De compositie van een vrouw
Maria Magdalena, genoemd naar het plaatsje Magdala aan het meer van Gennesaret, is meer dan een enkele persoon. Door de eeuwen heen zijn in haar veel andere vrouwen, van aanstootgevend tot voorbeeldig, verenigd. Zij werd een compositie van bijbelse gegevens, buitenbijbelse verhalen, theologische wendingen en volksbelangen.
In de evangeliën wordt zij maar een paar keer met naam en toenaam genoemd. Zij was de vrouw die Jezus in Galilea diende, nadat ze door hem van zeven demonen was bevrijd (Lucas 8:2 / Marcus 16:9). Zij was het ook, die met andere vrouwen bij Jezus bleef tijdens zijn lijden, dood en begrafenis (Marcus 15:41), en ten slotte was zij ook, volgens Marcus en Johannes, de eerste getuige van het lege graf. Maar daarbij bleef het niet. De traditie heeft haar ook geïdentificeerd met Maria, de zuster van Marta en Lazarus (Johannes 11:2). En ten slotte zag men in haar ook de berouwvolle zondares: de naamloze vrouw die Jezus’ voeten heeft gezalfd bij het gastmaal dat Simon de farizeeër in Bethanië aanrichtte (Lucas 7:36-50).
De oosterse kerk heeft deze drie vroege Maria’s steeds als drie verschillende personen gezien, maar in de westerse kerk, en daarmee ook in de westerse kunst, zag men haar als een legendarische persoon. De legendevorming random haar begint al met deze identificaties (die ons zijn overgeleverd door Gregorius de Grote (paus van 590 tot 604) in zijn preken over Magdalena), maar is daarna opmerkelijk uitgebreid en nog niet gestopt.
Geschriften op haar naam
Maria heeft een ‘eigen’ evangelie, dat, als het al niet is geschreven door een vrouw, toch op z’n minst door een of meer vrouwen is geïnspireerd. In dit geschrift is zij niet alleen de zondares over wie de canonieke evangeliën spreken, maar ook de intieme vriendin van Jezus, de ‘ingewijde’ die zijn onderricht het meest diepzinnig heeft weergegeven. Zij is de vertrouwelinge van Jezus, zijn plaatsvervangster en exegete. Aan haar heeft Jezus woorden toevertrouwd die de andere leerlingen niet kennen. Naast haar evangelie zijn er twee andere geschriften aan haar toegeschreven: De vragen van Maria, genoemd door Epifanus (Panarion XXVI 8, 1 en 2) en De geboorte van Maria, waarvan een episode bekend is door dezelfde Epifanus. Als je alleen al de gegevens uit deze geschriften naast elkaar legt, denk je: wat een compositie, wat een persoon; exbezetene, volgelinge van Jezus en eerste getuige van de verrijzenis, apostola apostolorum!
Een oosterse legende laat Maria Magdalena Johannes de evangelist naar Efeze vergezellen, van waaruit haar lichaam later, in 899, naar Constantinopel zou zijn overgebracht. Zo echter niet in het Westen. Na de vroege identificatie van drie verschillende vrouwen in de evangeliën, groeiden de verhalen omtrent haar persoon uit tot een welhaast onontwarbare kluwen van berichten. Odo van Cluny (878942) toont ons de vita van Magdalena in aansluiting op de cluniacensische boeteprediking (Sermo in venerationem Sanctae Mariae Magdalenae), en in de Legenda aurea (het legendeboek van de Middeleeuwen bij uitstek) treffen we verschillende verhalen over haar aan, die, verzameld en op schrift gesteld door Jacobus de Voragine, zelf op hun beurt al een compilatie zijn van een duizendjarige legendarische ontwikkeling. Aangezien dit boek de laatste grote verzameling is van (veel) eerder ontstane gegevens, geef ik hieronder de berichten over Maria Magdalena in grote lijnen weer, waarbij het goed is te bedenken dat het titelwoord ‘legende’ hier niet de betekenis heeft die wij er tegenwoordig aan toekennen. In de Middeleeuwen ging het niet om zomaar wat vertellingen of fabuleuze verhalen, maar om dat wat gelezen moet worden legenda.

Uit de Legenda aurea
Na de moord op Stefanus werden de christenen uit Jeruzalem verdreven, en is Maria, volgens de overlevering, door de vervolgers met haar broer Lazarus, haar zuster Marta (en haar dienares Martilla), alsook met de Jezusleerlingen Maximinus en Cedonius op een schip zonder zeil of roer op zee gezet. Het schip kwam in de buurt van Marseille aan wal (Les Saintes Maries de la Mer), waar zij terstond het evangelie onder de daar aanwezige heidenen heeft verkondigd. Het verhaal wil dat dit op weerstand stuitte bij het kinderloze koningsechtpaar van die stad. Toen Maria op een nacht aan de echtelieden verscheen om hun dit verzet te verwijten, nodigden zij haar uit voor een bezoek. Bij dit bezoek beloofde Maria hun de geboorte van een kind. Toen voer de koning met de koningin, die erop had aangedrongen hem te vergezellen, naar Rome om bij Petrus de geldigheid van Maria’s verkondiging van het evangelie te controleren. Tijdens een storm werd het kind te vroeg geboren, en stierf de koningin. De zeelieden, bang ook zelf te gronde te gaan, stonden erop dat haar lijk in zee geworpen zou warden. De koning echter smeekte, wijzend op het kind, daarmee nog even te wachten, en kon zo voorkomen dat de dode moeder aan de golven zou warden prijsgegeven. Zij werd, met haar nog levende kind, achtergelaten op een klip. De reis werd voortgezet, en men bereikte Rome, waar Petrus, het hele verhaal gehoord hebbend, de koning antwoordde: ‘Wees niet bedroefd omdat je vrouw slaapt en dat jouw kind met haar rust, want de Heer heeft macht om te geven en te nemen’. Vervolgens nam Petrus de man mee naar Jeruzalem om hem alle plaatsen te tonen waar Jezus was geweest toen hij sprak, wonderen deed, gekruisigd is en ten hemel voer. Na twee jaar voer de koning huiswaarts, en kwam daarbij langs de klip waar hij zijn vrouw en kind had achtergelaten. En daar vond hij beiden, door tussenkomst van Maria Magdalena, levend en wel. Thuisgekomen ontvingen zij de heilige doop, verwoestten de afgodentempels, en bouwden er christelijke kerken voor in de plaats. Heel Marseille bekeerde zich tot Maria’s God. Lazarus werd er bisschop, Maximinus werd bisschop van AixenProvence, en Marta bekeerde Tarascon.
Hier wordt het verhaal vastgeknoopt aan een aanvankelijk ander verhaal. Maria Magdalena begeerde hemelse aanschouwing, en trok zich (in de Legenda na het hierboven vermelde) terug in de wildernis. Daar woonde zij, zonder herkend te warden, dertig jaar op een plaats die haar door engelenhanden was bereid. Zonder water, zonder bomen en gras, zodat zij gevoed moest worden met hemelse spijs. Iedere dag werd zij op de zeven gebedsuren door engelen omhoog gevoerd, en hoorde zij met haar lijfelijke oren het gezang van de hemelse heerscharen. Zo werd zij alle dagen gevoed zonder behoefte te hebben aan aardse spijs. Wanneer zij een keer bezocht wordt door een priester die ook als kluizenaar wilde leven, maakt zij zich bekend, en meldt zij hem ook dat zij spoedig van deze wereld zal scheiden. Ga daarom, zo zegt ze hem, naar de heilige Maximinus, en zeg hem dat hij op de eerstvolgende paasdag nog voor de vroegmis alleen in de kerk moet zijn – want daar zal hij mij vinden. En zo vond Maximinus haar ook, in zijn kerk, staande in een koor van engelen. Maria ontving uit zijn handen het lichaam en bloed van de Heer, waarna haar ziel ten hemel steeg.
Een andere versie vertelt dat de priester haar in haar cel vond, en haar zijn mantel gaf waarom zij vroeg (na dertig jaar had zij geen kleding meer). Zij sloeg deze mantel om, en ging met hem naar de kerk om het avondmaal tot zich te nemen, waarna zij biddend met uitgestrekte handen naast het altaar in vrede is ontslapen. Maximinus heeft haar heilige lijf met kostelijke reukwaren en met grote eer begraven. (Aan dit verhaal zijn haar naaktheid en haar weelderige haargroei – die de naaktheid moest bedekken – ontleend, een gegeven dat nog extra nadruk kreeg doordat het verhaal werd verbonden met de zevende eeuwse vita van Maria van Egypte, een prostituee die na haar bekering 47 jaar lang als kluizenaar ten oosten van de Jordaan geleefd zou hebben.)
In de Legenda lezen we vervolgens dat een zekere Gerardus, hertog van Bourgondië, ten tijde van Karel de Grote, in het jaar 769, het klooster in Vézelay stichtte en een monnik naar Aix zond om zo mogelijk relikwieën van de heilige Maria Magdalena naar Vezelay te brengen. De monnik vond de resten van Maria in de door heidenen volledig verwoeste stad, en nam ze mee naar zijn herberg. Daar verscheen Maria hem in diezelfde nacht, zeggend dat hij het werk waaraan hij was begonnen, ook moest voltooien. Zo kwamen haar resten in Vézelay waar tot op de dag van vandaag de Sainte Madeleine staat.
Met deze drie verhalen was Jakobus de Voragine in zijn Legenda echter nog niet klaar …
Kortere berichten
Een ridder die jaar in jaar uit Magdalena’s graf had bezocht, werd in een strijd gedood. Terwijl hij op de baar lag, werd hij beweend door zijn vrienden, die zich erover beklaagden dat Maria Magdalena hem zonder boetedoening of biecht had laten sterven. Daarop kwam de dode tot ieders verbazing plotseling overeind, en vroeg om een priester. Hij biechtte vol eerbied, ontving de heilige communie, en stierf in vrede.
Een schip vol mannen en vrouwen leed schipbreuk. Een zwangere vrouw, vrezend voor haar lot, riep met heel haar hart Maria Magdalena aan, en beloofde haar dat, als ze aan het gevaar zou ontkomen en een zoon zou baren, deze voor haar klooster zou zijn. En zie, meteen was daar een vrouw, aanzienlijk in kleding en van aangezicht; zij nam de zwangere vrouw op, en bracht haar veilig en wel aan wal, terwijl de anderen verdronken. Kort daarna baarde de vrouw een zoon, en vervulde zij trouw de belofte die zij had gedaan.
Sommigen beweren dat Maria Magdalena de bruid zou zijn geweest van Johannes de evangelist. Toen het bruiloftsfeest werd gevierd, riep de Heer Johannes tot zich, tot ongenoegen van Maria, die van haar bruidegom was beroofd. Zij maakte zich uit de voeten, en gaf zich over aan wellust. Omdat de roeping van Johannes echter niet de oorzaak mocht zijn van haar verdoemenis, bracht Christus haar met groot erbarmen tot boetedoening. (Opvallend is dat Iakobus de Voragine bij dit bericht aantekent dat hij het zelf voor vals en onbetamelijk houdt.)
Een blinde begaf zich op weg naar Vézelay om het graf van Maria te bezoeken. Toen de blinde er dicht bij was, riep hij met luide stem: ‘O heilige Maria Magdalena, was het mij maar gegeven ook jouw kerk te zien’. En zie. terstond werden zijn ogen geopend. Een man had zijn zonden op een blad geschreven, en dit onder het kleed van het Maria Magdalena-altaar gelegd, haar biddend dat zij hem zijn schulden zou vergeven. Toen hij, niet lang daarna, het blad weer weg wilde nemen, waren al zijn schulden daarop uitgewist.
Een andere man, gevangengezet vanwege geld dat hij iemand schuldig was, riep Maria Magdalena onophoudelijk aan om hulp. En zie, ‘s nachts verscheen hem een wondermooie vrouw die zijn ketenen verbrak, de deur openstootte, en hem zei te vluchten. En hij, ziende dat hij bevrijd was, vluchtte snel van daar.
Een Vlaamse clericus, Stefanus genaamd, was zozeer vervallen tot criminaliteit dat hij niet alleen al het kwade deed, maar ook van het goede niet wilde horen. Hij had evenwel groot respect voor Maria Magdalena, vastte op haar avond, en vierde haar naamdag. Toen hij eens haar graf bezocht, verscheen hem, terwijl hij half sliep, een mooie vrouw, maar met bedroefde ogen en door twee engelen ondersteund. Zij sprak tot hem: ‘O Stefanus, waarom vergeld jij met kwaad wat ik voor jou doe? Waarom word jij niet tot het goede bewogen door de innigheid van mijn gebed? Want weet, sinds het uur dat jij mijn aandacht hebt gewonnen, heb ik tot God voor jou gebeden. Daarom, maak je op en doe boete, en ik zal je niet verlaten totdat je met God zal zijn verzoend’. En meteen voelde de clericus zulk een genade in zich dat hij de wereld de wereld liet, in een klooster trad en een volkomen leven leidde. Toen hij stierf, zag men Maria Magdalena met engelen aan zijn baar staan. Ze nam zijn ziel als een witte duif van hem weg, en droeg die met lofgezang ten hemel.
Het feit dat Maria door de eeuwen heen zo ‘levend’ is gebleven, roept als vanzelf de vraag op naar het waarom van het ontstaan en de verbreiding van de legenden om haar heen
De hierboven weergegeven berichten uit de Legenda hebben geen enkele aanwijsbare bijbelse of historische grond, al is het opvallend dat er veel bijbelse echo’s in de verhalen over haar meeklinken. Gegevens uit Ruth, Jona en de brieven van Paulus zijn in de tekst van Jakobus zonder enige moeite aan te wijzen. Naast het bericht uit de Legenda aurea dat ons schetst hoe haar lichaam ooit naar Vézelay zou zijn overgebracht, is er ook een bericht dat vermeldt dat haar overblijfselen in 1279 in de crypte van Saint Maximin zouden zijn teruggevonden. Vervolgens zouden deze relieken uit het bezit van de hertog van Parma, in het begin van de negentiende eeuw overgebracht zijn naar Parijs, dat daarmee het merkwaardigste Magdalenamonument kreeg: de Madeleine, een pseudoklassieke tempel die enige jaren gewijd is geweest aan de verheerlijking van Napoleon.
Het feit dat Maria door de eeuwen heen zo ‘levend’ is gebleven, roept als vanzelf de vraag op naar het waarom van het ontstaan en de verbreiding van de legenden om haar heen. Soms is het gemakkelijker op de tweede vraag een antwoord te geven dan op de eerste. Zo is de grote verbreiding van de legenden onder meer te danken aan Karel van Anjou, die eerst de Provence en vervolgens zijn hele koninkrijk onder haar bescherming stelde. De vraag waarom er zo veel legenden om haar persoon zijn ontstaan, is moeilijker te beantwoorden, aangezien de kerkelijke of maatschappelijke aanleiding ertoe door de tijden heen nogal kon wisselen. Aanvankelijk zal men zeker gevochten hebben met het gegeven dat Jezus na zijn dood niet allereerst verscheen aan zijn moeder, noch aan Petrus, die de toezegging had gehad dat de kerk op hem gebouwd zou worden, en ook niet aan Johannes, die de meest geliefde leerling wordt genoemd, maar uitgerekend aan Maria Magdalena, de boetvaardige zondares! Daarmee had ze een prominente plaats in het vroegste christendom, getuige de eretitel die haar vanouds al toekwam: apostola apostolorum. De gevestigde kerk ontwikkelde evenwel al snel een vrouwvijandige houding, en omdat Maria niet volledig uit de geschiedenis gegumd kon worden, kwam de nadruk als vanzelf op haar bezetenheid en haar zonden te liggen. Zij was dienstbaar als een afschrikwekkend slechte vrouw die een voorbeeldige boetvaardige werd.
Vanaf de Middeleeuwen en in het bijzonder vanaf de Contrareformatie, toen de kerk de devotie van de sacramenten, waaronder vooral de biecht, begon te cultiveren, werd Maria Magdalena het voorbeeld van de boetvaardige in de christelijke kunst. In dat licht verbaast het ook niet dat de compositie van haar persoon in de late Middeleeuwen nog een uitbreiding kreeg: zij zou ook de vrouw zijn die vijf mannen had gehad voordat zij Jezus ontmoette (Johannes 4). In de zestiende eeuw werd haar populariteit aanwijsbaar vergroot door het mysteriespel over Jezus’ lijden, waarin zij een grote rol speelt. Zo werd Maria gaandeweg een van de populairste heiligen. Nadat zij eenmaal in een bijzonder kerkelijk licht was gezet (dat op zichzelf al niet eenduidig was), bleek de verhalenstroom om haar heen alleen maar toe te nemen en niet meer te stoppen, noch door de theologie, noch door de wetenschap. Ook door ‘de gewone man’ is zij in de armen gesloten, juist omdat ze voor velen zo herkenbaar bleek. Zo werd zij onder meer de patrones van hoveniers, gevangenen, prostituees, parfumeurs en kappers.
Nog altijd is de compositie van deze vrouw overigens niet ten einde. In onze dagen wordt haar betekenis in feministisch perspectief benadrukt, en blijkt haar persoon, getuige de roman van Marianne Frederiksson (1997), nóg aanleiding te geven tot nieuwe verhalenweefsels met oude stof.
Literatuur
Jacques de Voragine, La Légende Dorée, Flammarion, Parijs 1967, deel 1, 456466
– Die Legenda des Jacobus de Voragine, Gütersloh 199913, 362370
Gerard van Broekhuizen is theoloog en kunstenaar. Hij is sinds het begin van Schrift betrokken geweest als redactielid, beeldredacteur en auteur.
Eerder gepubliceerd in Schrift 205 (2003), 23-26