< Terug

De draaglijke, bevrijdende lichtheid van provocatief pastoraat

In deze column reageert Theo Pleizier op het Theologisch drieluik van Marieke Sillevis Smitt over provocatief pastoraat:

Deel 1: mensbeeld
Deel 2: Godsbeeld
Deel 3: wereldbeeld

Theo Pleizier

“Pastoraat is een serieuze, maar niet alleen ernstige bezigheid.”

Theologisch drieluik: provocatief pastoraat (reactie)

Met haar voorstel voor provocatief pastoraat biedt Marieke Sillevis Smitt een uitdagende visie, maar vooral een aanstekelijke praktijk. Pastoraat is een serieuze, maar niet alleen ernstige bezigheid. Provocatief pastoraat, zoals zij het uitwerkt, is een speelse manier van mensen begeleiden, waarin humor, liefde en uitdaging samengaan.

Prikkelen en dwarsliggen

Bij de titel moest ik gelijk denken aan een boekje dat de Britse theoloog, tegenwoordig Anglicaans bisschop, Graham Tomlin indertijd schreef: Provocative Church, waarvan in de loop der jaren vier edities van uitkwamen. In het Nederlands is het eerst vertaald onder de titel ‘Een kerk die prikkelt’ en het kwam later nog eens uit onder een andere titel ‘Een kerk die verrast’. Toen was het kennelijk nog niet zo gebruikelijk om het woord ‘provocatief’ in een boektitel te zetten. Het laat wel zien waar je in het Nederlands aan moet denken. Pastoraat dat prikkelt? Pastoraat dat verrast?

De benadering van Sillevis Smitt laat beiden zien. Prikkel maar eens een beetje. Kom maar eens wat verrassend uit de hoek. Wie weet wat er dan gebeurt? Maar provocatief gaat ook over iets anders. Het is een soort hoopvol dwarsliggen, het liefdevol oproepen van tegenstand, en misschien ook wel een nieuw vertrouwen in een oude, weerbarstige praktijk. Zo schrijft Tomlin over de kerk en haar roeping in de wereld. En zo versta ik het pleidooi van Sillevis Smitt. Ga maar eens dwarsliggen als pastor, niet om een dwarsligger te zijn, maar vanuit de hoop dat er iets loskomt, iets nieuws ontstaat.

Je ligt de pastorant niet dwars om dwars te liggen, maar om een ander perspectief aan te bieden

Je kunt ook zeggen: blokkeren om te bevrijden. In de therapeutische gespreksvoering is het fenomeen ‘blokkeren’ niet onbekend. In hun basisboek pastoraat geven Corja Menken en Henk van der Meulen een lijst van 12 verschillende ‘blokkerende reacties’, zoals sturen, waarschuwen, overtuigen, oordelen, maar ook, belachelijk maken, mensen vertellen wat ze moeten doen, en zelfs: troosten. Belemmerende reacties onderbreken de gedachtestroom van de pastorant. Je volgt even niet als pastor, maar legt iets op de weg, waardoor het gesprek stokt, of het contact wordt onderbroken.

Iets dergelijks gebeurt ook in provocatief pastoraat en de voorbeelden die Sillevis Smitt geeft, laten daar iets van zien: daar zitten voorbeelden bij van etiketteren, zelfs haast belachelijk maken. Dat gebeurt niet om de pastorant dwars te zitten, maar dit pastoraal dwarsliggen beoogt bevrijding: even loskomen uit een oud gedachtenpatroon; een ander perspectief aanbieden.

Twee sporen van pastoraat

Daarmee zit provocatief pastoraat in een spanning tussen twee inmiddels klassieke benaderingen van pastorale zorg. In de benadering van Eduard Thurneysen, ook wel het ‘kerygmatisch pastoraat’ genoemd, wordt gesproken over een ‘breuklijn’ in het pastorale contact. Ergens in het contact tussen pastor en pastorant moet iets opengaan, zodat een ander perspectief ontstaat. Voor Thurneysen is dat verbonden met het evangelie, het Woord van God dat binnenkomt in de situatie van de mens.

Daartegenover staat de benadering die in het spoor van Carl Rogers gaat, de therapeutische benadering. Voor Rogers richt het helpende gesprek zich helemaal naar de gesprekspartner, de client of pastorant. Van de pastor wordt empathie gevraagd, onvoorwaardelijke aanvaarding en echtheid. Nu wist Rogers ook wel van spiegelen en is gespreksvoering niet alleen ‘volgen’. Maar een pastorale benadering in het Rogeriaanse spoor heeft de pastorant als uitgangspunt.

Je moet als pastor wel een goed gevoel voor humor hebben en aanvoelen wat kan

De provocatieve benadering van Sillevis Smitt lijkt me daar precies tussen te gaan zitten. De pastor heeft een eigen stem, en neemt de vrijheid om af en toe maar iets in te brengen. En dat kan ontregelen. Zoals in het evangelie ook voldoende momenten van ‘ontregelend pastoraat’ te vinden zijn. Johannes 3 en 4 vormen hiervoor een mooi tweeluik. Zowel in het gesprek met Nicodemus en in het gesprek met de Samaritaanse bij de bron vindt ontregeling plaats. Jezus praat niet zomaar mee, maar ligt ook even dwars: ‘als je wist met wie je sprak’ of ‘ben jij een leraar in Israël?’.

De circusclown

Humor is belangrijk in de provocatieve benadering. Sillevis Smitt geeft hier diverse voorbeelden van. Er mag gelachen worden in het pastoraat. Of dat nu een schaterlach is, waarmee de pastor een ongemakkelijke e-mail even in het goede perspectief zet en een reactie schrijft die aanvaardend en blokkerend tegelijk is. Maar ook een glimlach. Dat je even voelt: het is raak, dit zet mij aan het denken, dit werpt een ander licht. De pastor zet bewust ironie of andere vormen van humor in om een nieuw perspectief in te brengen. Je moet als pastor wel een goed gevoel voor humor hebben en aanvoelen wat kan. De lach helpt om afstand te nemen, ook van je eigen handelen.

Met de aandacht voor humor zit Sillevis Smitt dicht aan tegen een invloedrijk beeld in de praktische theologie, het beeld van de nar, van de clown. De Duitse praktisch-theoloog Peter Bukowski schreef eerder al over humor in het pastoraat (vertaald in het Nederlands). Robert Dykstra maakte een boek met allerlei beelden voor de pastor en pastorale zorg, zoals de moedige herder (Alastair V. Campbell), de gewonde heler (Henri Nouwen), de handelaar in hoop (Donald Capps), en de vroedvrouw (Karen R. Hanson).

De door de clown aangezette nostalgie is uiteindelijk lachwekkend; zo zet de pastor ook dingen in perspectief

In deze rij bespreekt hij ook de circusclown, een beeld dat hij ontleend aan de Nederlandse theoloog Heije Faber. Voor Faber gaat het er ook om dat de clown iets laat zien dat diep in ons zit, en waar we naar verlangen. De aangezette nostalgie door de clown, het stereotiepe, is uiteindelijk lachwekkend. Zoals de clown, zet ook de pastor de dingen in perspectief. Het kleine wordt groter, dat wat groot is, blijk al snel opblazen te zijn. De pastor staat daarmee in het spanningsveld van eenzaamheid (de clown is een eenzaam figuur) en verbondenheid (de clown hoort er ook helemaal bij).

Dit beeld van Faber overstijgt de praktische pastorale interventie en zoekt naar het karakter van de pastor. Hier ligt ook de aansluiting met de therapeutische beweging: hoe authentiek is de humor, hoe ben je in het gebruik van ironie transparant in plaats van dat je je erin verstopt?

Grenzen aan het clownschap

Nu zitten hier ook een paar grenzen aan. Of het bekende gevoel voor humor bestaat of niet, ook voor het inzetten van humor geldt dat de communicatieve regels blijven gelden. Ironie toepassen bij iemand die ironie niet kan herkennen maakt de pastorant kwetsbaar, bijvoorbeeld vanwege een psychische stoornis waarin ironie een onbegrijpelijke communicatievorm is. Ook een provocatieve interventie zal recht moeten doen aan déze pastorant, diens zijn in de wereld, en zal tegelijk de moed moeten hebben om dit zijn in de wereld even te bevragen. Het provocatieve vraagt om een pastor die niet-angstig aanwezig kan zijn, zoals de systeemdenker Friedman daarover schrijft.

Het gaat niet om een verkondigend ‘zo is het’, maar om het stellen van vragen en het delen van observaties

Er zit iets provocatiefs in het christelijk geloof. Daar was Graham Tomlin naar opzoek in zijn boek Provocative Church. En ergens kan de kerygmatische traditie van Thurneysen in de moderniteit en voor ons in de postmoderniteit op een nieuwe manier provocatief zijn: vergeving, genade, kruis en opstanding, de toekomst. Het zijn de christelijke thema’s waarin hoop, liefde en geloof oplichten. Hier ligt denk ik een andere verbinding met het voorstel van Sillevis Smitt: het gaat niet per se om de verkondigende taaldaad (‘zo is het’), maar om het stellen van vragen of het delen van observaties.

Het boek Genesis begint met twee pastorale vragen: ‘mens, waar ben je?’ en ‘waar is je broeder (of zuster)?’. Deze vragen klinken tegen de achtergrond van de ernst van vervreemding van God en moord op de medemens. Ze klinken niet beschuldigend, maar hebben een draaglijke, bevrijdende lichtheid.

Theo Pleizier is universitair docent praktische theologie aan de PThU in Groningen. Zijn onderzoeksinteresses zijn onder meer zielzorg, spiritualiteit en prediking.

< Terug