Menu

Premium

‘De Heer redt’

8e Kerstdag, Naamgeving (Numeri 6:22-27, Handelingen 4:8-12 en Lucas 2:21)

Het is nieuwjaarsdag, dus ook van mijn kant: de beste wensen voor het nieuwe jaar! Dat dit jaar een beter jaar mag worden dan het afgelopen jaar, dat gekenmerkt werd door de coronapandemie. Kerkelijk gezien is nieuwjaarsdag niet meer dan een dag waarop de nieuwe kalenders worden opgehangen. Maar het is ook de achtste dag na de geboorte van Jezus Christus. De dag waarop we erbij stilstaan dat Jezus volgens de traditie als joodse jongetjesbaby besneden werd, en zijn naam publiekelijk bekendgemaakt werd.

De lezingen op deze dag hebben een duidelijk thema: naamgeving. ‘Het beestje moet een naam hebben’ is echter niet bepaald de inzet van de gekozen schriftlezingen. Een naam, en zeker deze naam, is veel meer: die is zwanger van betekenis en verwachting. Deze naam is identiteit, hij zegent, geneest, hij is macht. In de naam van Jezus uit Nazaret gaat Gods hele wezen schuil. De naamgeving is dus ook een belangrijk moment waarop al deze aspecten samenvallen.

‘Zij zullen mijn naam op de kinderen Israëls leggen’

In Numeri 6:24-26 lezen we de bekende tekst van de ‘aäronitische zegen’. Deze benaming slaat op degenen die in 6:23 de opdracht tot deze zegen krijgen: Aäron en zijn zonen. De ‘zegen’ (Hebr.: berakhah) sluit af en wijst vooruit, en vormt zo een overgangsmoment dat mooi past in deze tijd van bezinning tussen Oud en Nieuw. Ze vormt in Numeri de overgang tussen een serie cultische geboden rondom het nazireeërschap en de afronding van de bouw van de tabernakel. De inleidende formule: ‘En de Heer sprak tot Mozes en zei’ sluit aan bij de cultische instructies rond het nazireeërschap. Dit is een speciale ‘wijding’ (van Hebr.: nazar = [nif.] zich wijden, zich apart stellen, zich onthouden) die iemand voor een bepaalde periode op zich neemt om een belofte in te lossen. In de periode van nazireeërschap mag de gewijde geen wijn drinken, noch iets eten of drinken dat van de druif komt. De nazireeër is dus niet te verwarren met een Nazarener, waarmee iemand uit Nazaret wordt bedoeld.

Het vers waar het echter op deze dag van de naamgeving specifiek om gaat, is 6:27: ‘Als zij mijn naam over het volk uitspreken, zal Ik de Israëlieten zegenen.’ Wat hier in de vertaling natuurlijk wegvalt, is de rijm van het Hebreeuwse werkwoord sim (sin jod mem = ‘zetten’, ‘leggen’, ‘plaatsen’) en het zelfstandig naamwoord sjem (sjin mem = ‘naam’). De Statenvertaling luidt: ‘Alzo zullen zij Mijn Naam (op de kinderen Israëls) leggen (; en Ik zal hen zegenen).’ In het Hebreeuws: we-samoe ’èt-sjemi.

Na de zegen volgt een narratieve perikoop, waarin de bouw van de tabernakel wordt afgerond. Mozes ‘heiligt’ (Hebr.: qadasj) de tabernakel, het altaar en het altaargerei. Dit heiligen is dus iets anders dan het nazar van de nazireeërs. Maar in beide soorten heiliging zit de notie van ‘apart zetten voor de NAAM’.

Genezen in de naam van de Nazoreeër

De perikoop uit Handelingen (4:8-12) betreft een toespraak – of meer een verdedigingsrede – van Petrus bij een ondervraging door de hogepriesterlijke familie, bestaande uit Annas, Kajafas, Johannes en Alexander. Aan Petrus’ zijde staan Johannes en een verlamde bedelaar die zij begin hoofdstuk 3 hebben genezen. Het opmerkelijke zit hem hier in de belijdenis van Petrus tegenover dit panel van geleerden: dat de zieke gezond voor hen staat ‘dankzij de naam van Jezus Christus uit Nazaret’ (4:10 – NBV). Letterlijk staat hier in het Grieks: en tooi onomati Ièsou Christou tou Nazooraiou. De ‘Nazoreeër’ dus, zoals ook de NB en NBG ’51 vertalen. Deze aanduiding, Nazoreeër, wordt in de evangeliën naar Matteüs en Johannes en het boek Handelingen gebruikt als een bijnaam van Jezus en van zijn volgelingen (zie Handelingen 24:5-6). Deze lijkt te zijn ontleend aan zowel Jezus’ afkomst uit Nazaret als aan zijn ‘geheiligde status’.

Nazaret, waarvan Nazarener het bijvoeglijk naamwoord is, is afgeleid van het Hebreeuwse woord netsèr (= ‘scheut’). Daarmee verwijst de naam naar de profetie van Jesaja: ‘Maar uit de stronk van Isaï schiet een telg op, een scheut van zijn wortels komt tot bloei’ (11:1 – NBV). Tegenstrijdig genoeg komt deze familie uit de wortel van Isaï niet terecht in Nazaret, maar wordt Betlehem de stad van David. Daarom zal Jezus met beide plaatsen een band hebben. Geboren in Betlehem, maar afkomstig uit Nazaret.

Het gaat er in de perikoop echter om dat deze naam de genezing van de verlamde heeft teweeggebracht. Kortom: de naam is hier de beslissende factor. Deze naam is ‘de redding’ (Gr.: hè sootèria – 4:12), wat in het Grieks ook ‘de genezing’ kan betekenen. De grondbetekenis is ‘de behoudenis in het leven’. Jezus’ naam betekent in het Hebreeuws niet voor niets ‘de Heer redt’.

De besnijdenis van de Heer

Uit het doorgaande verhaal bij Lucas van de geboorte en Epifanie van de Heer, lezen we op deze eerste dag van het nieuwe jaar maar één vers: ‘En toen acht dagen vervuld waren, zodat zij Hem moesten besnijden, ontving Hij ook de NAAM Jezus, die door de engel genoemd was, eer Hij in de moederschoot was ontvangen’ (Lucas 2:21 – NBG ’51). Enerzijds verwijst dit vers naar Leviticus 12:3, waar het gebod van de besnijdenis wordt beschreven. Deze is gekoppeld aan de onreinheid van de moeder. Pas wanneer zij na zeven dagen van afzondering weer naar de tempel mag komen, mag haar zoon besneden worden. En hij ontvangt daarbij ook zijn naam. Anderzijds verwijst dit vers naar de aankondiging van de engel Gabriël in Lucas 1:30-31, waarbij Maria van hem al de naam van haar ongeboren zoon ontvangt. De naam van Jezus is dus om drie redenen bijzonder. In zijn éénheid met de Vader betekent zijn naam: zegen, macht en redding.

Deze exegese is opgesteld door Matthijs de Vries.

Wellicht ook interessant

None

Symposium ‘Inferno. De ontdekking van de hel’

We hebben het er liever niet over: de hel. Maar Arnold Huijgen, de Theoloog der Nederlanden, schreef er een boek over: Inferno. Daarin biedt Huijgen ons een nieuwe manier van spreken over de hel, want ‘belangrijke theologische tradities schieten daarin tekort.’ Tijdens dit symposium zoekt hij het gesprek met wetenschappers, theologen en kunstenaars over hun ‘heltaal’. Met onder anderen historicus Beatrice de Graaf, theoloog Kees van der Kooi, beeldend kunstenaar Egbert Modderman en schrijver Niña Weijers.

Rechterhamer die op een Bijbel ligt met op de achtergrond een kruis.
Rechterhamer die op een Bijbel ligt met op de achtergrond een kruis.
None

Bijbel en politiek

Al jaren speelt de Bijbel een rol in de politiek – soms als inspiratie, soms als wapen. Regelmatig zien we dat in de Verenigde Staten, maar ook in Nederland grijpen politici regelmatig naar bijbelteksten om hun standpunten kracht bij te zetten. Maar hoe ver ga je daarin? De Bijbel is politiek, of in ieder geval: bepaalde verhalen eruit hebben een duidelijke politieke lading. Als redactie riep dat een aantal vragen op, want hoe moeten we hier mee om gaan? Kan je zomaar de bijbel gebruiken om een politiek punt te maken vandaag de dag? In deze serie hebben we een aantal theologen gevraagd om op deze vragen te reflecteren.

Nieuwe boeken