Brood breken en veilig aan land komen
Alternatief bij 7e zondag van de zomer (Jesaja 43:1-13, Handelingen 27:33-44 en Johannes 6:16-21)
Als zeilende bootsvrouw valt me altijd weer op hoe nauwkeurig Lucas de zeiltocht van Paulus in het boek Handelingen beschrijft. De hedendaagse reisverslagen die je op de Facebookpagina’s van zeezeilen vindt en de verslagen in zeiltijdschriften kunnen er een voorbeeld aan nemen. Je ziet de boot in zwaar weer voor je: het extra scheepstuig is overboord gegooid en de reddingssloep is gekapt omdat er enkelen mee wilden wegvaren, en nu is er land in zicht.
Paulus wilde dat ze bij elkaar bleven. Nu, na veertien dagen, spreekt hij hun moed in en breekt en deelt hij het brood op de manier van Jezus. God danken en dan breken en delen en eten, daar krijgen alle opvarenden weer goede moed van (27:35-36). Dan gaat het graan overboord en varen ze pal voor de wind een inham binnen, maar er ligt ‒ zoals wel vaker ‒ een zandbank voor de haven. Het schip breekt en men wil de gevangenen doden. Maar nu wil de hoofdman hen allemaal sparen, en zwemmend en op planken en wrakhout bereiken ze allen veilig het land.
Vergelijkbare thema’s
Veel aspecten uit dit verhaal herkennen we bij Johannes. Eerst eten met heel veel en daar goede moed van krijgen. En dan de zee op, op weg naar huis. Ook hier een woeste zee met storm. Ook de leerlingen komen behouden aan land op de plek waar zij wilden zijn. Maar er zitten ook veel verschillen met het verhaal uit Handelingen 27 in. Er zijn zelfs veel verschillen met de verhalen van de synoptici over dit lopen over de zee van Jezus. Christus heeft in alle evangeliën letterlijk de dood onder de voeten, en zijn verschijning maakt de leerlingen bang.
Water bij Johannes
Het is opvallend hoe vaak water voorkomt in het Johannesevangelie. Volgens Ype Bekker begint het Evangelie met doopwater en eindigt het met vissen op het meer.[1] Het gaat erin over rivierwater, doopwater, vruchtwater, water in de bron, waswater, drinkwater, viswater en zeewater. Er zijn twee grote verhalen in het Evangelie waarin water een helende werking heeft en waarin diegene die door of naar het water ging, in Christus ging geloven. Dat is te lezen in het verhaal van de lamme (Johannes 5:1-13), waarin het bad Betzata bij de Schaapspoort in Jeruzalem een rol speelt (5:2), en in het verhaal van de blinde (9:1- 41), waarin hetzelfde geldt voor het badhuis van Siloam (9:7).
Deze beide verhalen wijzen op een doopcatechese, een catechese zoals ons door de ‘school van Johannes’ geleerd wordt, die bedoeld is voor diegenen die in de Paasnacht gedoopt zullen worden.[2] Maar hier in Johannes 6:16-21 gaat het om de leerlingen van Jezus, diegenen die door Hem zijn onderwezen in de Schrift en de profeten, die met Jezus Mozes ‘naspelen’: ‘Brood uit de hemel gaf Hij hun te eten’ (Psalm 78:24 = Johannes 6:31). Zo gaan ook zij met z’n twaalven als het volk Israël door het water naar het leven. Het is opvallend dat ze zonder Jezus op weg gaan in de boot. Maar de catechetische context van Johannes geeft er ook een mystieke draai aan. Met dit brood van het leven (vgl. Johannes 6:1-14) denken ze dat ze heel wat kunnen.
‘Ik ben het, vrees niet’
En dan blijkt dat ze het nog niet kunnen: als er storm komt en als Jezus bij hen komt, zijn ze eerst bang. Jezus stelt hen gerust met de Godsnaam: ‘Ik ben het’ (Gr.: ego eimi – 6:20). Dan willen ze Hem in de boot nemen, Jezus bij zich toelaten. En dan opeens zijn ze aan land op de plaats waar ze moeten zijn. Dat is het mystieke element in deze catechese. Als je Jezus in de boot neemt, ben je waar je moet zijn.
Er zijn exegeten die zeggen dat er tien ‘Ik ben’-woorden zijn in het Johannesevangelie. Zeven keer met een ‘plaatje’, een beeld: het brood van het leven (6:35); het licht van de wereld (:12); de deur van de schapen (10:7); de goede herder (10:11-16); de opstanding en het leven (11:25); de weg, de waarheid en het leven (14:6); de ware wijnstok (15:1). En drie keer zonder beeld: bij de Samaritaanse vrouw: ‘Ik ben het die met u spreekt’ (4:26); bij Jezus’ gaan over het meer (de tekst van vandaag): ‘Ik ben het, vrees niet’ (6:20); en bij Jezus’ gevangenneming waar Hij vraagt: ‘Wie zoekt u?’ en als ze antwoorden dat ze Jezus van Nazaret zoeken, Hij zegt: ‘Ik ben het’ (18:5).
Jesaja op de achtergrond
Juist in dat geruststellende ‘Ik ben het, vrees niet’ van Jezus klink Jesaja mee: ‘Vrees niet, want Ik heb u verlost’, want je bent van God, je Schepper en Formeerder. ‘Wanneer gij door het water trekt, ben Ik met u; gaat gij door rivieren, zij zullen u niet wegspoelen’ (43:1-2 – NBG ’51). En de belofte van de Eeuwige dat Hij de volken van oost en west zal verzamelen (Jesaja 43:5), klinkt mee waar Paulus schrijft dat allen behouden aan land kwamen (Handelingen 27:44). Het is jammer dat er zowel uit Handelingen als uit Johannes maar een stukje wordt gelezen, want juist de context van deze bijbelgedeelten maakt het spannend en laat nog meer overeenkomsten zien.
Deze exegese is opgesteld door Doddy van Leeuwen-Assink.
Voetnoten
[1] Vgl. Y. Bekker, Zoon van God, Messias, Mensenzoon. De structuur van het Evangelie naar Johannes, Kampen 1995 (dissertatie).
[2] Vgl. C.J. van Leeuwen-Assink, Wij zouden Jezus willen zien. Het evangelie naar Johannes herlezen met een catechetische blik, Bergambacht 2015 (dissertatie).