De prediker, de preek, de hoorder en de kritiek
Lezing gehouden door dr. T. Pleizier
tijdens de IZB/Areopagus studiedag ‘The times they are a-changin’, op 28 oktober 2016
Zie ook
De andere lezingen op deze studiedag waren:
Vier opdrachten voor de prediking
1. Accepteer als predikant de rol van “religieuze expert”
Het ambt heeft een inhoudelijke kant die de deskundigheid van de predikant uitmaakt. Dat blijkt ook uit het klassieke formulier voor de bevestiging, dat het ambt van predikant een specifieke taakstelling met zich meebrengt: de dienst van Woord, sacrament en gebed. Predikant moeten dus kunnen preken, kunnen bidden en de sacramenten kunnen bedienen. Krachtens het ambt is een predikant een deskundige, en wel in geloofspraktijken. Een betrokken deskundige die niet op veilige afstand blijft; en een deskundige die zich niet in zijn deskundigheid verliest, maar op wie de gemeente een beroep mag doen. Vanuit die deskundigheid treedt de predikant op.
Daarmee onderscheidt de predikant zich ook van de gemeente: je bent in staat om afstand te nemen, je eigen werk onder ogen te zien, het gesprek daarover aan te gaan, en je eigen ontwikkeling ook theologisch te kunnen duiden. Gelukkig is het ambt geen status meer. Een status maakt je kwetsbaar en onkwetsbaar tegelijk, omdat je er niets aan kunt doen. Wie zich als predikant als deskundige ziet, kan die deskundigheid voeden, daarop reflecteren en vanuit die deskundigheid optreden. Je bent als dienaar van het Woord deskundig als het gaat om de Schrift, in de begeleiding van mensen in geloofsvragen en in de godsdienstige communicatie. Bij dat laatste gaat het in liturgie in prediking: hoe communiceert God met ons en hoe communiceren wij met Hem? Concreet:
-
Wie voorgaat in de kerkdienst moet weten hoe authenticiteit werkt. Niet om toe te geven aan een cultuur waarin authenticiteit voorop staat en grenst aan narcisme, maar om bewust in die cultuur te communiceren over God en geloof. Je gaat op een bewuste manier om met jezelf op de kansel. Weten wanneer en hoe je ‘ik’ zegt. Wat dat oproept en welke werking dat heeft.
-
Wie voorgaat in de kerkdienst moet in de homiletische communicatie dialogisch kunnen spreken. In de communicatie komt het aan op het gesprek met de gemeente. Een relevante preek is vooral een preek waarin de hoorder merkt dat de predikant de dialoog aangaat. De tijd dat je tien minuten achter elkaar informatie over een bijbelgedeelte kon geven zonder dat duidelijk was wat de relevantie daarvan voor déze gemeente in déze tijd is, is voorbij. Dat heeft ook een voordeel. Het brengt beperking aan en geeft focus. Dialogisch spreken is je voor elke zin afvragen waarom het belangrijk is om dit nu tegen déze gemeente nú te zeggen.
-
Wie voorgaat in de kerkdienst moet zich in toenemende mate bewust zijn van een plurale spiritualiteit. Dat gegeven moet eerst geaccepteerd worden, voor je er iets mee kunt doen. Leiding geven in de prediking is daarmee leiding geven aan dat wat gemeenschappelijk wordt beleefd en beleden. Je redt het als dominee niet om een beroep op je ambt te doen of daarvan uit te gaan, dat is een soort formele autoriteit die voorbij is. Een predikant is vanuit zijn of haar ambt deskundig, in de omgang met de eigen persoon (authenticiteit), in de communicatie (het dialogische) en in de omgang met een diverse spiritualiteit. Die rol moet je als dominee willen nemen, dan raak je niet bij het ambt vandaan, maar kom je tot de kern van je roeping als dienaar van het Woord.
2. Laat de preek de ruimte zijn waar het leven zich afspeelt voor het aangezicht van God.
Door de tijden heen, worden in preken verschillende accenten gelegd. De vraag naar de aanwezigheid van God in het leven is een andere dan de zoektocht naar een genadige God. Het is onvruchtbaar om tegenstellingen te poneren tussen preken die te veel het hier en nu benadrukken en preken die de eindigheid en sterfelijkheid van de mens ‘en daarna het oordeel’ benadrukken. Waar het om gaat is dat in preken dít leven zich afspeelt voor het aangezicht van de Ánder.
Waar in een seculiere tijd de betekenissamenhang tussen God, wereld en mens verloren is gegaan, worden wij in de prediking hervonden als de preek ons leven plaatst voor het aangezicht van God. Waar dat gebeurt, vonkt het in de prediking, is het spannend en gaat het ergens over. Meer ingevuld gaat het om een prediking waarin de Levende Heer uitgangspunt, verlangen en bestemming van de prediking is. In de Opgestane spreekt God zich uit in het hier en nu van déze wereld, laat Hij zien de schepping niet op te geven en wordt het komende Koninkrijk al zichtbaar. Waar in de prediking die spanning voelbaar wordt, tussen oud en nieuw, tussen zonde en genade, tussen kruis en opstanding, tussen hier en daar of nu en straks, blijft de prediking spannend en wordt het niet eenzijdig.
3. Wees je ervan bewust dat niet in het spreken, maar in het horen wordt beslist of het Woord van God in de prediking heeft geklonken.
Of het Woord van God in de prediking heeft geklonken wordt niet beslist bij de predikant, maar in het hart van de hoorder. Dat is een belangrijk protestants inzicht: niet het functioneren van de voorganger (ex opere operantis), maar in het hart van de mens wordt het heil gerealiseerd. In het onderzoek naar hoorders blijkt dat dit ook een empirisch gegeven is: een preek komt bij elke hoorder anders binnen en heeft ook bij elke hoorder een eigen werking. We kunnen hier alleen maar over spreken vanuit de werkelijkheid van de Geest. In de gereformeerde kerkdienst komt dit bovendien liturgisch tot uiting in het gebed om de opening van het Woord en de aanroeping van de Geest. Niet dat de predikant tot spreken komt – dat ook, maar vooral dat het bij de gemeente tot horen komt. De dienaar van het Woord weet dat het Woord een eigen werking heeft, waarover de predikant niet beschikt. De hoorder is geen tegenover, maar een partner in de prediking. In het horen ontstaat geloof, wordt geloof geactualiseerd en wordt het Woord ontvangen – of verworpen. Ook dat laatste is een werking van het woord, waarvan de beslissing valt in het hart van de hoorder. Zowel waar het woord wordt afgewezen als waar het wordt aanvaard, gaat het een Woord wat van de andere kant komt. Dat zet een heel andere spanning op de kerkdienst: de controle ligt niet bij de voorganger, maar de voorganger moet de controle los laten en aanvaarden dat de weg van het Woord in de gemeente niet altijd is zoals hij of zij had gedacht. Dat maakt de prediking niet willekeurig. Want hoe kun je dat proces zoveel mogelijk ruimte geven? Daar is niet zomaar één antwoord op te geven, maar dit bewust te zijn en niet te problematiseren, is een eerste stap. Is dat niet dienaar van het Woord zijn, dat je het Woord de ruimte geeft om een eigen werking te hebben?
4. Aanvaard dat kritiek op de preek hoort bij de protestantse spiritualiteit
En dan is er de kritiek. De tegenstem, de weerstand. Welke predikant kent dat niet? In Johannes 4 staat het verhaal van de vrouw bij de put. De samaritanen stromen de stad uit naar Jezus en zeggen: we komen uzelf horen, niet langer geloven we op grond van wat de vrouw heeft gezegd. Rudolf Bultmann zegt bij dit gedeelte: de verkondiging van het Woord maakt mensen zo zelfstandig, dat ze van de weer omstuit kritisch worden naar degene die hen het Woord bracht. Is dat ook niet een gevolg van het protestantse sola fide? Dat de prediker de preek loslaat en overlaat aan de hoorder. Die zich vervolgens tegen de prediker kan keren? Prediking waarin hoorders afhankelijk worden van de prediker, moet misschien wel gewantrouwd worden. Dat heeft twee kanten. Ten eerste betekent het natuurlijk nooit dat je kritiek op de preek naast je kunt neerleggen. Ten tweede moet de kritiek aanleiding worden voor een gesprek over de geloofsbeleving. De preek is maar een moment in een gesprek dat in de gemeente verder gaat. En als predikant lever je een bijdrage aan dat gesprek, dat ten diepste een gesprek is dat God met de gemeente voert. Hiermee wordt de rol van de predikant nader geconcretiseerd: kritiek is geen aantasting van autoriteit, maar vraagt om deskundigheid: het ombuigen naar een gesprek over geloof en spiritualiteit.