De Heer wordt slaaf
Witte Donderdag (Exodus 12,15-20, Psalm 81, 1 Korintiërs 11,23-32 en Johannes 13,1-15)
Met Witte Donderdag begint in de westerse kerk het Paastriduüm, de drie dagen waarop het verhaal van Jezus’ lijden, sterven en opstanding in herinnering wordt geroepen. Het is een belangrijk verhaal: als kerk nemen we de tijd het breed uit te meten.
We doen wat van het volk Gods in Exodus 12 gevraagd wordt: we brengen ons het verhaal van Gods bevrijdend handelen te binnen met woorden en rituelen. Al doende, verspreid over de drie dagen, laten we niet alleen het verhaal van Jezus spreken, maar verbinden we het ook met andere verhalen over God. Zo klinkt op de Paasmorgen de hele voor- en nageschiedenis van dat ene kernmoment in de tijd – de opstanding – mee in onze lofprijzing.
De laatste maaltijd
Bij de gedachtenis van het laatste maal voor Jezus’ kruisdood lezen we verslag over de inzetting van het Pesachmaal (Ex. 12), en de aanwijzingen van Paulus voor de viering van het avondmaal (1 Kor. 11,23-32). Psalm 81 bezingt daarbij de rijke zegen, redding en overvloed die van Godswege door alle tijden heen gegeven zijn, maar geeft tegelijk stem aan Gods klacht over een volk dat niet luisteren wil. Naast de lofzang zien we hier al de schaduw van Goede Vrijdag.
Het evangelie van Johannes is verrassend spaarzaam als het om de laatste maaltijd gaat. De instellingswoorden en het ritueel van brood en wijn ontbreken. Johannes weeft de verhalen van de bevrijding uit Egypte en van Jezus’ lijden, sterven en opstanding anders in elkaar dan de andere evangeliën. De dood van Jezus en de slachting van de lammeren waarmee de viering van de uittocht begon, vallen bij Johannes samen. Zo verdubbelt de geschiedenis zich over een periode van drie dagen: de geschiedenis van Gods bevrijdend handelen toen herhaalt zich in het verhaal van Jezus nu.
Hoewel de maaltijd door het hele evangelie heen op de achtergrond meeklinkt, gaat Johannes, zoals gezegd, er nu niet op in. Maar misschien hoeft dat ook niet. De lezer zal de verbinding zelf wel leggen en het ritueel dat vanaf het begin zo’n centrale plaats inneemt in de gemeenschap van Jezus’ volgelingen in gedachten voor zich zien. Voor Johannes is de maaltijd die de volgelingen van Jezus in de toekomst zullen vieren niet alleen een gedenken van dit ene moment, maar een gedenken van het hele verhaal van Gods bevrijdend handelen in de geschiedenis en in het verhaal van Jezus.
De voeten wassen
In plaats van een verslag van de maaltijd voegt Johannes een verhaal toe dat in geen van de andere evangeliën voorkomt. Jezus legt zijn mantel af, slaat een linnen doek om en knielt om de voeten van zijn leerlingen te wassen. Het is een rijk beeld. Een ander de voeten wassen kon een uitdrukking zijn van welkom, onderwerping, respect of genegenheid. Zo was te Abraham de voeten van zijn goddelijke gasten (Gen. 18,4). Vrouwen wasten soms de voeten van hun man, leerlingen wasten de voeten van hun meester. Maar nu keert Jezus de zaken om: Hij geeft zijn leerlingen het respect en de genegenheid die zij Hem verschuldigd zijn. Sterker nog, Hij legt zijn bovenkleed af en slaat een linnen doek om. Zo neemt Hij de gedaante aan van een slaaf (Filip. 2).
De discussie met Petrus rond de voetwassing verscherpt en versterkt het beeld. Dit is niet gewoon, dit is ongemakkelijk, maar volgens Jezus is het noodzakelijk. Het roept verwarring op bij Petrus, maar ook bij de lezer. Wie is deze meester die dienaar wordt? Wie is deze God die neerknielt in het stof? En wie is deze heer die zich op gelijke voet stelt met de minste slaaf?
Levend water
Ook met het water geeft Johannes een rijk geschakeerd beeld. De doop klinkt mee, het levende water en de gave van de Geest uit Johannes 7,37-39. Ook andere teksten over water klinken mee, zoals het verhaal van de doortocht. In Exodus 12 wordt dat verhaal door de opdracht zeven dagen Pesach te vieren, verbonden met de vernieuwing van de schepping. ‘Laat dit voortaan voor jullie de eerste maand zijn,’ zegt het verhaal, ‘hier begint jullie geschiedenis opnieuw!’ Herschepping is ook in het verhaal van Jezus ophanden. Hier, in het verhaal van de voetwassing, zweeft de Geest al over de wateren van de chaos.
Aan het kruis zal Jezus ‘Ik heb dorst’ roepen, maar hier stroomt het levende water al over de voeten van zijn leerlingen de wereld in. Hij roept hen op zijn voorbeeld te volgen, hun trots en status af te leggen en Gods liefde te laten stromen door zich te geven in dienst van de Geest. Petrus heeft het er moeilijk mee, maar hij blijft zich openen naar het Woord. Met vallen en opstaan groeit hij uit tot een rots die honing in overvloed te geven heeft. Judas gaat een andere weg. Jezus wast ook zijn voeten, nodigt ook hem uit tot navolging. Hij weigert. Hij verdwijnt, met zijn stuk (levens)brood in de hand, de nacht in en kiest de dood. In onze kerken kan het voetwassingsritueel soms tot heel wat discussie leiden. Moeten we Jezus’ opdracht letterlijk nemen?
Moeten we onze schoenen uitdoen en voor elkaars zweetvoeten knielen? En wie wast dan wie? Daarmee verliezen we gemakkelijk uit het oog waar het om gaat: de uitnodiging om je bovenkleed af te leggen, je kwetsbaar te maken en de minste te willen zijn. Witte Donderdag zet de toon: de Heer wordt slaaf en roept ons op om Hem te volgen en zelf levendwaterdragers te worden, die zich niet door de duisternis laten overweldigen. Honing uit de rots, brood en wijn om te delen, water dat leven geeft tot in eeuwigheid.
Deze exegese is opgesteld door Anneke Oppewal.