< Terug

Verder met basics

De Protestantse Kerk in Nederland in het licht van Emden 1571, in het bijzonder met betrekking tot de verhouding plaatselijk en bovenplaatselijk

Op donderdag 11 november 2021 hield ik in Utrecht de navolgende lezing over de situatie van de Protestantse Kerk in Nederland in het licht van de besluiten van de synode van Emden in 1571. Vooraf gingen twee lezingen: de ene van dr. Albert de Lange over de synode van Emden en de keuzes die daar gemaakt werden, de andere van dr. Gert van Klinken over de receptie van de Emder synode in de kring van de afgescheidenen (van 1834).

De vraag naar de verhouding tussen plaatselijk en bovenplaatselijk is een vraag van alle tijden. Deze vraag wordt steeds opnieuw gesteld en steeds verschillend beantwoord. Wie het oor te luisteren legt in de Protestantse Kerk van dit moment komt verschillende geluiden tegen. Zo lijkt er in het ene geval mogelijk een teveel aan ruimte voor de plaatselijke gemeente.

Plaatselijk ervaren ruimte

Het GCBB (Generaal College voor de Behandeling van Beheerszaken binnen de PKN) rapporteert aan deze synode over de penibele financiële situatie van zo’n 10% van de gemeenten. Deze gemeenten kunnen, als het echt uit de hand loopt, het beeld oproepen van een kerk die haar zaakjes financieel niet goed op orde heeft. 

In het andere geval lijkt het vooral te gaan om een tekort aan ruimte, althans het gevoel dat dat zo is. Mensen mopperen over een rapport van visitatoren, een (voorlopig) besluit van een classispredikant, een actie uit ‘Utrecht’, enzovoort. Het zal niet toevallig zijn dat bij de gedachte aan een teveel ruimte het een bovenplaatselijk orgaan is dat aanleiding geeft tot deze gedachte. Bij de gedachte aan een tekort zijn het mensen uit het grondvlak van de kerk.

Twee piketpaaltjes in de Emder besluiten

Ik begin met de twee piketpaaltjes die de synode van Emden sloeg met betrekking tot de verhouding plaatselijk-bovenplaatselijk: het eerste en het laatste artikel van haar acta. Beide zijn overigens niet nieuw. Ze zijn in de kern al goed te herkennen in de besluiten van de synode van de Franse gereformeerde kerken in Parijs (1559).

De kern van artikel 1 luidt:

“Geen (plaatselijke) kerk zal over een andere kerk, geen predikant over een andere predikant, geen ouderling over een andere ouderling, noch een diaken over een andere diaken, heerschappij voeren.”

En artikel 53:

“De artikelen van deze acta bevatten de wettige ordening van de kerken en zijn met gezamenlijke instemming vastgesteld. Ze mogen en moeten veranderd worden als dat nodig is. Het is echter geen gemeente toegestaan ze zelfstandig te wijzigen. Alle (plaatselijke) kerken zullen ze ijverig onderhouden, totdat een synode anders besluit.”

Ik wil beide artikelen nog iets meer reliëf geven. In artikel 1 gaat het in de gangbare vertalingen over ‘heerschappij voeren’. Het betreft daarmee het verbod op een bepaald soort gedrag. Het Latijnse origineel zet echter steviger, principiëler in. In aparte bewoordingen is namelijk eerst gesteld dat niemand een positie zal innemen waarin degene zich boven anderen stelt (of gesteld wordt). Pas daarna volgt een verbod op het uitvloeisel daarvan, ‘heerschappij voeren’. De achterliggende gedachte is: een dergelijke eigen, bijzondere positie is alleen aan Christus gegeven, Hij regeert.

Ik vermeld hier direct maar bij dat in onze kerkorde – net als in de Barmer Thesen uit 1934 – de reikwijdte van het verbod is uitgebreid. Het verbod op de bijzondere positie blijft niet beperkt tot eenzelfde ambt, maar strekt zich uit tot alle ambten.

Het is primair de plaatselijke kerk die bepaalt wat de classis zal behandelen

De besluiten van Emden richten zich in belangrijke mate op het plaatselijke niveau. Kerk ‘gebeurt’ primair daar. Kerkelijke gemeenten spreken af een te zijn in een bepaalde leer en in een bepaalde gang van zaken. Meerdere vergaderingen komen er slechts in beperkte mate aan te pas. De classis heeft bijvoorbeeld een expliciete taak ten aanzien van de tucht over predikanten, de zorg voor arme kerken en de aandacht voor plaatsen waar nog geen of nauwelijks kerk is. Voor het overige is de hoofdlijn: wat plaatselijk niet kan worden afgedaan, wordt op de classis gebracht en vandaar aan de hand van hetzelfde criterium op de provinciale synode.

Het is echter primair de plaatselijke kerk die bepaalt wat de classis zal behandelen. Het zal geen toeval zijn dat meer specifieke bepalingen over meerdere vergaderingen in bijlagen bij de Emdense Acta zijn ondergebracht.

Tienpuntenkader

Tegen deze achtergrond kom ik bij een blik op de huidige praktijk tot de volgende tien punten, waarvan sommige meer uitgangspunten en andere meer actiepunten zijn.

Punt 1: In de plaatselijke gemeente klopt het hart van de kerk.

Dat is een open deur. Het is stevig in onze kerkorde verankerd. Toch laat de geschiedenis zien dat het geenszins een vanzelfsprekendheid is. In Emden was het noodzaak. De gereformeerde kerken van die tijd bevonden zich in de diaspora. Hun situaties verschilden onderling sterk. Het maakte nogal wat uit of een gemeente in de Paltz, Engeland, de Noordelijke of de Zuidelijke Nederlanden lag. De nadruk op het plaatselijke vlak diende daarom ook een praktisch doel. De laatste decennia zijn we ons opnieuw bewust geworden van de context. Rotterdam-Zuid, Sittard, Oldebroek, Minnertsga: elke plaats vraagt een eigen benadering.

Punt 2: Een plaatselijke gemeente voldoet met het oog op het zelfstandig functioneren aan bepaalde minimumvereisten, zowel naar vorm als inhoud.

Ook dat is niets nieuws. De neiging bestaat echter om de vereisten steeds verder op te rekken. De uitzondering met 3 à 4 ambtsdragers lijkt steeds meer de minimumregel te worden. Ook niet-ambtsdragers zouden stemhebbend lid moeten kunnen worden van de kerkenraad. Persoonlijk zou ik deze kant niet opgaan. Ik denk dat we op een gegeven moment met elkaar moeten durven zeggen: hier houdt een gemeente op zelfstandig te kunnen functioneren. Dat sluit andere vormen van kerk-zijn nadrukkelijk niet uit. Integendeel. Ook in Emden beseften ze dat overigens al: de ‘witte plekken’ uit Kerk 2025 bestonden toen al – of beter misschien: bestaan nu nog.

Punt 3: Een plaatselijke gemeente houdt er in haar aanwezigheid ter plaatse en in al haar werkzaamheden rekening dat ze andere gemeenten van de kerk niet schaadt.

In feite loopt dat weg uit het voorgaande. Er is een bepaalde bestuurskracht nodig om, om het zo maar te zeggen, het merk ‘kerk’ niet in diskrediet te brengen. Plaatselijk falen heeft al snel een regionale of zelfs landelijke impact.

Punt 4: Plaatselijke gemeenten komen samen, in eerste instantie in regionale verbanden. Zij bespreken hoe zij elkaar van dienst kunnen zijn.

Dat klinkt logisch, maar zo werkt het vaak niet. Ik zie op allerlei niveaus in de kerk oprechte pogingen de plaatselijke gemeente in het middelpunt te stellen. Toch blijft het allemaal erg top-down gedacht. Ik geef een paar voorbeelden. Een classispredikant komt ‘op bezoek’. We spreken over ‘ondersteuning’, ‘begeleiding’ en ‘dienstverlening’ van plaatselijke gemeenten. De classis is geen plaats van samenkomst van gemeenten meer, maar een bestuursorgaan.

Gaandeweg zijn plaatselijke gemeenten eraan gewend geraakt object te zijn; consument. Dat is principieel onjuist en uit financieel oogpunt uiteindelijk onhoudbaar. Plaatselijke gemeenten zullen hun door de Geest geschonken kracht opnieuw moeten zien in te zetten. Daarom: verder met basics. Een voorbeeld. De VKB (Vereniging Kerkrentmeesterlijk Beheer) heeft het initiatief genomen om in bepaalde regio’s colleges van kerkrentemeesters bijeen te roepen om met elkaar te bespreken wat er speelt, waar mogelijke oplossingen liggen, welke onderlinge ondersteuning denkbaar is, enzovoort. Bottom-up dus.

Nu was het de VKB die het initiatief nam. Dat zou dus eigenlijk door gemeenten zelf moeten gebeuren. De ringen zouden hiervoor een uitstekende gelegenheid zijn, maar die komen lang niet altijd tot hun recht. Een andere mentaliteit is nodig dan die nu dominant is. Juist dat zou ook wel eens kunnen helpen bij nieuwe elan.

Punt 5: Gemeentepredikanten met aantoonbare expertise zetten die niet alleen in voor de eigen gemeente, maar ook voor andere in de regio/classis.

Ik besef dat hier organisatorisch en financieel van alles aan vast zit. Het lijkt me echter inherent aan een andere manier van denken.

Punt 6: De Protestantse Kerk evalueert de huidige opzet van de classes.

Ik besef dat het nog wat vroeg is, na 3,5 jaar, maar toch. Ik vermoed dat dit een genuanceerd beeld zal opleveren. Het primaire doel was: meer bestuurskracht voor de plaatselijke gemeente. Het zal moeilijk zijn om vast te stellen of dat gelukt is. De classis zelf zal bestuurlijk zijn versterkt. Maar ik zou vooral willen weten of het afgezien hiervan de gemeenteopbouw heeft geholpen, en, in dat kader: hoe het zit met de betrokkenheid van gemeenten op andere gemeenten en het grotere geheel van de kerk. Oftewel: werkt de splitsing van gemeenteopbouw en bestuur?

Punt 7: De classispredikant verliest de bevoegdheid om zelfstandig bepaalde voorlopige besluiten te nemen – een relatief klein punt.

Hoewel deze besluiten bekrachtigd moeten worden door het BMCV (het breed moderamen van de classicale vergadering), staat deze bevoegdheid op zeer gespannen voet met art. VI-1 PKO (en daarmee dus ook met art. 1 van Emden 1571). Met de huidige communicatiemiddelen en zeker met de ‘ontdekking’ van Zoom moet het mogelijk zijn in enigerlei vorm op korte termijn een collegiaal besluit te nemen.

Punt 8: De plaatselijke gemeenten hebben bovenplaatselijke expertise nodig.

In de tijd van Emden was de meeste wet- en regelgeving plaatselijk en regionaal van karakter. Nu ligt het accent op het landelijk niveau. De wet- en regelgeving is bovendien zeer gecompliceerd. Denk aan kaders die de grondrechten aanreiken, maar ook aan praktische zaken als de ANBI-verklaring en de AVG.

Krachten bundelen in het op de praktische consequenties doordenken van wet- en regelgeving, ligt voor de hand – ook waar het gaat om de complexe materie van predikantstraktementen. Ook bovenplaatselijk bezoek, zoals visitatie en een RCBB (Regionaal College voor de Behandeling van Beheerszaken), zie ik als een gestalte van bovenplaatselijke expertise. Tegelijk kan veel worden uitbesteed, zoals het grondvlak van de kerk, plaatselijke predikanten en de PThU (‘Nieuw Kerkelijk Peil’).

Punt 9: De Protestantse Kerk gaat haar kerkorde grondig herzien, zodat gewerkt kan worden met basics.

In het kader van Kerk 2025 is bewust gekozen om de bestaande kerkorde aan te passen. Dat was indertijd een goed te verantwoorden keuze. Het gevolg is echter wel geweest dat de kerkorde eerder complexer dan eenvoudiger geworden is.

Punt 10: De Protestantse Kerk moet in de omgang met het geordineerde ambt haar eigen traditie trouw blijven.

In de voorstellen zoals die er nu liggen krijgt het geordineerde ambt een eigen positie naast en tegenover de andere ambten. Het geordineerde ambt heet dan het enige ‘ecclesiologisch noodzakelijk’ en er wordt een zeker ‘geestelijk gezagselement’ aan toegekend. Ik denk dat het vanuit oecumenisch oogpunt zinvol is om te kijken hoe onze ambten passen in het grotere geheel van de wereldkerk. Tegelijk acht ik juist in het kader van mijn pleidooi de andere ambten, hoe je ze ook noemt, evenzeer ‘ecclesiologisch noodzakelijk’.

Het ene openbare ambt van Woord en sacrament krijgt niet alleen gestalte in de eredienst, maar in het gemeenteleven in al haar facetten. Juist daarin zijn op plaatselijk niveau de verschillende ambten, hoeveel het er dan ook zijn en wat dan ook aan die ambten is toegedacht, voor het wezen en het welzijn van de kerk noodzakelijk.  

Klaas-Willem de Jong is docent kerkrecht aan de Protestantse Theologische Universiteit.

< Terug