De geloofsgemeenschap centraal: verdiensten en vragen
Een kritische beschouwing van de theologische positie van Luco van den Brom[1]
Analyse van geloofspraktijken
Wie kennismaakt met de wijze waarop Van den Brom theologie bedrijft, valt meteen op dat hij een analytisch denker is. Hij luistert gedetailleerd naar wat mensen zeggen en leest gedetailleerd wat zij schrijven. Hij hanteert het fileermes om geloofsuitspraken en theologische argumentaties beetje bij beetje te ontleden en uiteen te leggen in kleine porties, om vervolgens haarscherp te kunnen aanwijzen waar de crux zit. Die zelfde zorgvuldigheid vinden we terug in zijn eigen formuleringen en argumentaties.
Het tweede wat opvalt in de theologiebeoefening van Van den Brom is dat hij altijd zijn vertrekpunt kiest in de religieuze praktijk. Theologie is niet een academisch tijdverdrijf of een woordenspel van geleerden, dat slechts zijdelings betrokken is bij het leven van religieuze mensen; theologie is principieel en onlosmakelijk verbonden met de praktijk van alledag, waarin religie wordt beoefend en mensen religieus zijn. Theologie is van geen betekenis als zij niet onlosmakelijk verbonden is met datgene wat er gebeurt onder de mensen. De vraag die Van den Brom daarbij stelt, is: wat zijn die mensen eigenlijk aan het doen? En wat zeggen ze erover?
De onlosmakelijke band tussen theologie en de religieuze praktijk is voor Van den Broms leerlingen een aantrekkelijk aspect van de wijze waarop hij theologie bedrijft. Zo komen op de bijeenkomsten van de Spiegelkring[2] ingewikkelde theologische problemen op tafel, maar ook zijn de ontwikkelingen in de protestantse kerk en onze lotgevallen als predikant aan de orde. Het is een grote verdienste van Van den Brom dat hij helder en soepel het verband tussen beide weet te leggen.
Theologie en de geloofsgemeenschap
In de theologie van Van den Brom is de geloofsgemeenschap de plaats waar het allemaal gebeurt. In een gemeenschap van gelovige mensen speelt religie zich af, of liever, spelen mensen het spel van het geloof. Gelovigen delen daar met elkaar de ervaring van wie of wat God is. Maar geloven is nadrukkelijk meer dan dat: gelovige mensen geven hun leven vorm vanuit die ervaring en richten hun leven daarnaar in. In de geloofsgemeenschap beluisteren mensen gezamenlijk de Schriften en stellen zich de vraag welke levensoriëntatie daarin valt te bespeuren. Zo kunnen zij vorm geven aan het geloof in Jezus Christus en het gestalte geven in het dagelijks leven. Van den Brom noemt dat, met een term die hij aan Wittgenstein ontleent, de levensvorm van het christelijk geloof.[3]
In de geloofsgemeenschap speelt geloofstaal een cruciale rol. Mensen praten met elkaar over God en brengen hun geloofservaringen onder woorden. De taal die zij daarbij spreken, hebben ze niet van zichzelf; ze ontlenen die aan de gemeenschap waarin ze staan: in de geloofsgemeenschap krijgen mensen geloofstaal aangereikt die hen in staat stelt om zichzelf in deze wereld te begrijpen ten overstaan van de God van Jezus Christus. De geloofsgemeenschap op haar beurt geloofstaal ontlenen aan de bijbel; de Heilige Schrift verschaft teksten die geschikt zijn om deze taal in ons leven te leren hanteren.[4] Deel uitmaken van een geloofsgemeenschap men daarom opvatten als een leerproces. Men leert een manier van doen aan, en daarbij leert men ook de taal spreken die daarbij hoort.
Wittgenstein leerde ons dat de taal is ingebed in een specifieke levensvorm, die gereguleerd wordt door regels die bepalen wat er zinvol gezegd worden. Deze regels zijn niet expliciet. We kunnen ze traceren in de wijze waarop de taal wordt gebruikt.[5] Op een vergelijkbare manier vat Van den Brom de christelijke levensvorm op, en de wijze waarop geloofstaal daarin functioneert. Geloofstaal wordt gereguleerd door regels die bepalen hoe men een woord zinvol kunt gebruiken. Geloofstaal is iets anders dan dagelijkse taal en zij heeft dan ook haar eigen regels voor wat geldt als waar en zinvol. In een geloofsgemeenschap zeggen en doen wij dingen die buiten de context van het geloof geen enkele betekenis hebben. Pas wanneer we er naar luisteren en kijken met de oren en ogen van een gelovige, kunnen we begrijpen wat er gebeurt. Daarbij geldt dat de handelingen waarop de taal betrekking heeft, betekenisbepalend zijn.[6] Een voorbeeld: wanneer ik in de kerk het Heilig Avondmaal vier met mijn gemeente en daarbij de uitdelingswoorden uitspreek, dan doe ik iets wat alleen binnen de geloofsgemeenschap betekenis heeft. Die betekenis blijkt uiteindelijk uit de handelingen die wij met elkaar verrichten. Als iemand die het religieuze spel niet beheerst ernaar zou kijken, dan hij denken, waar zijn die mensen nou toch mee bezig? Pas wanneer hij mee gaat doen met de handelingen, en de taal leert spreken die daarbij hoort, zal hij leren waar het om gaat.
De opvatting van Van den Brom dat religie een levensvorm is, heeft een belangrijke consequentie voor de wijze waarop we religie en religieuze mensen kunnen begrijpen. Wanneer men wil weten wat de christelijke levensvorm behelst, dient men de aandacht te richten op de geloofsgemeenschap, haar praktijken en de taal die zij daarbij spreekt. Van den Brom vat dat samen in de stelling ‘Zeg mij hoe de kerk leeft en haar geloof praktiseert voor Gods aangezicht, en ik zal zeggen hoe zij van God spreekt.’ In deze stelling zien we duidelijk dat bij Van den Brom de praktijk het primaat heeft bij het beschrijven en analyseren van het christelijk geloof.[7]
De geloofsgemeenschap en de traditie
Eerder merkten we op dat een geloofsgemeenschap een lerende gemeenschap is: mensen leren de christelijke levensvorm aan. Nu is het volgens Van den Brom niet zo, dat gelovigen enkel passief participeren in een geloofsgemeenschap en slechts herhalen wat hun in het verleden is voorgezegd en voorgedaan. Weliswaar is in de kerk een schat aan taal te beluisteren waaruit mensen putten, en ook een schat aan manieren van doen te vinden die voor mensen betekenisvol kunnen zijn. Maar gelovigen herhalen niet alleen maar wat het voorgeslacht heeft overgeleverd.
Dat hangt samen met Van den Broms opvatting van het karakter van datgene wat mensen kunnen weten over God. Omdat gelovigen niet van buitenaf naar zichzelf en naar God kunnen kijken, spreken zij niet over God in objectieve termen en realistische objecttaal. Integendeel: ‘zij verhalen dat God hen persoonlijk aangaat, dat God hen wat doet, hoe zij zichzelf geïnvolveerd weten in zijn handelen, en hoe hun leven in het licht van Gods scheppingsdaad als nieuw verschijnt’. In de levensvorm van het christelijk geloof is spreken over God daarom tegelijkertijd spreken over zichzelf. Van den Brom noemt dit ‘relationeel spreken’.[8]
Van den Broms relationele benadering van religieus spreken werpt een nieuw licht op het karakter van een geloofstraditie, en is voor mij persoonlijk belangrijk om de dynamiek in een geloofstraditie te verstaan. Het idee namelijk, dat geloofsuitspraken verbonden zijn met de mensen die ze doen, verlost ons van het misverstand, als zouden geloofswaarheden ontwijfelbare waarheden zijn, die wij van generatie op generatie moeten doorgeven. Zo werkt dat helemaal niet met geloofsuitspraken. Elke generatie gelovigen leeft in een andere tijd, in een andere wereld. Mensen staan anders in het leven dan de generatie die hun voorging. Daarom zullen gelovigen telkens opnieuw, vanuit hun plaats in het leven en in de wereld, formuleren wat geloof voor hen betekent, en wie God voor hen is. Dat betekent dat de christelijke traditie in de loop van de eeuwen voortdurend van kleur verschiet. Of eigenlijk, zij wordt steeds kleurrijker. Het gegeven dat iedere generatie opnieuw haar eigen wijze inbrengt hoe zij haar ervaring van God verwoordt en verwerkt helpt ons om de dynamiek van een religieuze traditie te verstaan: als een stroom van ervaringen met daaraan verbonden betekenissen, die steeds aanzwelt.
De opvatting dat het in de christelijke levensvorm gaat om relationeel spreken over God, verlost ons van de heilloze gedachte dat een dogma een soort vastgeroeste geloofswaarheid is, die gelovigen van generatie op generatie na dienen te zeggen, zonder dat zij daarbij vragen mogen stellen. Van den Brom vat een dogma op als niets meer (en overigens ook niets minder) dan een spreekregel: het functioneert als een richtingwijzer bij ons spreken over God. Zo vertelt het dogma van de triniteit over de wijze waarover we over God moeten spreken, namelijk met drie woorden. Deze richtingwijzer, die men ook opvatten als een baken, te allen tijde opnieuw worden geïnterpreteerd, en ook het dogma als richtingwijzer ter discussie worden gesteld.[9] Dat moet zelfs, anders wordt het dode letter. Als het goed is, wordt een dogma in andere tijden, in andere omstandigheden, opnieuw bekeken en doordacht om te zien of en hoe het in de wereld van vandaag, voor gelovigen van vandaag, opnieuw betekenis krijgen.
Het eigen karakter van de christelijke traditie
Het zal geen nieuws zijn, dat de christelijke kerk zichzelf op dit moment ernstig de vraag stelt hoe zij in de geseculariseerde westerse wereld voor de mensen nog een rol van betekenis spelen. Ook in de Protestantse Kerk in wordt veel gesproken over de kwestie van de kerkverlating. Zowel in plaatselijke gemeentes als op het niveau van de synode vragen mensen zich af hoe zij de mensen die de kerk hebben verlaten, weer kunnen aanspreken. Vaak hoor ik in discussies over dit onderwerp dat er nadrukkelijk gezocht wordt naar aansluiting bij de geseculariseerde cultuur. De vragen die gesteld worden zijn: wat willen de mensen buiten de kerk en wat zoeken zij? Waarin zijn zij geïnteresseerd en hoe de kerk daarbij aansluiten? Deze manier van denken valt bijvoorbeeld te beluisteren in de missionaire rondes van de PKN, die in het seizoen 2011-2012 voor de tweede maal gemaakt worden. De leidende vraag daarin is hoe wij kunnen aansluiten bij de belevingswereld van de mensen. Ook een typisch voorbeeld van deze manier van denken was de opvoering van The Passion, een hervertelling van het lijdensverhaal aan de hand van Nederlandse popsongs, verbeeld en gezongen in een ‘muzikaal mega-evenement’ op de markt in Gouda, Pasen 2011.
Uiteraard is het goed om grondig kennis te hebben van de cultuur waarin het christendom geleefd wordt. Wil de kerk betekenis hebben in deze tijd, in dit land, dan zal zij met twee voeten moeten staan in de cultuur van vandaag, en de taal van die cultuur moeten spreken. Als mensen in de kerk de taal van de geseculariseerde cultuur niet spreken, worden zij onverstaanbaar en verliest de kerk haar relevantie en geloofwaardigheid. Wat ik echter in de discussie op de achtergrond zie raken, is kennis van, en waardering voor de eigen traditie en voor alles wat de christelijke traditie heeft voortgebracht. Van den Broms stelling dat het bij geloven gaat om een specifieke levensvorm die haar eigen regels heeft voor wat geldig en zinvol is, betekent dat de inhoud van het christelijk geloof maar ten dele is uit te drukken in de taal en de praktijk van een geseculariseerde samenleving.
terug te komen op de uitvoering van The Passion: het lijdensverhaal is indrukwekkend en heeft een tijdloze zeggingskracht. De eigen traditie brengt reeds twintig eeuwen tekst, muziek en rituelen voort om het verhaal tot klinken te brengen. Het is een goede zaak dat er gewerkt wordt aan een hedendaagse verklanking van het verhaal. Maar wat heeft het precies voor zin om het lied ‘Geef mij nu je angst’ ten gehore te brengen rond het moment van de dood van Jezus? Het lied is afkomstig uit een geheel andere context dan het lijdensverhaal en de tekst ervan gaat over geheel andere dingen dan het lijden van Christus, oftewel, het lied spreekt zijn eigen taal. De muziek van het lied zal mensen wellicht aanspreken, maar wat draagt het precies bij aan het verhelderen en het beleven van het lijdensverhaal? Welke aspecten van het lijdensverhaal worden ermee verduidelijkt?
Van den Broms benadering van religie als een Christelijke levensvorm wijst ons erop dat religie haar eigen kracht, haar eigen taal, haar eigen muziek en haar eigen rituelen heeft, dat zij een geheel eigen wijze biedt om dit leven zinvol te leven. Het is de kunst om die eigen kracht van religie boven water te krijgen en het houden. Daarbij moet alles wat de Christelijke traditie heeft voortgebracht niet worden weggezet als vastgeroeste waarheid of ouderwetse taal. Dat getuigt van onbegrip van wat geloofstraditie is. De traditie moet voortgedragen worden, en wij mogen dat doen. Daar horen taal en muziek bij die enerzijds aansluiten bij de beleving van mensen van vandaag, maar anderzijds recht doen aan de inhoud van de traditie. Daarbij kunnen mensen hun plaats zoeken in de veelkleurigheid die de traditie biedt.
Door een traditie te beschouwen als een veelkleurig en dynamisch geheel van taal en praktijken, waarmee mensen door de eeuwen heen hun ervaringen van God verwoorden en verwerken men de dynamiek en de breedte van ervan begrijpen. Een dergelijke opvatting van een religieuze traditie heeft echter ook problematische aspecten. Daarmee kom ik bij de aspecten in het theologisch denken van Van den Brom die naar mijn indruk om een nadere uitwerking vragen.
Open vragen
Wanneer men stelt dat een religieuze traditie dynamisch en veelkleurig is, dan wekt men gemakkelijk de indruk dat in een religieuze traditie alles , of in elk geval, bijna alles. Persoonlijk denk ik dat dat niet zo is. Het niet zo zijn dat alles wat er in een geloofstraditie wordt beweerd, even goed, even waar en waardevol is. Niet alles wat mensen over God beweren, is goed, en de moeite waard om door te geven. Niet elke wijze waarop mensen menen het christelijk geloof gestalte te moeten geven in hun leven, deugt. Maar hoe maken wij het onderscheid, oftewel: waar ligt de normativiteit?
Als de geloofsgemeenschap de plaats is waar religie zich afspeelt, dan is duidelijk dat ook normativiteit in de geloofsgemeenschap te vinden zal zijn. Normen voor wat goed is en waar, voor wat op geldige wijze gezegd worden over God, of in wittgensteiniaanse termen, de regels waarlangs het religieuze spel gespeeld wordt zijn te vinden in de geloofsgemeenschap onder gelovigen. Ze zijn overigens lang niet altijd expliciet te vinden; vaker vindt men normativiteit terug in de wijze waarop gelovige mensen leven. Maar hoe dan ook, normativiteit is te vinden, impliciet dan wel expliciet, in de geloofsgemeenschap.
Mijn eerste vraag aan Van den Brom betreft de grenzen van de geloofsgemeenschap. Van den Brom spreekt veel en graag over de kerk als de plaats waar de geloofsgemeenschap haar brandpunt heeft. Men zich echter afvragen wat dat vandaag de dag betekent. Nog niet zo heel lang geleden waren mensen lid van een kerk, of niet. Tegenwoordig is dat anders; soms zijn mensen wel lid maar ‘doen er niets aan’, sommige mensen gaan van de ene naar de andere kerkelijke gemeente of voelen zich verbonden met meer dan één traditie, kortom, mensen maken individuele keuzes en scheppen zichzelf een kader waarmee zij hun leven betekenis geven. Daarmee zijn, lijkt mij, de grenzen van de geloofsgemeenschap heel vloeibaar geworden. Ik vraag mij af hoe we vandaag de dag een geloofsgemeenschap kunnen opvatten, en waar haar grenzen liggen.
Het antwoord op die vraag is van belang voor mijn tweede vraag, naar de plaats van de normativiteit. Wanneer de geloofsgemeenschap de drager is van de normativiteit in een traditie, welke leden van die gemeenschap spelen daarin dan een rol? Zijn het theologen? Dat lijkt me niet, omdat zij niet een soort beroepsgelovigen zijn, maar mensen die analyseren en verhelderen. Persoonlijk zou ik zeggen: het zijn de gelovigen die deel uitmaken van de geloofsgemeenschap. Dan worden we echter geconfronteerd met het probleem dat ik hierboven al schetste: mensen maken steeds meer individuele keuzes en beschouwen zichzelf steeds minder als deel van het grote geheel. Blijft de vraag: wie bepaalt wat er in een geloofstraditie geldt als waar en goed, wanneer de grenzen van die traditie vervagen, en mensen steeds meer als individuen in die traditie staan?
Besluit
Ik ben benieuwd naar de wijze waarop Van den Brom tegen deze vragen aankijkt. Ik ben dat des te meer omdat ik denk dat zijn wijze van theologie bedrijven, die ook een beetje die van mij is geworden, licht werpt op de situatie van kerk en christendom vandaag de dag, en openingen biedt om verder te denken.