De boog in de wolken en de beproeving in de woestijn
Bij Genesis 9:8-17 en Marcus 1:12-15
In de oude kerk vormde de periode van de veertig dagen vóór Pasen een catechetisch traject voor de doopleerlingen die met Pasen in de geloofsgemeenschap opgenomen werden. Daarom ook presenteert de liturgie in deze periode enkele kernteksten uit het Oude en het Nieuwe Testament. Op deze eerste zondag van de Veertigdagen is dat voor de eerste lezing het verhaal over de boog in de wolken als teken van het verbond dat God sluit met Noach. In het klassieke leesrooster hebben de eerste twee zondagen elk jaar de evangelieverhalen over de verzoeking in de woestijn en vervolgens de verheerlijking op de berg. Het zijn de verschillen in de synoptische overlevering die daardoor bepalend zijn voor de ‘kleur’ op deze zondagen. Mooie bijkomstigheid natuurlijk dat in het evangelie voor deze eerste zondag ook echt sprake is van een periode van veertig dagen.
In Genesis 9,8-17 zet God het reeds in 6,18 voorzegde verbond met de mensheid feitelijk in gang; het Hebreeuwse berit komt daar voor het eerst in Genesis voor. Maar liefst zeven keer komt het in dit tekstgedeelte voor. Het eerste verbond dat God sluit, heeft een universeel karakter: het omvat alle levenden schepselen, maar heeft speciaal oog voor de mensenfamilie. De term ‘Noachitische geboden’ (Hebr.: mitswot benee Noach = ‘de geboden van de kinderen van Noach’) is ontleend aan dit gedeelte uit de geschiedenis van Noach. Deze zeven geboden zijn in zekere zin een constructie, want ze komen niet precies zo voor in de tekst. Na de grote vloed sluit God met Noach zo een verbond dat de gehele mensheid omvat. Dit vormt de achtergrond van het onderscheid dat in het Oude Testament gemaakt wordt tussen ‘de kinderen van Israël’ en ‘de kinderen van Noach’.
Verbondsteken
We lezen ook driemaal: ‘teken van het verbond’ (9,12.13.17). Dat teken is de regenboog, maar dát woord staat er dus niet! Het Frans geeft het fraai weer: L’arc en ciel. Het is werkelijk prachtig wat Willem Barnard over de boog schrijft in zijn magnum opus Stille Omgang (p. 56): ‘Het water is teruggedrongen, het licht neemt de overhand. De regenboog is daarvan een fysiek teken. Maar de aardigheid van hun verteltrant is nu juist, dat ze niet spreken van een fysiek teken en niet van een ‘regenboog’. Ze noemen dat woord niet. Het bestaat niet in hun taal. Ze spreken van ‘boog’, tout court. En dat is een wapen, een oorlogswerktuig, een teken van vijandschap. Maar de boog wordt aan de wolken gehangen. Er zal geen gebruik meer van worden gemaakt. Geen stichten van goddelijke agressie, geen flitsen van redeloze toorn, geen overval vanwege het ‘Koninkrijk der hemelen’. De strijdbijl wordt begraven, nee, de boog wordt ritueel opgehangen.’
Wanneer de boog aan de hemel verschijnt, zal God dat evenzeer zien als de mensen en ze zullen zich met elkaar verbonden weten. Het is de verbinding tussen hemel en aarde. De boog aan de hemel herinnert God aan Zijn belofte: nooit meer zo’n verwoestende watervloed!
Einde van het begin
De lezing uit Marcus vormt de afsluiting van het begin, de ‘installatie’. Hierna is Jezus gereed voor zijn missie. Hij is bij de lezer geïntroduceerd, afkomstig uit Galilea (1,9), wordt gedoopt in de Jordaan en keert na een periode van loutering en voorbereiding terug naar Galilea, om van daaruit te beginnen aan de uitvoering van zijn taak. Let in dit verband ook op de inclusie van het woord ‘evangelie’ (1,1a en 1,15b).
Vaart
Marcus is de evangelist van het euthus: ‘terstond’. Er zit ab ovo behoorlijk wat vaart in dit evangelie: in dit eerste hoofdstuk komt dit woord al elf keer voorbij! Er gebeurt dan ook meteen al heel wat. In het Marcusevangelie als geheel komt deze bijwoordelijke bepaling maar liefst 42 keer voor. Het gebruik van dit woord bevordert het tempo van lezen, want het lijkt wel alsof de verteller grote haast heeft om zijn verhaal te vertellen. In Marcus 16,8, waarschijnlijk het oorspronkelijke slotvers van het evangelie, eindigt het evangelie ook weer met grote haast: ‘En zij gingen naar buiten en vluchtten bij het graf vandaan’. In onze passage heeft het gebruik van dit woord mogelijk de functie om de krachtige werking van de Geest aan te geven. Jezus is nog maar nét gedoopt in de Jordaan, waarbij de Geest in de gedaante van een duif op Hem neerdaalde, of meteen daarna is deze Geest de drijvende kracht achter de verplaatsing naar de woestijn waar Jezus zich op zijn missie voorbereidt. Er staat zelfs dat de Geest Hem ‘uitwierp’ (ekballoo). Opmerkelijk! Dit woord wordt immers elders vaak gebruikt voor het uitdrijven van demonen.
L’histoire se répète
In tegenstelling tot Matteüs en Lucas gunt Marcus zich niet de tijd om uit te weiden over Jezus’ verblijf in de woestijn. Ook de afloop van de beproeving en de confrontatie met de satan blijft bij Marcus in nevelen gehuld. De vermelding van de periode van veertig dagen herinnert de lezer natuurlijk wel aan de woestijn waarin het oude Israël gedurende veertig jaar door God op de proef werd gesteld. Zo heeft ook Mozes de tocht door de woestijn geëvalueerd: ‘Denk aan de tocht die de HEER, uw God, u door de woestijn heeft laten maken, veertig jaar lang. Hij wilde u zijn macht laten voelen en u op de proef stellen, om te ontdekken wat er in uw hart leefde: gehoorzaamheid aan zijn geboden of niet’ (Deut. 8,2, NBV).
Een belangrijk verschil is natuurlijk, dat Jezus niet door God maar door de satan wordt beproefd. Hij is de uitééndrijver, de tweespalter, de evenwichtsverstoorder. De verzoeker die Jezus hier uittest, is degene die een wig probeert te drijven tussen God en zijn geliefde Zoon in wie Hij een welbehagen heeft (Mar. 1,11).