< Terug

Wat is Waarheid? Een Romeinse vraag in Jerusalem

De vraag die Pilatus aan Jezus stelde

‘Wat is waarheid?’ vraagt de Romein aan de ‘koning van de Waarheid’. Precies omdat God staat voor de ‘waarheid’ in de zin die Jezus eraan geeft, kan de mens op de waarheid die hij claimt nooit definitief de hand leggen. Precies daarom blijft in die waarheidsclaim altijd ook de vraag naar de waarheid spoken.

‘Wat is waarheid?’

Die vraag heeft geen goede pers. Althans niet binnen de christelijke traditie. Ze mag dan letterlijk uit het Johannesevangelie (18:28) zijn geplukt, diegene die de vraag in de mond neemt, staat te zeer aan de verkeerde kant van de waarheid om haar überhaupt ernstig te nemen.

Maar als de waarheid ons nu eens zou gebieden om dat toch te doen? Waarover heeft Pilatus het als hij die vraag stelt? Vanuit welke achtergrond doet hij dat? En is het wel een vraag? Is ze niet retorisch, en dus een antwoord? Een leugenachtig antwoord? Of juist niet?

Jezus ruikt de leugens die anderen over hem hebben verteld

‘Wat is waarheid?’ Met die vraag sluit Pilatus het obligate verhoor af van een man die hem door de heersende Judese machten in Jerusalem is voorgeleid. Die betichten Jezus ervan zich voor ‘koning der Joden’ uit te geven. Uit hoofde van zijn functie is het aan Pilatus om na te gaan of die betichting strookt met de waarheid. De vraag waarmee hij afsluit, laat vermoeden dat het verhoor toch wat bizar gelopen is.

Duccio di Buoninsegna, Christus voor Pilatus, 1308-1311, paneel op de achterzijde van het Maestà­-retabel, Museo dell’Opera Metroplolitana del Duoma, Siena.

Verhoor

We volgen dat verhoor even van naderbij.

‘Zijt Gij de koning der Joden?’ vraag Pilatus Jezus op de man af. Zegt die ja, dan hebben zijn aanklagers het terecht voor Pilatus gebracht. Voor een joodse opstandeling met die ambitie kan een Romeins landvoogd geen sprankeltje genade tonen.

Jezus, die doorheeft dat de vraag een ‘achterkant’ heeft, antwoordt met een tegenvraag: ‘Zegt gij dit uit uzelf, of hebben anderen u over Mij gesproken?’ Hij vermoedt intriges, machinaties. Hij ruikt de leugens die genoemde ‘anderen’ over hem hebben verteld, en wil vooral daarop antwoorden. Maar voor hij dat antwoord klaar heeft, is Pilatus hem al voor: ‘Ben ik soms een Jood? Uw eigen volk en de hogepriesters hebben U aan mij overgeleverd. Wat hebt Gij gedaan?’

‘Waarheid is datgene waarvan ik getuig’

Jezus negeert ook die vraag en antwoordt op de voorgaande. Exacter: op de ‘achterkant’ die hij erin hoorde, op wat de machthebbers in Jerusalem met die vraag bedoelen. Is hij de ‘koning der Joden’? Lees: is hij de vervulling van de messiaanse verwachting? Staat hij voor de volle realisering voor wat sinds eeuwen ‘het Beloofde Land’ heet: het ‘Koninkrijk’ waar rechtvaardigheid heerst en waar geen plaats meer is voor zonde, eindigheid en dood? Op die vraag antwoordt Jezus: ‘Mijn koningschap is niet van deze wereld. Zou mijn koningschap van deze wereld zijn, dan zouden mijn dienaars er wel voor gestreden hebben, dat ik niet aan de Joden werd uitgeleverd. Mijn koningschap is evenwel niet van hier.’

We kunnen er best van uitgaan dat Pilatus daar weinig of niets van begrijpt, laat staan dat hij het naar waarde had kunnen schatten. Hij blijft al bij al hoffelijk en herhaalt de vraag: ‘Gij zijt dus toch koning?’

Dit keer antwoordt Jezus bevestigend, zij het niet op Pilatus’ concrete vraag. Het is een antwoord op een algemene vraag, die naar waarheid. En daar antwoordt Jezus – zeker in de oren van Pilatus – verregaand abstract, haast tautologisch op: waarheid is datgene waarvan ik getuig; waarheid komt uit de mond van al wie naar mij luistert; en daarom ben ik ‘koning’. In Jezus’ woorden: ‘Ja, koning ben ik. Hiertoe ben ik geboren en hiertoe ben ik in de wereld gekomen om getuigenis af te leggen van de waarheid. Al wie uit de waarheid is, luistert naar mijn stem.’

Nu is Pilatus het moe. De betichte blijft ontwijkend antwoorden. Diens gedoe over waarheid lijkt hem een zoveelste escape. Maar hij blijft hoffelijk: ‘Wat is waarheid?’, zucht hij. Misschien komen die in het Johannesevangelie gestrande woorden wel letterlijk uit de mond van de historische Pilatus.

Is het een retorische vraag? Een sceptische vraag? Geeft Pilatus daarmee te kennen dat hij een verwijzing naar zoiets als waarheid afwijst? Dat hij dat nonsens vindt? Gelooft Pilatus niet in zoiets als ‘waarheid’?

Het principe van Romeinse wetgeving: sic et non, juist of fout, waar of onwaar

Dit is gezien zijn functie moeilijk vol te houden. Die vereist immers dat hij, zoals bij verhoren als deze, een valse van een ware beschuldiging moet onderscheiden. Als hij de vraag stelt of Jezus ‘de koning der Joden’ is, is dat een vraag naar de waarheid. In Jezus’ repliek, ook al gaat die over waarheid, herkent Pilatus echter niets dat antwoordt op de vraag die hij hem heeft gesteld. En zo ook zal Jezus doof zijn gebleven voor de vraag waarmee Pilatus zijn verhoor afsluit, ook al gaat die vraag over waarheid.

Jezus wordt verhoord door Pilatus.
(beeld: PxHere)

Waarheid in Rome

‘Wat is waarheid?’

Misschien moet je, om de vraag van Pilatus te begrijpen, een licht opsteken bij de culturele en politieke context van waaruit die wordt gesteld. Pilatus is een Romein, gezagsdrager en eminent vertegenwoordiger van de toenmalige dominante cultuur en het dito imperium. Speelt waarheid daar een rol? Jazeker. Meer dan in welke antieke cultuur ook staan in de Romeinse cultuur wet en rechtspraak centraal. Niet toevallig ligt daarin de oorsprong van wat wij ‘burgerlijk recht’ noemen. En dus geldt daar zoiets als het principe van sic et non, van juist of fout, waar of onwaar. Maar – en dat is ook voor modernen moeilijker om te vatten dan we denken – die cultuur, inclusief haar rechtspraak, verstaat zichzelf niet als gebouwd op (en grondend in) de waarheid.

Zij is, anders gezegd, niet georganiseerd in referentie aan de waarheid. Zij is georganiseerd in referentie aan wat de burgers met elkaar hebben afgesproken. Let wel, in Rome is dat niet iedereen. Alleen een (exclusief mannelijke!) minderheid was burger. Maar die hadden wel afspraken, wetten gemaakt, en het was deze set aan wetten dat aan de macht (potestas) autoriteit (auctoritas) gaf. Daar ligt een van de pijlers van onze westerse democratie. Wat is hier waarheid? Niet wat de wet zegt. Niet de ‘lex’, ook al is die ‘dura sed lex’. Waarheid is hier het operationeel principe van waar/onwaar dat bij het handhaven van die wet het beslissende criterium is. Het waarheidscriterium is een tool, geen grond of fundament van recht en wet. En de goden dan? Vormen die niet een ultieme referentie voor de Romein, ook voor zijn politieke orde? Zeer zeker. Geen politieke handeling of er komt een augur, een pontifex, een flamen dialis of andere flamen aan te pas – termen voor diverse ambten in de Romeinse religie. Sla een willekeurige pagina in Livius open, en je ogen vallen steevast op een of ander detail uit de religio romana. Maar de goden staan er nooit in voor zoiets als waarheid. Niet dat ze niet soms de waarheid spreken, maar ze kunnen tegelijk ook liegen dat ze zwart zien. Nu eens zijn ze zacht en aardig, maar het volgende moment fataal kwaadaardig. De waarheid staat voor wat zij is. De goden staan niet of nooit voor wat ze zijn. Jupiter kan evengoed een gouden regen zijn. En ook dan is die regen geen regen maar een manier waarop de godheid zich in onvervalste #me-too-stijl vergrijpt aan een schone op wie hij weer eens zijn geile oog heeft laten vallen.

Goden kunnen de waarheid spreken én liegen dat ze zwart zien

Wat is waarheid? Voor een Romein – in ieder geval voor een religieuze Romein – is die zeker niet bij de goden te vinden. Als hij die vindt zal het eerder bij de filosofie zijn. Niet dat die zelf de waarheid is, verre van dat, maar filosofie toont wel een weg waarlangs je haar op het spoor kunt komen. Voor de waarheid gaat de tijdgenoot van Pilatus (en misschien ook wel Pilatus zelf) te rade bij Plato, Aristoteles, Epicurus, de stoa, de cynici of andere scholen. Maar de waarheid die daar te halen is, functioneert niet als het fundament van de cultuur. Wat is waarheid? Het antwoord dat een Romein daarop in petto heeft, neemt nooit weg dat die vraag ten slotte vooral een vraag blijft.

Pilatus wast zijn handen na het verhoor van Jezus.
(beeld: PxHere)

Waarheid in Jerusalem

Jezus is geen Romein, maar een Jood. Voor hem was de waarheid er vóór de vraag. De waarheid was er altijd al. Zij was er zelfs al nog vóór er überhaupt tijd was. En die waarheid heeft zich op eigen initiatief te kennen gegeven, geopenbaard. Als Jezus zich met de waarheid associeert, is dat omdat hij er de zegsman, de profeet van is.

De dag dat Pilatus hem verhoort, staat hij trouwens op het punt om die waarheid tot volle werkelijkheid te maken. Met zijn dood – die, zoals bekend, de dood zal doen sterven – zal hij het leven aan die waarheid teruggeven. Het zal enkel nog leven zijn, Eeuwig Leven, zonder de onwaarheid van eindigheid, zonde en dood. Het is in die zin dat hij ‘koning’, ‘Messias’, ‘Christus’ is. Staande voor Pilatus, staat hij op het punt de hele werkelijkheid haar waarheid, niets dan haar waarheid terug te geven.

Voor Jezus was de waarheid er vóór de vraag

Tegen dit soort ‘waarheid’ kan een vraag als die van Pilatus alleen maar afketsen. Die ‘waarheid’ zal trouwens, ook historisch, geen vraag blijven. Een paar eeuwen later, wanneer het christendom de religio romana eenmaal vervangen heeft, zal zij inderdaad fungeren als fundament van de werkelijkheid. Meer dan een millennium lang zal een hele cultuur zich integraal in de ‘waarheid’ waarvan Jezus ‘koning’ is, gegrond weten en op die basis het concrete leven van de westerse mens tot in de subtielste culturele haarvaten beheersen.

Waarheid in christelijk Rome

Is daarmee ook Pilatus’ vraag van de baan? In weerwil van haar negatieve reputatie, is dat allesbehalve het geval. ‘Wat is waarheid?’ Stelliger, apodictischer, zelfverzekerder dan het christelijke antwoord op die vraag is haast niet denkbaar. En toch is datzelfde christendom wel degelijk de vraag naar de waarheid blijven stellen, en dit steeds weer opnieuw. En derhalve is het de waarheid dus altijd ook tegelijk als een vraag blijven behandelen – in de Romeinse, ‘pilatische’ zin van het woord.

Dit kon ook moeilijk anders. Beweren dat de dood overwonnen is in een wereld waar mensen onverminderd blijven sterven; beweren dat zonde uit de wereld geholpen is in een wereld waar die welig blijft tieren… Het christendom kon zijn eeuwige ‘waarheid’ slechts overeind houden als het tegelijk de eindige, door dood getekende realiteit rondom zich onder ogen zag en vanuit haar waarheidsclaim tegelijk de vraag ging stellen hoe haar ‘waarheid’ daarmee te rijmen viel. Pilatus’ vraag ‘Wat is waarheid?’ werd zonder meer een door en door christelijke vraag.

The truth is obscure
too profound and too pure
to live it, you have to explode.

Bob Dylan

Marc De Kesel is bijzonder hoogleraar Theologie, mystiek & moderniteit aan de Radboud Universiteit, Nijmegen, alsook wetenschappelijk medewerker van het Titus Brandsma Instituut.
Recent publiceerde hij Ik God & mezelf. Mystiek als deconstructie. Amsterdam: Sjibbolet, 2021. Eind dit jaar verschijnt Effacing the Self: Mysticism and the Modern Subject, Albany, NY, Suny Press.


< Terug