< Terug

Hoe ben je kerk in de stad?

In dit Theologisch drieluik introduceert Cristina Pumplun je met kerk-zijn in de stad.

Deel 2: kwaliteit
Deel 3: verschijnt 1 juli

Op 15 juli verschijnt er een reactie op dit drieluik.

Cristina Pumplun

“Dan blijkt dat bezoekers, die als toeristen de kerk binnenkomen, heus ook pelgrims zijn.”

Theologisch drieluik: kerk in de stad (deel 1)

Aan het eind van een zonnige dag sta ik aan de deur van de 400 jaar oude Westerkerk, hartje Amsterdam. Ik heb mijn toga al aan. Er staat een posterhouder naast me met daarin een kleurrijke afbeelding van een waxinelichtje en de aankondiging in het Nederlands en het Engels van wat er straks in de kerk gaat plaatsvinden: een avondgebed. Toeristen spreken me aan omdat ze de kerk willen bezichtigen. Ik leg uit dat ze welkom zijn voor ‘evening prayer with beautiful organ music’. Een jonge vrouw blijft staan en kijkt wat aarzelend langs me heen. Door de open deur is de kerkruimte net zichtbaar. Nu wordt het spannend: is zij een toerist of een pelgrim? Wendt zij zich zo snel mogelijk af en beschouwt ze de kerk als gesloten, of laat zij zich over de streep trekken door een verlangen naar iets wat wellicht zonet in haar gewekt is, een verlangen naar… ja, waarnaar eigenlijk?

Het is een van de vele korte ontmoetingen die ik heb, werkend voor de Wester als ‘kerk in de stad’. De Westerkerk is in principe zes dagen in de week geopend voor bezoekers: uit buiten- en binnenland, van buiten en binnen stad en buurt, voor mensen die een kerk als heilige plaats ervaren en mensen voor wie het een museaal gebouw is – waarvan ze de toren willen beklimmen of waar ze het graf van Rembrandt willen bezoeken. In het laatste geval is er vooral teleurstelling: de toren is vanwege restauratiewerkzaamheden niet te beklimmen en waar Rembrandt precies begraven ligt, is al 350 jaar een mysterie. Wat blijft er dan te ervaren – voor de toerist?

Veel, tenminste als zij zich over willen geven aan de ervaring van de kerk als een ruimte waar door de eeuwen heen mensen de nabijheid van de Allerhoogste, de Eeuwige, God, hebben gezocht. Als zij het licht door de vele hoge ramen gul de ruimte in zien komen en overweldigd worden door wat deze ruimte met hen doet. Misschien is er bewust of onbewust eerst de notie dat zij als bezoekers van een museaal gebouw in een spoor van eeuwen terecht zijn gekomen, inclusief de weerstand en de vervreemding die daarbij een rol kunnen spelen.

Dan blijkt dat bezoekers, die als toeristen de kerk binnenkomen, heus ook pelgrims zijn

Maar ze kunnen juist ook op het spoor van hun eigen persoonlijke verhaal van geluk en verlies, verlorenheid en vertrouwen terecht komen. En dat gebeurt, zo blijkt. Want midden in de Westerkerk staat een kunstwerk, dat de braamstruik verbeeldt, die Mozes volgens het boek Exodus (3:3) zag branden in de woestijn. In dit ‘Brandend Braambos’ kunnen bezoekers een waxinelichtje aansteken. Naast het Braambos ligt een boek, waarin men een persoonlijke gedachte of een gebed kan schrijven. En dan blijkt dat bezoekers, die als toeristen de kerk binnenkomen, heus ook pelgrims zijn, op het pad van hun leven.

Dynamiek toerist en pelgrim

In de ruimte van dit historische kerkgebouw, ‘waarin de wolk gebeden hangt van wie zijn voorgegaan’[1] blijken de toerist en de pelgrim helemaal geen gescheiden identiteiten te zijn en de ervaringen van toerist en pelgrim dynamisch in elkaar over te vloeien.[2] En dat betekent dat de missionaire werker op deze heilige plek op diens handen moet gaan zitten om die dynamiek niet te verstoren. Wat wel kan en ook moet: begenadigd door Gods Geest mogelijkheden scheppen zodat mensen een etappe op het pelgrimspad van hun leven kunnen gaan, zonder de Geest voor de voeten te lopen. Want zij wil in vrijheid kunnen waaien en kent haar eigen weg.[3] Waar zij ademt, komt een mens tot leven. En dat valt niet per se samen met wat in onze optiek vernieuwend, missionair, prikkelend of spraakmakend is.

Een nodigend, gastvrij gebaar, een vriendelijke blik, een klein blaadje met een tekst; het is genoeg

En het valt ook niet per se samen met de woordenrijkdom waarmee wij als gastgever van een historisch Godshuis met de beste gastvrije bedoelingen op komen dagen. Wat mensen ervaren aan vertrouwdheid en vreemdheid, weerstand en opluchting, heiligheid en verlossing – en wellicht thuiskomen –: het is niet te voorzien en niet te sturen.

Geen woorden in de mond leggen

Laten we de bezoekers die over de drempel komen niet met teveel woorden overladen, die alvast uitleggen wat er ervaren moet worden en wat de betekenis van deze ervaring in hun leven hoort te zijn en wat God of Jezus daarmee te maken hebben. Een nodigend, gastvrij gebaar, een vriendelijke blik, een klein blaadje met een korte (Bijbel)tekst, die niet opgedrongen wordt, maar gereed ligt voor wie erdoor aangetrokken wordt, is in eerste instantie genoeg.

“We moeten als de zaaier leren om het effect van de dingen die wij doen uit handen te geven. Als wij dat doen krijgt ons handelen een bijzondere kwaliteit, die we met een klassiek woord uit de christelijke spiritualiteit ‘dienen’ zouden kunnen noemen.”[4] Daar hoort dan wel bij dat we als gastgever in de buurt te blijven, onopvallend vindbaar en aanspreekbaar, voor als de vragen of het verhaal toch nog je kant op komen.

Wij kennen de meeste verhalen niet, maar mogen erop vertrouwen dat ze gekend worden

De toerist en de pelgrim: ze mogen samen op reizen. We mogen hen toevertrouwen aan hun eigen ervaring en de goede zorg van de Geest in vertrouwen dat de ervaring in Gods historische huis een plek mag krijgen in het langere verhaal van hun leven. Wij kennen de meeste verhalen niet, maar mogen erop vertrouwen dat ze gekend worden van Hogerhand.

Ik zie dat de vrouw aan de ingang haar aarzeling opzij zet. Ze pakt het A5-boekje met de orde van dienst aan. Ik ben weer blij met de extra moeite en tijd die is gaan zitten in de Engelse vertaling van het gesproken woord, om de Geest als het ware een handje te helpen opdat ieder ondanks de eigen vreemde taal mee kan vieren. Gelukkig zorgt de orgelmuziek in deze voor zichzelf. Een windvlaag waait mij samen met de bezoekster naar binnen, alsof de Geest mij plagend laat weten: “Haha, je dacht, die wordt het niet, hè? Dus wel! Ik waai waarvandaan jij niet weet, en jij weet niet waarheen ik waai. Het is overigens wel zo fijn, als je dan de deur open hebt staan.”

In de volgende blogs gaan we dieper in op wat het kost om die kerkdeur inderdaad zo vaak mogelijk open te houden. Wat betekent kwaliteit en kwantiteit in dit spanningsveld (2) en we gaan op zoek naar inspiratie te rade buiten eigen kerk en land (3).

Cristina Pumplun is de missionair-vicaris van de Westerkerk in Amsterdam. Zij is verantwoordelijk voor de externe presentatie van de kerk en de organisatie van activiteiten op het raakvlak van geloof, theologie en cultuur.

Noten

[1] Sytze de Vries, “De vreugde voert ons naar dit huis,” Lied 280 in Liedboek. Zingen en bidden en huis en kerk (2013).

[2] Paul Post & Suzanne van der Beek, “Beyond the Topos of the Pilgrim and the Tourist,” in dez., Doing Ritual Criticism in a Network Society. Online and Offline Explorations into Pilgrimage and Sacred Place (Liturgica Condenda 29) (Leuven: Peeters, 2016): 25-36.

[3] Over de heilige Geest als ‘immanente werkzaamheid van God,’ die ‘vooral werkzaam is tussen den omstandigheden en onze reactie daarop’ zie Rick Benjamins, “Boven onszelf uitstijgen door de Geest,” in Rick Benjamins, Jan Offringa, Wouter Slob (red.), Liberaal Christendom. Ervaren, doen, denken (Vught: Skandalon, 2016): 63-70.

[4] Foeke Knoppers, Gods Geest. Uit de serie Goddeeltjes (Zoetermeer: Meinema, 2014): 54-55.

Deel 3, over inspiratie, verschijnt 1 juli

Op 15 juli verschijnt er een reactie op dit drieluik

< Terug