Bevoorrechte profetenzonen en moordenaars van de leidsman ten leven
Bij Handelingen 3,17-26
Zonder preken en toespraken zou het boek Handelingen lijken op een evangelie zonder uitspraken en redevoeringen van Jezus, aldus Ernst Haenchen, schrijver van één van de belangrijkere commentaren op Handelingen rond het midden van de laatste eeuw. Er zou nauwelijks meer overblijven dan een verzameling van (wonder)verhalen. De toespraken en preken duiden de gebeurtenissen. Zij brengen niet alleen verslag uit van de verkondiging van toen, maar zijn zelf verkondiging aan de lezers.[1]
Wonderverhalen zijn voor meer interpretaties vatbaar. Wanneer de mensen in de tempel de voormalig verlamde man zien lopen, worden ze vervuld van schrik en verbazing. Volgens de lucaanse Petrus zijn zij geneigd om de genezing aan Petrus’ en Johannes’ ‘eigen kracht en vroomheid’ toe te schrijven (3,12). Wat op het eerste gehoor klinkt als een verwijt (‘Waarom verwondert u zich?’), zou een retorische strategie kunnen zijn om de aanwezigen tot verder nadenken te prikkelen. Zij moeten zich niet bij de eerste spontane interpretatie neerleggen, moeten het als voor de hand liggend beschouwen dat de ‘kracht en vroomheid’ van de apostelen geen toereikende verklaring kunnen geven voor deze genezing. Op deze manier zouden zij zich kunnen openen voor de interpretatie die Petrus uiteindelijk noemt: de genezing is een gevolg van het geloof in de naam van Jezus Christus de Nazoreeër (3,16).
Meer dan slechts verwijten
Het eerste gedeelte van de toespraak (3,11-16) is gekenmerkt door verwijten: ‘U hebt Hem uitgeleverd; u hebt Hem voor Pilatus verloochend, u hebt de vrijlating van een moordenaar verzocht; u hebt gedood.’ Deze verwijten worden versterkt door de eretitels voor Jezus die zijn rol in Gods ogen beschrijven. Door deze titels als lijdend voorwerp bij de genoemde werkwoorden te gebruiken, ontstaat een scherp contrast: zij hebben dit allemaal niet een willekeurig iemand aangedaan. Ze hebben Gods knecht uitgeleverd, de heilige en rechtvaardige verloochend; de leidsman ten leven ter dood gebracht. Het lijkt erop alsof Petrus wilde zeggen, dat al hun doen er uiteindelijk op neerkomt dat zij God dwarsbomen. Ten slotte lukt dat natuurlijk niet. Gods handelen vormt een kader om het menselijke handelen heen; de verwijten zijn in de tekst omlijst door Gods activiteiten: voorafgaand aan het eerste verwijt constateert Petrus dat God zijn knecht heeft verheerlijkt en na het laatste verwijt getuigt hij dat God de leidsman ten leven uit de dood heeft opgewekt. God staat boven menselijk kwaad en leed. Net als Jozef tegen zijn broers lijkt Petrus in zijn preek te zeggen: ‘Jullie hebben kwaad beraamd, maar God heeft het ten goede gekeerd’ (Gen. 50,20). En hij gaat nog verder: God keert niet alleen het kwade ten goede, maar bereikt zelfs zijn doel met en ondanks het kwaad en het falen van mensen. Hij integreert het in het stappenplan naar de vervulling van wat de profeten voorspelden. Want zij hadden het lijden van Gods gezalfde al aangekondigd (3,18). Dit neemt niet de scherpte en de ongenuanceerdheid uit de verwijten. De vraag blijft of een retorische strategie die in eerste instantie op verwijten is gebaseerd, erg veelbelovend en eigenlijk wel nodig is. Want wat wil Petrus bereiken? Het besef dat de genezing toe te schrijven valt aan de naam van Jezus Christus en dat in het lot van Christus en de actuele gebeurtenissen de profetieën worden vervuld. Daarvoor zijn de verwijten niet strikt noodzakelijk. Dat hun eerste inschatting van wie Jezus was verkeerd en hun handelen met Hem onrechtvaardig was – had Petrus dit inzicht niet aan hen kunnen overlaten?
De ambiguïteit van de geschiedenis
‘Het is deze Jezus die door u is uitgeleverd en verstoten, ook toen Pilatus bereid was Hem vrij te laten’ (3,13). In dit vers komt Pilatus er niet slecht vanaf. Hij is degene die besefte dat Jezus onschuldig was en Hem vrij wilde laten. De boosdoeners zijn de aangesproken personen die tegen het rechtvaardigheidsgevoel van Pilatus in Jezus uitleveren en verstoten. Heel anders interpreteren de gelovigen na Petrus’ vrijlating de uitlevering van Jezus (4,25-26), namelijk als vervulling van psalm 2,1: ‘Waarom snoeven de volken en beramen de volksstammen zinloze plannen? De koningen van de aarde zijn aangetreden en de heersers spannen samen tegen de Heer en zijn gezalfde.’ Inderdaad, aldus hun conclusie: Herodes Antipas, Pontius Pilatus, de heidenen en de stammen van Israël hebben samengespannen tegen Jezus. Al deze groepen zijn verantwoordelijk voor wat er gebeurd is; iedereen lijkt even schuldig. –Gebeurtenissen kunnen altijd op verschillende manier worden geduid en in meer dan één interpretatie kan een stuk waarheid zitten.
Allereerst de joden, maar ook de Grieken
Na veel verwijten in het begin laat Petrus de joodse tempelbezoekers in het tweede gedeelte van de preek (3,17-26) meer verzoenlijke tonen horen. De moord op degene die God als Christus had bestemd, is uit onwetendheid gepleegd. Ze wisten niet beter. Op eenzelfde manier zal Paulus later in Athene verkondigen, dat er ook voor niet-joden een tijd van onwetendheid was, toen ze maar een vaag besef hadden van wie God zou kunnen zijn (17,22-31). Met de verkondiging door de apostelen is voor beide groepen de tijd van onwetendheid voorbij.
Tussen Hemelvaart en de parousie, in de tijd van de christelijke verkondiging, geldt voor joden en niet-joden dezelfde boodschap: zij zijn geroepen om zich af te wenden van het voormalige leven en zich tot God te keren (3,19 en 17,30). Daarbij gaat Petrus in op het voordeel dat joden hebben: zij zijn kinderen van de profeten en van het verbond (3,25); hun was de aangekondigde ‘profeet zoals Mozes’ beloofd; vooral voor hen heeft God zijn knecht laten opstaan (3,26). Paulus heeft het in zijn brief aan de Romeinen zo verwoord: gelovige niet-joden zijn takken van een wilde olijfboom, tegen hun natuur in geënt op Gods edele olijfboom waarvan joden de natuurlijke takken zijn (Rom. 11,16b-24).