< Terug

Veiligheid, bescherming, burcht, rots, schuilplaats

Geloofstaal & cultuurtaal

‘Het ergste is nog, dat je je niet meer veilig voelt in je eigen huis.’ Een herkenbaar gevoel voor wie een inbraak heeft meegemaakt. Veiligheid in huis, op straat en in relaties is een eerste levensbehoefte. Mensen willen volgens hun eigen overtuiging kunnen leven, zonder bedreigd te worden door criminaliteit, terrorisme of oorlogsgeweld. Zij verlangen van overheid en politie dat die hun veiligheid garanderen.

Specifiek voor christenen is, afgezien van de zorg voor bedreigde geloofsgenoten, de relatie die zij leggen tussen veiligheid en vertrouwen op God. Daarnaast gebruiken zij diverse aan de Bijbel ontleende beelden, zoals een burcht, rots of schuilplaats, in namen van kerkgebouwen of instellingen voor de opvang van mensen in nood.

Woorden

Het Hebreeuws van het Oude Testament beschikt over een groot aantal termen ter aanduiding van veiligheid en bescherming. De belangrijkste zijn: lavetach, ‘veilig’ (SV: zeker; Lev. 25:18v), chasa, ‘schuilen’ (SV: betrouwen; Ps. 11:1), machasè, ‘schuilplaats’, ‘toevlucht’ (Ps. 46:2), ma’oz, ‘veste’ (SV: sterkte; Ps. 31:5), metsoeda, ‘vesting’ (SV: burg; Ps. 71:3), misgav, ‘burcht’ (SV: hoog vertrek; Ps. 46:8, 12), tsoer, ‘rots’ (Ps. 18:32) en sela’, ‘rots’ of ‘steenrots’ (Ps. 31:4).

In de Septuagint worden uitdrukkingen als ‘schuilen’, ‘burcht’ en ‘rots’ vaak vrij vertaald, waardoor de beeldspraak verloren gaat (bijv. theos, ‘God’ voor tsoer, ‘rots’ in Deut. 32:4, anti-lèmptoor, ‘helper’ voor misgav, ‘burcht’ in

Ps. 18:3; elpidzein, ‘hopen’ en pepoithenai, ‘vertrouwen’ voor chasa, ‘schuilen’ in resp. Ps. 5:12 en 11:1).

Ook in het Nieuwe Testament is van de oudtestamentische beeldspraak met betrekking tot veiligheid en bescherming weinig terug te vinden. De rots (petra) speelt wel een belangrijke rol (bijv. in 1 Petr. 2:7).

Betekenis in context

Oude Testament

Ongestoorde welvaart

In Leviticus 26:5 belooft God de Israëlieten dat zij, als zij zich aan zijn geboden houden, veilig zullen wonen in hun eigen land. Hun rust zal niet worden verstoord door wilde dieren of vijanden. God zal de regen op tijd doen vallen, zodat zij meer dan genoeg te eten hebben. God zal Zelf in hun midden vertoeven en zij zullen zijn eigen volk zijn, bevrijd van de slavernij in Egypte (Lev. 26:3-14; vgl. 25:187 Deut. 33:12, 26-29).

Deze ongestoorde rust en welvaart werden werkelijkheid tijdens de regering van koning Salomo. Alle Israëlieten woonden toen gerust, ‘ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom’ (1 Kon. 4:25). Maar dat veilige leven was van korte duur. Telkens weer werd de rust verstoord doordat de Israëlieten ongehoorzaam waren. Dan gebruikte God onveiligheid en bedreiging om zijn volk te doordringen van de noodzaak van trouw aan Hem als hun enige God. De profeten verkondigden dat Gods belofte van een rustig leven pas in de toekomst echt gerealiseerd zou worden.

Dan zou Israël geleid worden door een nakomeling van koning David, die regeerde in overeenstemming met Gods wil (Jer. 23:5v; Ez. 28:26; 34:23-31; Mi. 4:4).

Onze vaste burcht

Voor hun veiligheid moesten de Israëlieten vertrouwen op de Here en niet op afgoden (Lev. 26:1v). Heel sterk wordt dat vertrouwen verwoord in Psalm 46: God Zelf is de schuilplaats waarheen wij vluchten, Hij biedt krachtige bescherming, is bij ons en is voor ons als een burcht (vs. 2, 8, 12).

Burchten en versterkte steden waren onmisbare onderdelen van Israëls defensie. Op strategische plaatsen in het land lagen vestingen (2 Kron. 11:5-12). Vaak waren zij door hun hoge ligging moeilijk toegankelijk (Jes. 26:5; 33:16). In tijden van nood vluchtte de bevolking daarheen (Jer. 4:5). Ook binnen een stad of paleis was vaak een burcht of toren, als laatste verdedigingsmogelijkheid (Ri. 9:51; 1 Kon. 16:18). Volgens Psalm 46 is God voor Israël zo’n hooggelegen burcht, die in alle omstandigheden bescherming biedt; niet alleen bij vijandelijke aanvallen, maar zelfs bij aardbevingen en overstromingen (vs. 3v, 7, 10). In die bescherming deelt vooral de stad waar de Here Zelf woont, Jeruzalem, waar zijn tempel staat op de berg Sion (vs. 5v; vgl. Ps. 48).

Dat bleek overduidelijk, toen het leger van de Assyrische koning Sanherib omkwam voor de muren van Jeruzalem (Jes. 37:36). Daarvoor was wel nodig dat de toenmalige koning, Hizkia, echt hulp zocht bij God. Hij mocht niet vertrouwen op zijn zelfbedachte politiek van een coalitie met Egypte (Jes. 30:1-3, 15; 37:14-20). De veiligheid van Sion was geen vanzelfsprekendheid. In Jeruzalem moest recht gedaan worden; anders stopte God met het beschermen van de stad en gaf Hij zijn tempel prijs aan de verwoesting (Jer. 7:1-15; 26; Amos 6:1; Mi. 3:9-12).

Mijn schuilplaats

De erkenning dat God een sterke vesting is, krijgt een heel persoonlijke kleur in Psalm 31 (zie vs. 4v). De psalmist, David, wordt gekweld door verdriet en smaad (vs. 10-12). Vijanden staan hem naar het leven (vs. 5a, 9a, 14, 16, 21). Daarom neemt hij de toevlucht tot God, waarbij zijn eerste woorden zijn: ‘Bij U, Here, schuil ik’.

Concreet kon dat betekenen dat iemand naar de tempel op de berg Sion ging en daar om hulp en bescherming vroeg (zie Ps. 5:8, 12; 36:8v; Jes. 14:32). In Psalm 31 houdt het in elk geval in, dat de psalmist tot de Here bidt (vgl. Ps. 7:2v; 71:17 141:8-10). Hij vraagt God hem in zijn vertrouwen op Hem niet te beschamen (vs. 2, 18), maar voor hem te zijn wie Hij is: een sterke vesting, die bescherming en redding biedt (vs. 3, 16-19; vgl. Ps. 71:3). Daarmee geeft hij er blijk van op de Here te vertrouwen als de enige God (vs. 7, 15; vgl. Ps. 16:1-4; 62:2v, 6-9, 11; Jes. 57:9-13). Hij geeft zich helemaal aan Hem over, net zoals later Jezus zijn levensgeest overgaf aan zijn hemelse Vader (vs. 6a, 16a; Luc. 23:46).

In sommige psalmen wordt deze radicale overgave aan Gods beschermende macht vergeleken met kuikens die zich verschuilen onder de vleugels van hun moeder (bijv. Ps. 17:77 57:2; 61:5; 91:4; vgl. ook Ruth 2:12). In plaats daarvan wijst Psalm 31:21 op Gods gezicht, dat straalt van zijn liefde (vs. 17), als een plek waar je veilig bent voor boze plannen en praatjes. Het goede dat God daar in voorraad houdt voor wie naar Hem toe vlucht, is niet te meten (vs. 20).

De enige rots

Een of twee beelden zijn kennelijk niet genoeg om Gods bescherming te beschrijven. Net als in verschillende andere teksten wordt in Psalm 31:3v het beeld van de rots naast dat van de schuilplaats en de vesting geplaatst(zie Ps. 18:2v; 62:77 91:1v, 9; Jer. 16:19). Rotsen en rotskloven boden een veilig onderkomen aan dieren en mensen, zeker als ze op grote hoogte lagen en dus moeilijk bereikbaar waren (Num. 24:217 1 Sam. 13:6; 24:3; Job 39:307 Ps. 61:3-5; 104:18; Jes. 2:10, 19; Jer. 49:16). De aanduiding van God als een rots speelt een belangrijke rol in het lied van Mozes in Deu-teronomium 32. Het accent ligt daarbij niet zozeer op de rots als schuilplaats (zie vs. 37). De onwrikbare rots (vgl. Job 18:4) verwijst allereerst naar Gods onwankelbare rechtvaardigheid en trouw (vs. 4; Ps. 92:16; Jes. 26:4). Aan deze rotsvaste God dankt Israël zijn bestaan (vs. 18) en van Hem krijgt het redding en heil (vs. 15; Ps. 19:15; 78:35; 89:27; 95:1).

In dat alles is Israëls God volstrekt uniek; zelfs de vijanden van Israël kunnen inzien dat geen enkel ander volk een dergelijke rots heeft (vs. 31; 1 Sam. 2:2; 2 Sam. 22:3 2; Jes. 31:9). Toen Israel echter eenmaal een welvarend volk geworden was, probeerde het als een vetgemeste stier God van zich af te trappen door andere goden te gaan dienen (vs. 15-18). Toen keerde hun rots Zich tegen hen. Hij gaf hen prijs aan hun vijanden en allerlei rampen (vs. 21-25, 30). Maar niet voorgoed: juist door hen te laten voelen dat andere goden niet kunnen beschermen, wilde Hij hen ertoe brengen Hem te erkennen als de enige God, die redt van de dood (vs. 36-39; vgl. Jes. 44:8).

Nieuwe Testament

God beschermt Christus’ volgelingen tegen allerlei gevaren. Het Nieuwe Testament verwoordt dat meer dan eens op een indrukwekkende manier (zie bijv. Luc. 12:4-12; Rom. 8:3139). Het centrale woord daarbij is ‘bewaren’ (Joh. 17:11-15; 1 Petr. 1:5; 1 Joh. 5:18; vgl. in het Oude Testament Deut. 32:10; Ps. 16:1; 121). ‘Schuilplaats’ en ‘burcht’ worden niet meer genoemd. Het stralend hoogtepunt van hetNieuwe Testament is de beschrijving van een stad, het nieuwe Jeruzalem. De inwoners daarvan zijn volkomen veilig, want zij hebben niets meer te duchten van de levensbedreigende machten van zonde en dood (Op. 21:1-22:5).

Petrus als rotsbodem

In Matteüs 16:16-19 erkent Simon Petrus dat Jezus de Christus is, de Messias, de Zoon van de levende God. Jezus reageert daarop met te zeggen dat God Zelf, de hemelse Vader, dit Simon heeft duidelijk gemaakt. Daarom is hij Petrus, ‘steen’, en mag hij (samen met de andere apostelen; zie Ef. 2:19; Op. 21:14) de petra, de rotsbodem vormen waarop Jezus zijn gemeente zal bouwen. Deze rotsbodem is een fundament dat zo hecht en solide is, dat de christelijke gemeente zelfs tegen de aanvallen van duivelse machten uit het dodenrijk bestand zal zijn (vgl. Mat. 7:24v).

Christus de rots

In 1 Korintiërs 10:1-11 wordt het beeld van de rots nog nauwer op Christus betrokken. Paulus herinnert daar aan de rots waaruit de Isra-elieten water te drinken kregen in de woestijn (Ex. 17:6; Num. 20:7-11). Dat was volgens Paulus een geestelijke rots, sterker nog: Christus Zelf was die rots. Maar hoewel zij daaruit gedronken hadden, vonden de Israëlieten die tegen God in opstand kwamen de dood. De kerk van Korinte moet zich daardoor laten waarschuwen om zich ook niet schuldig te maken aan afgodendienst, hoererij of het uitdagen van God.

In 1 Petrus 2:3-8 noemt Petrus Jezus Christus de hoeksteen waarop de gemeente gebouwd wordt als een huis van levende stenen. Met behulp van een beeld uit Jesaja 8:14 en 28:16 zegt hij, dat Jezus ook een rotsblok kan zijn waarover je struikelt. Dat gebeurt als mensen het evangelie in ongeloof afwijzen.

Kern

Veiligheid en bescherming geven is zo kenmerkend voor God, dat Hij Zelf een schuilplaats, burcht of vesting genoemd wordt. Zelfs de dood kan niet tegen die bescherming op. Daarom zijn de leden van Christus’ gemeente veilig als zij hun bescherming van God verwachten, door zich in vertrouwen en gehoorzaamheid aan Hem en zijn Zoon Jezus Christus over te geven.

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: ergernis, geloof, heil, onderdrukking, verlossing, vijand.

< Terug