De boomstronk
Bij Jesaja 11:1-10, Psalm 72, Romeinen 15:4-13 en Matteüs 3:1-12
Verhaal
Midden in de woestijn staat een reusachtige boomstronk. Hoe heeft daar ooit een boom kunnen groeien? Misschien in oeroude tijden, toen er een rivier stroomde door de droge bedding?
Onder de enorme wortels zitten holen en gaten. Daarin schuilen levende wezens. Je kunt je gewoon niet voorstellen dat die daar bij elkaar wonen. Je hebt er bijvoorbeeld een koe en een beer, die wonen samen in één hol! Die koe is bang in het donker en durft niet te slapen. Maar met zo’n grote knuffelbeer in haar poten lukt dat prima. En haar kalf snapt nog niet hoe ze hooi moet eten. Maar de leeuw uit het hol ernaast weet dat wel en doet het voor: ‘Kijk, kalf, eerst met je tong een lusje maken om het plukje hooi, en dan hop naar binnen, zie je wel? Je kunt het!’
In één hol woont een schaap. Met haar dikke zachte vacht vult ze heel het hol, maar ze heeft genoeg van zichzelf. Op een dag komt er een eenzame wolf aanlopen uit de woestijn.
‘Kom maar hier, zwerver!’ roept ze. Met wat wringen past de wolf erbij in haar hol.
In een ander hol woont een kindje. Herdertje noemen ze hem. Maar eigenlijk passen de dieren op hém. Als hij uit de schaduw van het hol kruipt in de hete woestijnzon, trekken de adders hem gewoon weer terug in het koele hol en geven hem melk van de koe.
Een kameel woont in een hol met een volk bijen. Op een dag komt een uitgeputte magere blote man langs. De kameel zegt: ‘Hier heb je haren van mij.’ Van de bijen krijgt hij honing. Ze wuiven hem nog lang na: ‘Dag, rare sprinkhaan!’
Op dat moment begint er weer water te stromen door de bedding van de rivier. En dan spruit er een nieuw takje uit de oude boomstronk.
Vraag
Hoe zou dat komen, dat er opeens weer water door de droge bedding gaat stromen?