De Odyssee en de Thora
Een theologische reflectie op Christopher Nolens kaskraker The Odyssee
Net als velen ging Evert Jan de Wijer deze zomer naar de bioscoop om ‘The Odyssee’ te zien. In de film wordt Odysseus niet neergezet als een vindingrijke held, zoals in Homerus’ epos, maar eerder als een getormenteerde ziel, die zijn samenleving ten onder ziet gaan doordat de wet van gastvrijheid niet wordt nageleefd. Deze interpretatie mag er zeker zijn, vindt Evert Jan, maar welke uitkomst wordt er geboden?
Met talloos veel miljoenen ging ook ik naar de bioscoop om ‘The Odyssey’ te zien. En net als die miljoenen werd ook ik helemaal meegezogen in het verhaal. Van verhalen leven wij. Je hoeft maar te beginnen: ‘Vertel mij, o Muse, van die gecompliceerde man’ of de duim gaat reeds in de mond. Het heeft iets onmiskenbaar ontroerends: wij leven wat af, maar zijn blijkbaar altijd bereid een ruime drie uur op pauze te zetten om ons onder te dompelen in het relaas van een medemens. Want dat moet het zijn: hoe bestaat het dat het verhaal van Odysseus nog altijd zoveel zeggingskracht heeft? Het is universeel. Het gaat over ons. Over ons bestaan. Over onze zoektocht om thuis te komen en hoe gecompliceerd dat blijkbaar is.
Talloos zijn de duidingen die aan dit verhaal gegeven zijn: psychoanalytische, cultuurkritische en zelfs gedragstherapeutische. Regisseur Christopher Nolan voegt een boeiende duiding aan dit rijtje toe. Hij maakt van zijn held Odysseus een getormenteerde, door zijn geweten geplaagde ziel. Dat is hem ook wel op kritiek komen te staan. Het werd hem verweten dat hij het epos van Homerus reduceerde tot een psychologisch drama. Enigszins vergelijkbaar met dit argument brachten de kenners van de klassieken te berde dat Nolan categorieën introduceert die de oude Grieken volkomen vreemd zouden zijn geweest. Al vind ik die vertaling van Emily Wilson – één van die critici overigens – dat Odysseus ‘gecompliceerd’ is meesterlijk, op het gymnasium leerde ik nog dat hij vooral ‘vindingrijk’ was. En dat is hij ook. Hij is sluw, opportunistisch. Hij laveert listig tussen de goden en hun zonen en dochters door. Maar hij heeft bij uitstek één ding niet: en dat is een geweten. Hij manipuleert het lot en vindt steeds zo zijn weg naar huis terug. Tegen zijn cunning plans hebben zelfs de goden geen verweer. In die zin is en blijft hij een held, zij het een tragische held. En van helden houden wij.
In die zin zou je kunnen zeggen dat Nolan wel degelijk de Griekse traditie van de tragische held voortzet. Maar hij voegt er een paar nieuwe elementen aan toe. Inderdaad zijn de goden verdwenen en hebben zij nu de functie van ronduit moderne opvattingen. De godin Athena symboliseert zijn geweten. In de Hades krijgen de slachtoffers van Odysseus een stem. De Sirenen evoceren zijn onbewuste. In Circe meldt zich de feministische kritiek en Calypso bewijst zich als empathische gesprekstherapeut. Meer in het algemeen zou je kunnen zeggen dat Nolan de crisis van de moderniteit articuleert. Odysseus is in zekere zin de ondergang van de held. Hij ziet die beschaving letterlijk in brand vliegen waarin de gastvrijheid wordt geschonden. Een samenleving die gestoeld is op list en bedrog. Een samenleving waarvoor hijzelf verantwoordelijk is en zijn vindingrijkheid in dienst heeft gesteld. In die zin lijkt Odysseus natuurlijk sprekend op die andere protagonist van Nolan: Oppenheimer. In zijn oeuvre meldt zich steeds weer de ondergang van het Avondland.
Als kritische stem in de Westerse beschaving, is Nolan mij welkom. Hij heeft een goed oog voor de schaduwzijden daarvan. Wie daarvan het slachtoffer worden. Hoe deze beschaving verworden is tot een Hoogfeest van de manosfeer waarin de mensen wolven voor elkaar zijn of in ieder geval varkens.
In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog voelt de Amsterdamse theoloog K.H. Miskotte een koude in de lucht die hem niet beviel. Er ontstaat een cultuur van het heldendom. Groots en meeslepend, onverbiddelijk moest men leven. De compromisloze mannelijkheid werd gevierd. Desnoods ging men strijdend ten onder. In de tragiek zat ook iets oneindig romantisch, compassie was iets voor weke, vrouwelijke geesten. Miskotte besloot uitvoerig studie te maken van de Noordse sagenbundel Edda, wat hem op inhoudelijke kritiek kwam te staan van Eddakenners als Jan de Vries (die trouwens in de oorlogsjaren zo fout als wat bleek te zijn).
In Edda ontwaarde Miskotte een verering voor de held, voor het vitalisme, het Lot en de algemene grilligheid van het leven die voor hem resoneerde in de geest van zijn tijd. Uiteindelijk dringt Miskotte aan op een keuze: het is of Edda of het is Thora, waarbij hij de Thora allereerst ziet als het ‘charter van de humaniteit’. De schrijver Abel Herzberg zal later van dit boek, Edda en Thora, zeggen dat het hem door de oorlog heeft gesleept. Hoeveel natuurlijke affiniteit Miskotte ook heeft met de vitalistische tragische held – tijdens een lezingencyclus in het toenmalige Nederlands-Indië dachten ze zelfs dat ze het met een fascist te doen hadden – deze route is tot ondergang gedoemd en zal verschrikkelijke gevolgen hebben. De mythe zal ons de sleutel niet aanreiken en ook de klassieken zullen ons hier niet redden. De medemenselijkheid en het geweten moet ons van elders worden aangereikt. Miskotte vond dat in de bijbelse geschriften. Daarin lonkte zijn Ithaka en wie weet, maakt dat ook een einde aan onze eigen Odyssee.

Evert Jan de Wijer (1964) is predikant in Wassenaar. Hij promoveerde op een vergelijkend onderzoek van de cultuurbeschouwing van K.H. Miskotte met die van Thomas Mann en schreef God op het boekenbal, over bijbelse verhalen en bestsellers in de boekhandel. De relatie tussen de moderne cultuur en de bijbelse theologie loopt als een rode draad door zijn denken.