Een droom aan stukken
2e zondag van de Herfst (Daniël 2:1-2a.26-49)
Heden, verleden en toekomst lopen in deze perikoop door elkaar heen. De literaire tegenwoordige tijd is gesitueerd in een voor de lezers al bijna mythisch verleden. Delen van de toen voorspelde toekomst wederom vormen hun bittere realiteit. Een laatste nog onvervulde belofte ten slotte biedt hun hoop voor de toekomst. Zal ze gauw aanbreken?
Aramees
Met de vermelding in 2:4 dat de Chaldeeërs in het Aramees tegen de koning praatten, verandert de taal van het hoofdstuk daadwerkelijk van het Hebreeuws naar het Aramees. Lezer en luisteraar worden meegenomen in het hofceremonieel van de grote koning Nebukadnessar. Het Aramees was de taal van het bestuur en de handel. Assyrië, Babylonië en Perzië: alle drie de rijken gaven er voor hun bestuur de voorkeur aan het Aramees te gebruiken. In zijn hoedanigheid als lingua franca van het oude Midden-Oosten dient het hier ook als vehikel voor Gods openbaring naar een niet-joodse koning toe. In het jodendom werd het Aramees na verloop van tijd de taal van het gewone volk, naast het Hebreeuws als heilige taal. Evenwel zijn ook belangrijke geschriften zoals de Targoemim en de Talmoedim in het Aramees vervat.[1]
Daniël: een tweede Jozef?
Veel elementen uit het hoofdstuk doen denken aan Genesis 40-41. Net als Jozef dient Daniël aan het hof van een niet-joodse koning. Ook hier wordt de koning gekweld door een droom waarvan hij voelt dat hij van betekenis moet zijn, maar in het duister tast waarin deze nou precies besloten ligt. Zoals de Egyptische magiërs zich geen raad wisten met de droom van Farao, zijn de Chaldese astrologen niet in staat Nebukadnessars droom te duiden. In beide gevallen is het een jonge Israëliet die de koning uit zijn misère verlost. De dromen blijken door God gezonden. Alleen de God van Israël heeft de macht om de toekomst te onthullen.
Dromen zijn in de oudheid nooit enkel menselijke ervaringen. Het zijn tevens manifestaties van goddelijke communicatie. Soms bevatten ze een duidelijke verbale boodschap, andere keren komt de goddelijke boodschap in de vorm van een beeld. Dan is het de taak van de magiërs de symbolen te duiden. Op basis hiervan adviseren ze de koning over de te ondernemen stappen. Dat de koning na zijn nachtmerrie direct de astrologen en droomduiders optrommelt, weerspiegelt dus de normale gang van zaken. Alleen wordt deze dit keer verstoord: de koning lijkt zich namelijk zijn droom niet meer precies te kunnen herinneren.[2]
Wat volgt is een impasse met verwijten over en weer. De koning verwijt zijn adviseurs onwilligheid, zij hem onredelijkheid. Hoe moeten zij zonder een gedetailleerd verslag van de droom diens betekenis ontrafelen?! Wat de koning van hen verlangt, kunnen alleen de goden (2:11).
Daniël anders dan Jozef
Deze wanhoopskreet gebruikt de auteur om Daniël ten tonele te laten verschijnen. Anders dan Jozef moet hij er niet van afhankelijk zijn dat iemand zich hem herinnert. Ook moet hij niet eerst nog uit de gevangenis worden gehaald waar hij in vergetelheid was geraakt. Nee, Daniël neemt zijn lot zelf in handen. Assertief stapt hij op de koning af en vraagt om uitstel van executie. Vervolgens belegt hij met zijn vrienden een gebedsbijeenkomst, en tijdens een nachtelijk visioen onthult God hem de betekenis van de droom. Wat in Genesis nog in een paar verzen werd afgehandeld, wordt hier in al zijn dramaturgie uitgewerkt. Eenmaal voor de koning bevestigt Daniël diens vermoeden dat zijn droom iets te maken had met de toekomst van zijn
rijk. God heeft de koning laten weten wat er zal gebeuren aan het einde der dagen. Deze uitdrukking heeft in het Oude Testament vaak een eschatologisch karakter; de tijd tot aan een bepaald moment in de toekomst. Zoals zal blijken omvat Nebukadnessars droom dus het tijdsbestek van zijn eigen nabije toekomst tot aan de gebeurtenissen die een einde zullen maken aan de era van het Babylonische Rijk en zijn opvolgers.
Gods verborgen plan
Een hoofd van goud, zilveren borst en armen, buik en lendenen uit brons, staand op ijzeren benen en voeten, gemaakt van een klei- en ijzermengsel. Van Nebukadnessar, de koning der koningen als gouden hoofd, slaat Daniël een boog naar het vierde rijk. Over de twee rijken in het midden blijft hij opzettelijk vaag. Pas bij het vierde rijk treedt hij weer in detail: hard als ijzer en alles verpletterend. Dit rijk is de barre realiteit van de lezers. Hun biedt Daniël hoop. Aan de periode van vreemde overheersing die met Nebukadnessar begon, zal een einde komen. God zal zijn heerschappij op aarde oprichten en een einde maken aan hun lijden.
De val van Jeruzalem en het einde van Juda als zelfstandige staat markeren een breekpunt. Voor het eerst wordt het lot van Gods volk volledig door een heidense mogendheid bepaald. Dit is echter niet het einde van Gods geschiedenis met Israël. Zelfs de grote koning Nebukadnessar heerst enkel bij de gratie van Israëls God. Hij is de Heer over de tijd en is volgens een ‘verborgen plan’ (Aramees: raz) in de geschiedenis werkzaam.[3] De loop der geschiedenis is door Hem bepaald. Delen wij deze gedachte nog steeds?
Deze exegese is opgesteld door Chanan Raguse.
Voetnoten
[1] Targoemim zijn Aramese vertalingen van oudtestamentische boeken met een commentariërend karakter. Samen met de Midrasjim en Talmoedim vormen ze de kern van de rabbijnse traditieliteratuur.
[2] Vgl. John E. Goldingay, Daniel, Bruce M. Metzter, David A. Hubbard and Glenn W. Barker (eds.), Word Biblical Commentary 30, Dallas 1989, 46.
[3] Terwijl het Aramese woord raz in het Oude Testament alleen in Daniël voorkomt (2:18.27), is het in de Dode Zee-rollen bijna een technische term voor Gods verborgen doel in de geschiedenis dat door de mens alleen door tussenkomst van goddelijke openbaring begrepen kan worden.