C.S. Lewis en de zeven planeten
De Narnia-cyclus als mythopoesis
In de maand juli van het jaar 1956 gaf C.S. Lewis een tweetal lezingen in het Zoölogisch Laboratorium van de universiteit van Cambridge. Na jarenlang in Oxford werkzaam te zijn geweest, was hij in 1954 benoemd tot hoogleraar in de Engelse letterkunde van Middeleeuwen en Renaissance in Cambridge. Bij deze gelegenheid bestond zijn gehoor voor het grootste deel uit ‘scientists’, onderzoekers op het gebied van de natuurwetenschappen. Waarschijnlijk kenden de meeste van zijn toehoorders zijn reputatie als radiospreker over geloofszaken – de lezingen die hij tijdens de oorlog voor de BBC had gehouden waren in 1952, met aanvullingen, in boekvorm onder de titel Mere Christianity gepubliceerd. Velen onder hen zullen ook zijn Screwtape Letters uit 1942 hebben gelezen, of zijn Ransom-trilogie, of ook het eerste deel van zijn later beroemd geworden Narnia-cyclus. Maar van zijn Oxfordse reputatie als meeslepend docent over middeleeuwse literatuur had men in Cambridge waarschijnlijk hoogstens van horen zeggen vernomen. Lewis moet hebben begrepen dat hij bij dit publiek niet kon uitgaan van enige vertrouwdheid met middeleeuwse literatuur. Om die reden begon hij met een algemene karakteristiek van de cultuur van de Middeleeuwen.