloze gedrag van de boze slaaf die niet rekent met de komst van de heer en volstrekt in tegenspraak handelt met zijn opdracht (24:48-49). Ook in de brieven van Paulus wordt de trouw van mensen dankbaar vermeld (1 Kor. 4:17; 7:25; Filp. 4:3). Soms wordt deze echter pijnlijk gemist, ‘want trouw vindt men niet bij allen’ (2 Tess. 3:2; zie ook 1 Tim. 5:12). Trouw is een van de vruchten van de Geest (Gal. 5:22), waartoe de gelovigen telkens weer geroepen worden. Van Barnabas wordt verteld, toen hij aankwam in Antiochië en degenade van God zag: hij verheugde zich ‘en wekte allen op om naar het voornemen van het hart de Here trouw te blijven; want hij was een goed man, vol van de Heilige Geest en van geloof (Hand. 11:23-24).

Kern

Trouw is wellicht het kortste woord, dat het wezen en het werk van de drieënige God typeert. Deze trouw is gebleken, ten diepste in de gestalte van Jezus Christus, sprékend

God. Op Hem zijn mensen aangewezen. Zijn trouw zal blijken in de wedertrouw die het begenadigde leven doorzichtig maakt naar Hem toe.

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: barmhartigheid, belofte, goedheid, verbond, waarheid.

< Terug