Menu

Premium

Chaos, zee, woestheid

Geloofstaal & cultuurtaal

De drie begrippen ‘chaos, zee en woestheid’ verbinden wij niet zo gauw met elkaar; ze hebben tegenwoordig elk een verschillende gevoelswaarde. Wij gebruiken het woord ‘chaos’ meestal in een afgezwakte betekenis van het woord, bijvoorbeeld een kamer die een chaos is omdat de orde ontbreekt en de zaken niet opgeruimd zijn. De zee heeft bij ons vooral een positieve betekenis: ‘We gaan naar zee’. Vroeger werd de zee meer gevreesd vanwege de overstromingen en de vele scheepsrampen. Een woest gebied is een gebied dat nog niet in cultuur gebracht is. Voor velen is dit niet bedreigend, terwijl in vroeger tijden vooral gedacht werd aan de gevaren voor reizigers.

Woorden

‘Woestheid’ en ‘verlatenheid’ worden aangeduid door de Hebreeuwse woorden tohoe en bohoe. Daarnaast zijn er nog diverse andere woorden die ‘woestheid’ en ‘verwoesting’ aanduiden, zoals chorba en sjamma. Het Hebreeuwse woord voor ‘zee’ is jam, dat in het Grieks weergegeven wordt met thalassa. Het Grieks kent ook het woord limnè, dat ‘meer’ of ‘binnenmeer’ betekent. In het Grieks wordt erèmia gebruikt voor een eenzame streek, een woest gebied.

Betekenis in context

Oude Testament

Woestheid bij de schepping

De eerste verzen van de Bijbel geven aan dat God de hemel en de aarde schiep. ‘De aarde nu was woest en ledig, en duisternis lag op de vloed’ (Gen. 1:1-2). Hier worden de Hebreeuwse woorden tohoe en bohoe gebruikt, evenals dat in Jeremia 4:23 en Jesaja 34:11 het geval is. Het eerste woord komt vaker voor, het meest in het boek Jesaja. In de Nederlandse bijbelvertalingen wordt bijna nooit het woord ‘chaos’ vertaald, maar de Willibrord heeft in Jesaja 34:11 ‘Het meetlint van de chaos heeft Hij er gespannen, het paslood van de verwoesting’. Hoewel het woord dus bijna afwezig is in onze bijbelvertalingen, zijn er velen die aannemen dat het begin van de schepping met het woord ‘chaos’ kan worden aangeduid. Ze wijzen op mythologieën van buurvolken, waar strijd gevoerd wordt tegen de chaosmachten. Diverse keren worden er in de Bijbel toespelingen gemaakt op die mythen waarin onder andere Rahab en Leviatan een rol spelen (bijv. Job 26:12-13; Ps. 74:14; 89:11 en Jes. 51:9). Met zulke toespelingen wordt Gods overwinning over vijanden, zoals de overwinning op Egypte, bezongen. Daarmee is echter nog geen bewijs geleverd dat dit ook in Genesis 1 het geval was. Ook het woord ‘vloed’, of ‘oervloed’ (tehom) in Genesis 1:2 biedt te weinig aanknopingspunten voor het aannemen van vijandige machten die verslagen moesten worden. In de teksten waarin de combinatie tohoe en bohoe nog meer voorkomt, blijkt dat eerder een staat van onbewoonbaarheid bedoeld is. In het begin van Genesis zal de uitdrukking betekenen: leeg, zonder plantengroei, onbebouwd. De aarde was bedekt met water en daarboven was een algehele duisternis; een complete leegheid en onherbergzaamheid wordt aangegeven. De aarde was nog ongeschikt voor bewoning. De beschrijving zelf staat in scherp contrast met de mythen van de buurvolken. De lezers en hoorders met kennis van opvattingen om hen heen moeten de grote verschillen zijn opgevallen. Volgens de zogenoemde restitutietheorie moeten we in Genesis 1:2 vertalen dat de aarde woest en leeg werd (in plaats van ‘was’). Na de goede schepping ontstond er chaos doordat een van de engelen in opstand kwam tegen God en tot satan werd. Als argument voor deze opvatting haalt men Jesaja 45:18 aan: ‘Hij is God – die de aarde geformeerd en haar gemaakt heeft, Hij heeft haar gegrondvest; niet tot een baaierd (tohoe) heeft Hij haar geschapen, maar ter bewoning heeft Hij haar geformeerd’. Toch blijkt ook hier de tegenstelling met ‘bewoond’ en wordt geen ‘chaos’ bedoeld (een woord dat trouwens niet in het Oude Testament voorkomt). Ook is de vertaling ‘werd’ in Genesis 1:2 niet aannemelijk. In Jesaja 45 bedoelt God dat het volk naar Hem zal luisteren en weer in Kanaän zal gaan wonen. De andere genoemde passages geven een waarschuwing: wanneer de volken ongehoorzaam zijn, kan al het opgebouwde vernietigd worden. De klok kan teruggedraaid worden naar Genesis 1:2. In deze beschrijving van de schepping is echter geen sprake van een oordeel, maar van een begintoestand. Net zoals een pottenbakker, wanneer hij een mooie vaas wil maken, eerst een klomp klei pakt en het op een pottenbakkerswiel plaatst om het te kneden, zoals hij het wil, zo maakte de Schepper eerst voor zichzelf het ruwe materiaal van het universum om het daarna te ordenen en leven te geven.

Woestheid

In Deuteronomium 32:10 geeft Mozes aan waar de oorsprong van Israël ligt: ‘Hij (= God) vond hem in een land van steppen, in eenwoest land van gehuil in de wildernis’. De wildernis en de woestheid worden gezien als een bedreiging. Het ronddolen erin staat gelijk met verloren gaan (Job 6:18; 12:24; Ps. 107:40). Verbanning naar zo’n oord is een straf. In het bovenstaande komt reeds naar voren dat God als oordeel woestheid kan veroorzaken. Zo kan een stad weer verwoest worden (Jes. 24:10) en de reeds aangehaalde tekst Jere-mia 4:23 geeft aan dat de aarde weer woest en ledig kan worden (zie: woestijn).

Zee in Genesis

Bij de schepping maakt God een verdeling tussen de wateren boven en onder het uitspansel (Gen. 1:6). De wateren onder de hemel vloeien samen naar één plaats, zodat er onderscheid komt tussen de zeeën en de aarde (Gen. 1:10). Door deze scheppingsdaden worden er perken gesteld aan de wateren. Slechts enkele hoofdstukken later berouwt het de Here dat Hij de mens gemaakt heeft en Hij besluit de mensheid met de aarde te verdelgen (Gen. 6:5-17). Hij brengt een vloed over de aarde die wij gewoonlijk de zondvloed noemen (van ‘sint’ = groot, dus: grote vloed; later geassocieerd met ‘zonde’), waarbij alle kolken van de grote waterdiepte openbreken en de sluizen van de hemel geopend worden (Gen. 7:11). Daarmee wordt het scheppingswerk voor een deel tenietgedaan. Daarna keert de scheiding tussen water en land weer terug en belooft God aan Noach dat Hij dit niet meer opnieuw doen zal (Gen. 9:11).

De ‘kolken van de grote waterdiepte’ en uitdrukkingen als ‘de wateren onder de aarde’ (Ex. 20:5) doen denken aan de voorstelling van een aarde die op het water drijft. Er zijn echter onvoldoende aanwijzingen om aan te nemen dat Israël zo’n afgerond wereldbeeld had. Het is moeilijk uit de verschillende vormen van beeldspraak van de diverse auteurs een duidelijke voorstelling te vormen. In Exodus 20:5 zal het water bedoeld zijn dat lager dan de aarde staat. Immers, men mocht geen afbeeldingen maken van dieren die men in het water kon zien (zoals in Egypte gebeurde).

In Genesis 19 wordt het oordeel over Sodom en Gomorra voltrokken; daardoor wordt het dal Siddim een deel van de Zoutzee (Gen. 14:3). Deze beide steden worden spreekwoordelijk voor verwoesting die is aangericht (Deut. 29:23; Jes. 1:9-10; 13:19; Jer. 49:18). De Dode Zee is de plaats waar geen leven meer mogelijk is (Ez. 47:8). In het Oude en het Nieuwe Testament wordt in terminologie meestal geen onderscheid gemaakt tussen de open ‘zee’ en een ‘meer’, omringd door land. Daarom kan de Dode Zee ook die naam dragen.

Macht van de zee

De zee is meer dan eens een macht die vijandig staat tegenover de mens (Jer. 51:42). In Job 7:12 is sprake van wachters tegen de zee en zeedieren. Daniël ziet een visioen waarin vier grote dieren opkomen die grote macht uitoefenen (Dan. 7; vgl. Op. 13:1); daarmee worden opeenvolgende koninkrijken bedoeld. Hoewel hun macht veel negatieve aspecten heeft, is daarmee de zee nog niet negatief geduid als de woonplaats van demonen. Jona beleefde zijn verblijf in een vis in de diepten van de zee als ‘de schoot van het dodenrijk’ (Jona 2:1); zijn leven werd bedreigd.

De zee kan zich verheffen en levensbedreigend zijn voor de mens, maar God in de hoge is krachtiger (Ps. 93). De zee heeft te vrezen voor de Here die de Leviatan, de snelle, kronkelende slang in de zee zal doden (Jes. 27:1). Hij heeft Rahab, de zeedraak, neergehouwen (Jes. 51:9; vgl. Ps. 74:13-14). Doordat de bijbelschrijvers zinspelen op mythen van de buur-volken, laten zij zien dat afgoden als Jam (de zee) en draken als Rahab en Leviatan het verliezen moeten van de Here. Dit soort toespelingen wordt meer dan eens verbonden met de verlossing van Israël uit Egypte. Toen gebruikte God de wateren voor zijn eigen doel. Hij maakte voor zijn volk een pad waarover ze naar de overkant konden lopen, maar toen de farao hetzelfde wilde doen, liet God de wateren terugstromen (Ex. 14-15; Ps. 78:13; 136:13-15). De Here is nabij, zelfs al wankelen de bergen in het hart van de zee en al bruisen haar wateren (Ps. 46:4). In moeilijke omstandigheden, als de gelovigen als het ware door het water moeten trekken en door het vuur gaan, klinkt de belofte van Gods nabijheid

(Jes. 43:2).

Zeevaart en visserij

Israël heeft waarschijnlijk zelf niet veel aan de zeevaart gedaan, mogelijk omdat de zee vaak als bedreigend beleefd werd, maar was er wel mee bekend (1 Kon. 9:26-27; Jona). In Psalm 107 zien de zeevaarders de werken van de Here. Hij doet een stormwind opsteken, maar op het gebed maakt Hij de storm tot een zacht suizen. Wanneer Hij hen leidt naar de haven van hun begeerte dienen zij Hem te loven (vss. 23-32).

Nieuwe Testament

In het Nieuwe Testament komen we de discipelen tegen als vissers op het Meer van Gen-nesaret. Ze verlaten hun beroep om Jezus te volgen. Toch varen ze daarna meer dan eens op dit meer. Enkele keren komen ze daarbij in groot gevaar, maar Jezus spreekt met macht tot de wind en de golven, zodat ze gaan liggen (Mar. 4:35-41). Jezus’ wandelen op de zee wordt ook wel uitgelegd als een overwinning over de demonische machten in het water, maar de context biedt hier te weinig aanknopingspunten voor (Mar. 6:45-52). Tijdgenoten zullen door deze daden echter zeker het besef hebben gekregen dat de machten (welke dat ook zijn) aan Hem onderworpen zijn.

God is de Schepper van de wereld die bestaat uit hemel, aarde en zee (Hand. 4:24). Het woord ‘chaos’ is van Griekse oorsprong en staat in tegenstelling tot kosmos, de geordende wereld.

Paulus maakt op een schip diverse reizen. Tijdens de tocht naar Rome komt het schip in een zware storm terecht, maar een engel maakt duidelijk dat alle opvarenden in leven zullen blijven, hoewel het schip zal vergaan (Hand. 27:23-24). Paulus vermeldt later dat hij driemaal schipbreuk heeft geleden en een etmaal heeft doorgebracht in volle zee (2 Kor. 11:25) als voorbeelden van de vele gevaren die hij heeft doorstaan.

Zee in het boek Openbaring

In het boek Openbaring staat in beeldrijke, apocalyptische taal dat in de toekomst een deel van het water van de zee in bloed zal veranderen (Op. 8:8), zoals dat bij de plagen in Egypte het geval was. Er komt een beest met tien horens en zeven koppen uit de zee op (13:1, beeld van de volkerenwereld); het volgende beest komt echter op vanuit de aarde (13:11). Johannes vermeldt verder: ‘En ik zag (iets) als een zee van glas met vuur vermengd, en de overwinnaars van het beest. staande aan de glazen zee, met de citers Gods’ (15:2). Dit brengt Israëls overwinning over de Egyptenaren in herinnering (Ex. 15). Nadat Babylon verwoest is, zoals een molensteen in de zee geworpen wordt (Op. 18:21), schept God een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Bij die beschrijving staat de korte mededeling ‘en de zee was niet meer’ (21:1). Deze bedreigende macht is overwonnen en zal niet meer bestaan. Voor de hoorders en lezers van de Openbaring is dit een heilsbelofte met een geweldig perspectief.

Kern

In de schepping vormt God de aarde: in het woeste en onbewoonbare schept Hij orde, zodat de aarde bewoonbaar wordt. Die aarde werd in een zondvloed weer overstroomd en ook door andere oordelen kunnen verwoestingen worden aangericht. Hoeveel ‘woestheid’ en ‘chaos’ er ook op deze wereld zijn, God is toch steeds de Machtige. Hetzelfde geldt voor de wateren en de machten waarover gesproken wordt. In Gods hoede zijn mensen veilig en zij behoeven niet bang te zijn voor de machten. In de huidige tijd en in de toekomst zijn er gerichten, maar er komt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: aarde, schepping, wereld, woestijn.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken