< Terug

Woede over onrecht, in Psalm 58

Handreiking

Handreiking met vragen aan de lezer, waarin aan de hand van Psalm 58 wordt gekeken hoe woede een weg kan vinden. De rechtvaardige vraagt in een gebed aan God om wraak te nemen op de kwaadwilligen die hem belagen. Ook de schrijver Elie Wiesel bad om vergelding. Is dit herkenbaar voor de lezer?

In de Bijbel staat heel wat geschreven over woede, verontwaardiging, wraak. Ook in het boek van de Psalmen. Daarin worden alle emoties van mensen uitgesproken. Niets wordt onderdrukt. Niet de woede om het onrecht waaraan wordt geleden en ook niet het verlangen naar gerechtigheid en vrede. Toch weten we niet altijd goed om te gaan met de passages waarin sprake is van geweld, woede en wraak: ‘O, God, sla de afvalligen neer’ (Psalm 139:19), of: ‘Gelukkig hij die jouw kinderen grijpt en op de rotsen verplettert’ (Psalm 137:9). Het laatstgenoemde vers is vaak tussen haakjes gezet. In de katholieke traditie werden de vloekpsalmen zelfs geschrapt, omdat ze niet zouden beantwoorden aan het godsbeeld van de gelovigen. Kennelijk willen wij ’t liefst teksten lezen over naastenliefde, respect voor de schepping, het streven naar gerechtigheid en over het doen van barmhartigheid.

In deze handreiking komen fragmenten aan de orde uit Psalm 58. Ik begin met het overwegen van de afzonderlijke verzen. Daarbij sta ik stil bij de beelden waarin de woede om het onrecht wordt uitgedrukt. Vervolgens geef ik een handreiking om de spirituele weg van deze psalm te verkennen en ik sluit af met een gebed van Elie Wiesel.

Psalm 58 in woorden en beelden

Vervreemd van de goddelijke bron

Psalm 58 gaat over het onrecht waaraan de psalmist blootstaat. Machthebbers hebben de rechtspraak en het bestuur in handen. Zij zouden naar de waarheid moeten handelen, maar doen het tegendeel. Hun hart is een broedplaats van onrecht:

‘Machtigen, spreekt u werkelijk recht,
beoordeelt u de mensen eerlijk?
In uw hart bedrijft u al onrecht, en overal op aarde
geeft u vrij spel aan het geweld van uw handen.’ (vers 2-3)

De heersers zijn vervreemd geraakt van de bron van gerechtigheid. Vanaf hun geboorte wordt hun handelen getekend door onrecht:

‘Van de moederschoot af zijn ze van God vervreemd,
van hun geboorte af dwalen die leugenaars.’ (vers 4)

Belaging door het kwaad

Bovendien hebben de machthebbers zich bekleed met religieuze mach,t waardoor ze zelf onschendbaar zijn geworden. Het kwaad dat ze bedrijven, is beschreven als het venijn van een giftige adder:

‘Giftig zijn ze als een bijtende adder,
doof als een slang die zijn oren sluit,
die niet luistert naar de stem van zijn bezweerders,
hoe bedreven zij hun spreuken ook zeggen.’ (vers 5 en 6)

‘Giftig zijn ze als een bijtende adder.’
(beeld: Vizetelly, Pixabay)

Machthebbers worden vergeleken met adderengebroed. Een adder beweegt zich laag bij de grond, is onzichtbaar en onhoorbaar. De adder schiet plotseling te voorschijn om het slachtoffer te belagen met zijn giftige venijn dat uit zijn bek komt. Deze beeldspraak duidt op de onbetrouwbare en listige wijze waarop deze booswichten hun slachtoffers overvallen en vergiftigen. Deze vergelijking gaat verder: deze slang is doof voor de spreuken van slangenbezweerders. De heersers hebben namelijk hun oren dichtgestopt en zijn niet aanspreekbaar. Zij hebben zich afgesloten voor iedere stem die hen terecht wijst. Goede raad komt niet binnen.

Gebed om vergelding

Tot deze kwaadaardige machten moet de psalmist zich verhouden. Hij keert zich tot God en dan barst zijn bidden los.

‘God, sla hun de tanden uit de mond,
verbrijzel de kaken van die leeuwen, Eeuwige –
dat ze verdwijnen als water dat wegvloeit,
als pijlen die op de boog al breken,
als een slak die kruipend oplost in slijm,
als een misgeboorte die nooit de zon ziet,
als een doorntak die in storm verwaait,
nog voor hij de pot kan verhitten.’ (vers 7-10)

De bidder roept God te hulp. In zijn gebed vraagt hij God in te grijpen en hem te bevrijden van het onheil dat deze slechteriken aanrichten. Het slachtoffer neemt niet zelf wraak, maar doet een beroep op een derde: God. Hij is degene die redding kan brengen in deze situatie van onmacht. God heeft immers de schepping als goed geschapen en blijft werkzaam. De rechtvaardige vertrouwt op de grondwet van de schepping: het kwade loont zich niet en het goede draagt vrucht. Daarom smeekt hij God om het aangedane kwaad te wreken. Dit onrecht moet aan zijn vijanden vergolden worden. Deze vergelding wordt van God afgesmeekt. Hij bidt dat het kwaad dat hem is overkomen terugkeert op de kwaadwilligen zelf. Dit kwaad drukt hij uit in schrikbarende beelden:

  • De muil van een leeuw is zo krachtig, dat die iedere prooi kan verslinden. De scheurtanden in zijn kaken verwijzen naar de bedreigingen van de heersers die slachtoffers vermalen en monddood maken. Met deze beeldspraak wordt gebeden om het vermorzelen en het uitschakelen van de vijand.
  • Het wegvloeiende water symboliseert de booswichten die hun slachtoffers spoorloos doen verwijderen. In hun gebed wordt gevraagd om het verdwijnen van de goddelozen – voor wie mensenlevens niet meetellen – als het lozen van afvalwater.
  • De boog waarmee pijlen worden weggeschoten, verwijst naar de machthebbers die hun slachtoffers volgen met hun moordzuchtige plannen. Zij bidden God om het afbreken van hun pijlen, zodat deze plannen teniet gaan en hen niet treffen.
  • De glibberige slak die bij zijn heengaan een spoor van slijm achterlaat, duidt op de slechteriken in deze psalm. Zij achten hun slachtoffers als waardeloos. Met de beeldspraak van een slijmoplossende slak bidden zij om het vergaan van diegenen die hun medemensen beschouwen als waardeloze slijm.
  • De misgeboorte duidt in deze psalm op een miskraam, de ongeboren vrucht die voortijdig wordt afgestoten en daarom het daglicht nooit ziet. Diegenen die doemen, beogen dat het leven van mensen voortijdig wordt afgebroken. Met deze beeldtaal wordt gebeden om het uitwissen van diegenen die onschuldige mensen van hun leven beroven.
  • De doorntak die verwaait in de storm is beeldspraak voor de kwaadwilligheid van de machthebbers. Daarmee wordt gebeden om het uiteendrijven en het verloren gaan van de slechteriken.
  • De pot op het vuur verwijst naar samenzweringen van de booswichten die het kwaad doen oplaaien en de vernietiging van onschuldige mensen beogen. Met de beeldspraak van het vuur wordt gevraagd om Gods kracht die het onrecht teniet doet.
‘Verbrijzel de kaken van die leeuwen.’
(beeld: Alexa, Pixabay)

Schouwen van vergelding

Aan het einde van deze psalm schouwt de rechtvaardige dat het kwaad van de kwaadwilligen op hen terugkeert. Dit schouwen heeft te maken met zijn aanhoudende gebed waarin hij betrokken is op God en God op de psalmist. Schouwen is het waarnemen van een ‘onzichtbaar weten’ in de geest. De rechtvaardige wordt zich gewaar dat er ooit vergelding zal plaatsvinden. Dat is de hoop die hem wordt gegeven:

‘Verheugd is de rechtvaardige als hij vergelding ziet,
in het bloed van de wettelozen wast hij zijn voeten.
Dan zegt men: “De rechtvaardige wordt beloond,
er is een God die recht doet op aarde.”’ (vers 11-12)

De rechtvaardige ervaart vreugde wanneer hij de vergelding aanschouwt. Zijn voeten verwijzen naar het zich staande houden in een onmachtige situatie. Hij heeft het onrecht getrotseerd en zich er niet door laten afschrikken. Hij zal innerlijke rust en vrede verkrijgen. De machthebbers zullen worden gestraft, omdat ze schuldig zijn: ze hebben zich bevuild en besmeurd met bloed. Ze hebben actief deelgenomen aan de machten van het kwaad. Dat keert op hun eigen hoofd terug.

De spirituele weg van Psalm 58

In deze psalm bevindt zich een spirituele weg. Deze weg begint met een reactie op het onrecht (1), vervolgens doorziet de rechtvaardige het onrecht van de vijand (2). Dan begint het aanhoudende gebed (3) en dat leidt tot het schouwen (4):

De reactie op het onrecht (1)

De reactie op het onrecht begint met hardop roepen van wat kwaad, dat jou wordt aangedaan, met je doet (au). Deze bewustwording leidt tot het stellen van vragen: de heersers en machthebbers dienen bevraagd te worden en te worden bekritiseerd.

Om bij stil te staan:

Hoe reageert u op onrecht? Durft u het aan de kaak te stellen en kritische vragen te stellen? Gaat u de confrontatie aan?

De diagnose van het onrecht (2)

Een diagnose van het onrecht begint met de vraag: wat gebeurt er? Wat is er aan de hand? Het doorzien van het onrecht vraagt om het kwaad te benoemen: vervreemding, machtswellust, agressie, zelfgenoegzaamheid, ongevoeligheid.

Om bij stil te staan:

Beschrijf een situatie van onrecht uit uw persoonlijke leefomgeving of uit de samenleving. In welke beelden drukt u de werkelijkheid van het onrecht uit? Wat laten deze beelden u zien?

Het gebed (3)

De woede en de wanhoop om het onrecht doen het hart keren tot God. In dit gebed wordt de vergelding van God afgesmeekt.

Om bij stil te staan:

Het maakt een groot verschil of u God smeekt om uw vijanden het aan u aangedane onrecht te wreken, of dat u zelf wraak neemt. Wat maakt voor u dit verschil?

Durft u God aan te roepen om uitkomst in een uitzichtloze situatie? Kun u zover gaan dat u de vijanden hetzelfde toewenst als zij wat u hebben aangedaan?

Kent u de ervaring dat God u hoort, ziet voelt? En uw gebed om recht verhoort?

Het schouwen (4)

In het gebed kan God je tegemoet komen met een antwoord: een ervaring van troost, een teken van hoop dat ons uitzicht geeft, een zien door de tranen heen.

Om bij stil te staan:

Kent u de ervaring dat God u vanuit zijn onbekende einder tegemoet treedt in een uitzichtloze situatie van onrecht?

Vertrouwt u erop dat het recht zal zegevieren? Op welke wijze zal dit recht zich aan u kenbaar maken?

‘Dat ze verdwijnen als een doorntak die in storm verwaait.’
(beeld: Arzena P., Pixabay)

Actualisatie van Psalm 58

De schrijver Elie Wiesel (1928-2016) heeft als een van de weinigen de verschrikkingen van Auschwitz overleefd. Op 26 januari 1995 was hij bij de herdenking van de sluiting van het vernietigingskamp. Hij bad daar een gebed om vergelding, dat het kwaad op zichzelf terugkeert:

‘O God van vergeving, vergeef niet hen die deze plaats maakten.
God van genade, wees niet genadig met hen die hier al die joodse kinderen vermoordden.(…)
Herinner U de nachtelijke optochten van kinderen, zoveel kinderen,
al die bange, al die mooie joodse kinderen.
Als we nu er één zouden zien, zou ons hart breken,
maar de harten van de moordenaars braken niet.
O God van medelijden,
heb geen medelijden met hen die geen medelijden hadden met al deze kinderen.’

Kitty Bouwman is hoofdredacteur van Herademing. Ze is onderzoeker en docent spiritualiteitstudies, gelieerd aan het Titus Brandsma Instituut in Nijmegen. Ze heeft een praktijk voor geestelijke begeleiding en werkt als geestelijk verzorger in de Hartekamp Groep.

Literatuur

Willem Barnard, Een stille duif in de verte. Gepeins bij psalmen. Zoetermeer/Kapellen, 2004.

Kees Waaijman, Woedend om onrecht (ps. 58). In: Speling 2/94, 35-39.


< Terug