Menu

Premium

Beelden van overvloed

3e zondag van de zomer (Jesaja 66,10-14, Psalm 66,1-12, Galaten 6,1-10.14-18 en Lucas 10,1-20)

Bijbelwetenschappen

Op het eerste gezicht hebben de teksten van deze zondag weinig met elkaar te maken. Maar in elk van de vier teksten vinden we beelden van overvloed, als vooruitzicht om vol te houden óf als aansporing om aan de slag te gaan.

Jesaja sluit af met een krachtig beeld. Degenen die ontzag hebben voor Gods woorden (66,5), worden uitgelachen door de rest van het volk. Maar plotseling klinkt de stem van de HEER die vergelding brengt en de schande omkeert. De redding is zo plotseling als de geboorte van een kind vóórdat de weeën begonnen zijn (66,7-9). De geboorte staat symbool voor de redding van ‘allen die Jeruzalem liefhebben’ (66,10); de nadruk ligt op het volstrekt onverwachtse.

De troost van de moeder

Die onverwachtse geboorte mondt uit in het troostrijke beeld van vers 10-14. Wie nu om Jeruzalem treuren, zullen zich dan verheugen: ze drinken uit de moederborst van Jeruzalem. Wat hebben haar borsten te bieden? De beelden vloeien in elkaar over: als een rivier stroomt de vrede naar Jeruzalem, als een beek de rijkdom van de volken (vs. 12), en ‘jullie’ drinken ervan zoals uit de moederborst. En dan blijkt in vers 13 de HEER zelf degene die troost zoals een moeder – in Jeruzalem. De troost van Jeruzalem en van de HEER vallen bijna samen: de troost van Jeruzalem is de luisterrijke aanwezigheid van de HEER, troostend als een moeder en tegelijk vernietigend voor zijn vijanden (66,14-18).

De troost die in Jesaja 40 werd aangekondigd, wordt in Jesaja 66 bevestigd. ‘Troost’ is hier meer dan een arm om de schouder; troost is daadwerkelijk eerherstel, de welvaart van de volken die de armen ten deel valt (vgl. Jes. 49,13). Maar die belofte is zelf ook al troostrijk: voor Gods getrouwen, bespot en vertrapt, is het visioen van de aanstaande vreugde genoeg om er weer tegenaan te kunnen.

Een land van overvloed

De overvloed die Jesaja 66 in het vooruitzicht stelt, lijkt in Psalm 66 al realiteit te zijn. Dit loflied op Gods ontzagwekkende daden kijkt terug op een moeilijke tijd: ‘Strijdwagens zijn over ons heen gereden, wij zijn door vuur en door water gegaan, maar U bracht ons naar een land van overvloed’ (vs. 12). Net als vers 5-7 verwijst ook vers 8-12 naar de uittocht, de bevrijding uit de slavernij van Egypte. De exodus is het prototype van Gods bevrijdend handelen, een patroon dat zich herhaalt: Psalm 66 eindigt heel persoonlijk. ‘Geprezen zij God, Hij heeft mijn gebed niet afgewezen’ (vs. 20).

Werken voor de oogst

De brief aan de Galaten is, net als het slot van Jesaja, geschreven vanuit een context van geloofsvervolging. Paulus draagt geselstriemen als brandmerk van Jezus (6,17) omdat hij stelt dat zowel Joden als niet-Joden alleen gerechtvaardigd worden door geloof in Christus, en het daarom zinloos is om van (met name niet-Joodse?) gelovigen te vragen zich te besnijden. Hij is furieus dat anderen wel op die besnijdenis aandringen om daarmee vervolging te ontlopen (6,12). ‘Het doet er niet toe of iemand besneden is of niet, maar alleen of iemand een nieuwe schepping is,’ zo vat Paulus zijn brief samen (6,15).

Het begin van hoofdstuk 6 bevat aanwijzingen voor het samenleven als nieuwe schepping. Voortbouwend op 5,13-25 beschrijft Paulus dit leven als vrijheid in dienende liefde, waarin ‘de wet van Christus’ (6,2) tot vervulling komt. Waarnaar verwijst ‘de wet van Christus’ precies? De parallel met 5,14 is instructief: de ‘hele wet’ is ‘wet van Christus’, die nu niet meer als kinderoppas optreedt (3,24-25) maar tot vervulling komt in hen die in vrijheid leven door de Geest. Het dragen van elkaars lasten staat daarbij centraal, vanuit een houding van bescheidenheid, zelfreflectie en verantwoordelijkheidsbesef (6,2-5) en omvat ook de materiële ondersteuning van degenen van wie je evangelieonderwijs ontvangt (6,6).

Paulus motiveert deze oproep tot ‘het goede doen’ met de metafoor van zaaien en oogsten. Enerzijds duidt hij hiermee aan dat je oogst wat je gezaaid hebt (5,19-23). Anderzijds roept hij met dit beeld op tot volharding. Nu hebben je goede daden vaak geen zichtbaar resultaat, maar straks zal blijken dat ze toch vrucht dragen (vgl. Ps. 126).

Arbeiders in de oogst

Lucas gebruikt de oogst als metafoor voor het werk dat nú nodig
is, in zijn tweede uitzendingsrede. Net zoals de twaalf discipelen demonen moesten uitdrijven en zieken genezen (Luc. 9,1), worden ook de 72 uitgezonden om zieken te genezen (10,9) en beschrijven ze achteraf hoe de demonen aan hen onderworpen waren (10,17). Lucas verbindt deze tweede uitzending aan een belangrijk motief in zijn evangelie, Jezus’ reis naar Jeruzalem: de 72 worden eropuit gezonden als een soort wegbereiders (10,1). Centraal in de zending staat de verkondiging van het koninkrijk (10,9.11). Ze komen namens Jezus, en uiteindelijk namens God, die Jezus gezonden heeft (10,16). De parallel van het zieken genezen en de onderwerping van demonen toont dat ziekte en demonische machten hier nauw aan elkaar verbonden zijn. Slangen en schorpioenen staan symbool voor die kwade machten (10,19; vgl. Ps. 91,13).

Elders gebruikt Jezus de oogst als beeld voor het oordeel en zijn het de engelen die de oogst binnenhalen (Mat. 13,39). Maar hier blijkt het ‘oogsten’ een metafoor voor het genezen van zieken. De nadruk ligt niet op de activiteit van het oogsten zelf, maar op het feit dat er veel werk aan de winkel is, zoals ook bij de druivenoogst hard gewerkt moet worden om alle druiven op tijd te oogsten. En tegelijk klinkt de eschatologische connotatie van andere oogst-metaforen ook mee: in het genezen van de zieken wordt duidelijk dat Gods koninkrijk nabij is.

Deze exegese is opgesteld door Arco den Heijer.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken