De gruwel der verwoesting en de Mensenzoon
Bij Sefanja 1,14-2,3 en Marcus 13,14-27
In 63 v.Chr. maakte de Romeinse generaal Pompeius een einde aan de Hasmonese dynastie, die vanaf 167 v.Chr. over Judea had geregeerd als relatief zelfstandige Joodse staat. Hij nam Jeruzalem in en Judea werd een vazalstaat van Rome. In 37 v.Chr. kwam ene Herodes aan de macht en vestigde de dynastie van de Herodianen, een van oorsprong Idumees koningsgeslacht, dat standhield tot aan het eind van de eerste eeuw n.Chr. De Herodianen waren vazalvorsten van Rome.
In 66 n.Chr. brak de Joodse opstand uit. Aanleidingen daartoe waren er genoeg: het plan van de waanzinnige keizer Caligula om in de tempel van Jeruzalem een metershoog beeld van hemzelf te zijner verering op te richten, alsmede zijn roof in 66 van de door de Joden voor het onderhoud van de tempeldienst opgebrachte tempelbelasting. Daarnaast werden de Joden door de belastingen uitgeknepen en kwam het bij de inning daarvan vaak tot gewelddadige taferelen. Tot plaatsing van het beeld kwam het overigens niet, omdat Caligula in 41 n.Chr. werd vermoord. Hij werd opgevolgd door Claudius.
De Joodse oorlog
De Joodse opstand duurde tot het jaar 70. Toen nam Titus – zoon van Vespasianus, die van 66 tot 68 de Romeinse troepen aanvoerde maar in 69 n.Chr. tot keizer werd uitgeroepen – Jeruzalem in. Op 29 en 30 augustus werden stad en tempel verwoest en platgebrand. De Romeinen slachtten hele families af, zeker wanneer deze ervan verdacht werden af te stammen van het huis van koning David. De Joodse oorlog kostte door uithongering en oorlogsgeweld naar schatting 1,3 miljoen Joden het leven. Overlevenden werden verhandeld op slavenmarkten in het Midden-Oosten. Het laatste verzet vond plaats in Massada bij de Dode Zee. Deze burcht werd ingenomen in 73. Volgens de overlevering pleegden allen die daar waren zelfmoord.
De verwoesting van de tempel bij Marcus
Er bestaat vrij grote overeenstemming over de datering van Marcus na het jaar 70. De tekst van Marcus 13 ziet terug op de hierboven aangeduide historische situatie en met name op de verwoesting van Jeruzalem en de tempel. In de context van het evangelie was de tempel zelf reeds een gruwel van verwoesting geworden, omdat het van bedehuis ontaard was tot rovershol. Die ontaarding betekende reeds de facto de verwoesting van de eredienst. De daadwerkelijke fysieke verwoesting van de tempel was dan ook niet meer dan een bezegeling daarvan.
In Marcus 13 treffen we een andere Bergrede aan dan die van Matteüs 5. Bij Marcus zet Jezus zich neer op de Olijfberg, tegenover de tempel, en spreekt hij zijn vier leerlingen van het eerste uur toe. Deze rede is een interpretatie achteraf van de verwoesting van de tempel en daarmee ook van het einde van het tot dan toe bestaande jodendom, waarvan de tempeldienst het middelpunt was. Deze interpretatie is tegelijkertijd een legitimering van de volgelingen van Jezus als ‘erfgenamen van de belofte’ (Paulus). Naast discontinuïteit is er dus ook continuïteit.
De erfgenamen rond de Mensenzoon
Nu de tempel niet meer het middelpunt kan zijn, worden de erfgenamen van de belofte (de uitverkorenen – Marcus 13,22.27) uit de vier windstreken, van het uiterste der aarde tot het uiterste des hemels verzameld rond de Mensenzoon. Deze erfgenamen zijn dus zowel Joden als heidenen. Voor hen is er geen geografisch middelpunt meer; hun middelpunt is Christus, de Mensenzoon. Gedoeld wordt op de eerste voorzichtige aanzetten tot gemeentevorming. Deze gemeenten konden bestaan uit Joden en niet-Joden die volgelingen van Jezus waren. In Rome, mogelijk de plaats waar de eerste lezers van Marcus zich bevonden, waren blijkens het slot van de Romeinenbrief één Joodse gemeente en twee gemeenten van niet-Joden te vinden.
Overigens is na de verwoesting van de tempel ook het synagogale jodendom bewaard gebleven. De vroege kerkgeschiedenis staat bol van de conflicten en controversen die dat heeft opgeleverd. In feite is deze controverse hét onderwerp van de brieven van Paulus: in Christus is Jood noch Griek.
Na de grote verdrukking
Over de ‘gruwel der verwoesting’ (Marcus 13,14) zie Daniël 9,27; Daniël 11,31 en Daniël 12,1. Marcus 13,14-21 geeft een realistische beschrijving van de verschrikkingen van de Joodse oorlog, maar ook van het hardvochtige regime vanaf het begin van de jaartelling van de Herodianen, getuige Lucas 2. Wanneer de nood hoog is, zijn pseudo-redders altijd nabij (Marcus 13,22-23). Een gewaarschuwd mens telt voor twee.
Voor Marcus 13,24-25: zie Jesaja 13,10 en Jesaja 34,4; maar wat beluisterden niet-Joodse en wellicht ook Joodse lezers van het evangelie in deze passage? Zon, maan, sterren en planeten waren in de antieke cultuur goddelijke gestalten. Op veel Romeinse munten staan op de voor- en achterkant (gesymboliseerde) afbeeldingen van de zonnegod Sol en de maangodin Luna. De planeten droegen godennamen: Jupiter, Mars, Venus, enzovoort. De eerste Romeinse lezers van Marcus hebben, voordat zij christen werden, deze goden zelf nog vereerd. Nero liet zich in zijn paleis als zonnegod vereren bij een dertig meter hoog bronzen beeld van zichzelf. Deze hele vanuit het perspectief van Marcus pseudoreligieuze santenkraam gaat naar de kelder; en dan zullen de uitverkorenen, de Joodse en niet-Joodse volgelingen van Jezus, de Mensenzoon – de zonne der gerechtigheid – zien komen (Marcus 13,26-27).
Hoe hierover te preken op de laatste zondag van het kerkelijk jaar? Als het gaat over oordeel (Sefanja): alle religiositeit die de Mensenzoon niet als begin en eindpunt en als centrum heeft, is geoordeeld, is futiel. Het enige wat ertoe doet is de navolging van Christus, en die is niet aan enige vaste plaats gebonden. Deze navolging ontspringt niet aan de tempeldienst, maar aan de prediking: ‘Want ik had niet besloten iets te weten onder u, dan Jezus Christus en die gekruisigd’ (1 Kor. 2,2).
Literatuur:
Karel Hanhart, De tragedie voorbij, Vught 2013.
Egbert Rooze, Marcus als tegenevangelie, Vught 2012.
Bij Sefanja 1:14-2,3 en Marcus 13:14-27